Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7052

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-08-2017
Datum publicatie
18-12-2017
Zaaknummer
200.197.690/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinder- en partneralimentatie. Terugbetaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.197.690

(zaaknummer rechtbank Overijssel 173378)

beschikking van 15 augustus 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats verzoeker] ,

verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.P.H.C. Swarts te Soest,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats verweerster] ,

verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.W. Haafkes te Hengelo (O).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 25 mei 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties A tot en met K, ingekomen op 24 augustus 2016;

  • -

    het verweerschrift met producties 1 tot en met 5, ingekomen op 20 oktober 2016;

  • -

    een journaalbericht van mr. Swarts van 1 februari 2017 met producties 1 tot en met 12;

  • -

    een journaalbericht van mr. Haafkes van 8 juni 2017 met productie 5 en

  • -

    een journaalbericht van mr. Swarts van 14 juni 2017 met producties 13 en 14.

2.2.

De minderjarige [kind ] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft op 20 juni 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.4.

Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof ingekomen een journaalbericht van mr. Haafkes van 21 juni 2017 met als bijlage het bewijs van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3 De vaststaande feiten

3.1.

Bij de bestreden beschikking is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke op 7 september 2016 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

De man en de vrouw zijn de ouders van vier kinderen, van wie thans nog uitsluitend minderjarig is: [kind ] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (verder: [kind ] ), over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.

4 De omvang van het geschil

4.1.

In geschil is de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) alsmede de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind ] (hierna ook: kinderalimentatie). De rechtbank heeft in de bestreden - in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 25 mei 2016 voorts, voor zover thans van belang:

  • -

    bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand € 236,- per maand aan de vrouw dient te voldoen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

  • -

    bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [kind ] bij de vrouw zal zijn;

  • -

    inzake het recht van [kind ] op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders de navolgende regeling bepaald: [kind ] zal afwisselend de ene week bij de man, dan wel bij de vrouw verblijven;

  • -

    de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind ] bepaald op € 280,- per maand, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; en

  • -

    het meer of anders verzochte afgewezen.

4.2.

De man is met zeven grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De eerste en zesde grief zien respectievelijk op de behoefte van [kind ] en de vrouw en de behoeftigheid van de vrouw, de tweede, derde, vierde en zevende grief zien op de draagkracht van de man, de vijfde grief ziet op de draagkracht van de vrouw.

De man verzoekt het hof de bestreden beschikking, voor zover daarvan beroep, te vernietigen en opnieuw beschikkende de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te bepalen op nihil en de door de man te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [kind ] te bepalen op € 25,- per maand.

4.3.

De vrouw verzoekt de man in zijn verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de door hem gedane verzoeken af te wijzen, kosten rechtens.

4.4.

Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken.

4.5.

Nadat de bestreden beschikking is gegeven zijn de financiële omstandigheden van de vrouw gewijzigd. Partijen zijn het erover eens dat deze gewijzigde omstandigheden mede aan de beslissing ten grondslag moeten worden gelegd.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van een en twintig jaren nog niet hebben bereikt, hebben op grond van artikel 1:400 lid 1 BW voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden, indien de draagkracht van de onderhoudsplichtige onvoldoende is om dit levensonderhoud volledig aan allen te verschaffen. Nu de bijdrage van de man ten behoeve van [kind ] in geschil is, zal het hof allereerst beoordelen of de man een bijdrage dient te leveren in de kosten van opvoeding en verzorging van [kind ] en tot welk bedrag, om daarna te oordelen over het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie.

de ingangsdatum

5.2.

Overeenkomstig het oordeel van de rechtbank, waartegen geen grief is gericht, ziet het hof aanleiding om de onderhoudsbijdragen ten behoeve van de vrouw en [kind ] vast te stellen met ingang van 7 september 2016, de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

de kinderalimentatie

hoogte behoefte [kind ]

5.3.

De bij de bestreden beschikking vastgestelde behoefte van [kind ] van € 445,- in 2016 is niet in geschil. De man heeft gesteld ook van deze behoefte te willen uitgaan, zodat deze daarmee vaststaat. De behoefte bedraagt ingevolge de wettelijke indexering per 1 januari 2017 € 454,35 per maand.

de draagkracht

5.4.

Bij het bepalen van het aandeel van de man in de behoefte van [kind ] dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen, dat zijn in dit geval: de man en de vrouw, en de verhouding waarin zij ieder tot [kind ] staan in de beoordeling te worden betrokken.

5.5.

Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van partijen hun netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt nemen. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. De draagkracht voor 2016 zal worden vastgesteld aan de hand van de formule 70 % [NBI - (0,3 NBI + € 890,-)] bij een netto besteedbaar inkomen hoger dan € 1.550,- per maand. Voor 2017 zal de draagkracht worden vastgesteld aan de hand van de formule 70 % [NBI - (0,3 NBI + € 905,-)] bij een netto besteedbaar inkomen hoger dan € 1.575,- per maand.
Deze benadering houdt in dat het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30 % van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van € 890,- (2016) dan wel € 905,- (2017) aan overige lasten, en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70 % beschikbaar is voor kinderalimentatie.

Voor zover het inkomen lager is dan € 1.300,- in 2016 of € 1.325,- in 2017 wordt uitgegaan van een minimumdraagkracht van € 25,- per maand voor één kind.

5.6.

Gelet op hetgeen onder 5.2 ten aanzien van de ingangsdatum wordt overwogen zal het hof de draagkracht beoordelen vanaf 7 september 2016. Het hof gaat daarbij uit van de volgende gegevens.

draagkracht van de man

5.7.

De volgende gegevens aan de zijde van de man staan niet ter discussie. De man is directeur en enig aandeelhouder van [bedrijf] (de holding). Tot 2012 was er sprake van een managementovereenkomst tussen de holding en [bedrijf 2] en bedroeg de management-fee € 220.000,- bruto per jaar. Na een conflict is er een einde gekomen aan deze managementovereenkomst en is de dochteronderneming van de holding, [bedrijf 3] , op 5 juni 2013 failliet verklaard. Er heeft vervolgens een doorstart plaatsgevonden middels een nieuwe dochteronderneming van de holding, [bedrijf 4] .

5.8.

De man stelt in zijn tweede tot en met vierde grief dat de rechtbank bij het bepalen van de draagkracht ten onrechte is uitgegaan van een netto inkomen van de man van € 5.000,- per maand. De rechtbank heeft daarbij volgens hem ten onrechte gerekend met een winst uit onderneming van € 79.210,- bruto. De man heeft geen eenmanszaak, zodat van een winst uit onderneming geen sprake kan zijn. Ook heeft de man nimmer een inkomen ontvangen van € 5.000,- netto per maand. Maandelijks werd een gebruiksvergoeding betaald aan [bedrijf 4] voor goederen gebruikt door [bedrijf 5] . De man meent dat moet worden uitgegaan van een inkomen van € 3.000,- bruto per maand.

5.9.

De vrouw voert hiertegen gemotiveerd verweer. Zij wijst op de steeds weer andere verklaringen van de man over zijn inkomsten, waarbij hij nalaat zijn stellingen met nadere stukken te onderbouwen. Daardoor bestaat, aldus de vrouw, nog steeds geen inzicht in de werkelijke inkomsten van de man, zodat de rechtbank het netto inkomen van de man terecht op € 5.000,- per maand heeft geschat.

5.10.

Het hof overweegt als volgt.
Ter onderbouwing van zijn stelling dat zijn besteedbare inkomen geen € 5.000,- per maand bedraagt, heeft de man verschillende jaarstukken in het geding gebracht. De ingebrachte jaarstukken zijn concepten, waarbij een controleverklaring en een nadere inhoudelijke toelichting op de financiële situatie van de ondernemingen ontbreken. Ook maakt de man de geldstromen binnen de ondernemingen niet verder inzichtelijk. Aangezien de juistheid van deze stukken door de vrouw is betwist, had van de man mogen worden verwacht dat hij meer inzicht in de financiële situatie van zijn ondernemingen verschafte, zeker gezien het eerdere, door de rechtbank gegeven oordeel dat de man, hoewel hij hiertoe meerdere malen in de gelegenheid is gesteld, heeft nagelaten een volledig duidelijk beeld te geven van de financiële situatie van zijn ondernemingen over de laatste jaren tot heden. De aangiften inkomstenbelasting waarnaar de man verwijst, zijn door de man zelf opgesteld en ingediend maar de daarop gebaseerde aanslagen ontbreken, zodat de juistheid van de inkomensgegevens daarmee niet is vast komen te staan. Het hof zal deze stukken dan ook buiten beschouwing zal laten.

5.11.

De stelling van de man dat moet worden uitgegaan van een bruto inkomen van € 3.000,- per maand, wordt door de vrouw gemotiveerd betwist. In het licht van de door of namens de man verrichte betalingen ter aflossing van (hoge) schulden had een nadere onderbouwing waaruit dit inkomen van de man zou moeten blijken en een verklaring hoe hij deze rentebetalingen en aflossingen financierde, niet mogen ontbreken. Zo was er sprake van een achterstand in de betaling van de hypotheekrente van circa € 34.000,- en een schuld van € 25.000,- wegens een schikking met de Rabobank, welke inmiddels zijn voldaan, maar hoe de man over deze gelden heeft kunnen beschikken, is onduidelijk gebleven. Dat voormelde rentebetalingen en aflossingen zijn voldaan door het aangaan van leningen wordt niet nader onderbouwd. Door de man zijn geen geldleningsovereenkomsten of bewijzen van stortingen door een of meer geldleners in het geding gebracht.

5.12.

Wegens het ontbreken van een nadere onderbouwing zal het hof aansluiten bij de door de rechtbank gemaakte schatting van het inkomen van de man van € 5.000,- netto per maand. Het hof merkt de man aan als DGA van zijn onderneming, hetgeen betekent dat hij, om een netto-inkomen van € 5.000,- per maand ter beschikking te hebben, in 2016 een bruto salaris had, althans wordt geacht te hebben gehad, van € 113.400,- per jaar, dat is € 9.450,- bruto per maand.

Dat betekent dat de draagkracht van de man voor kinderalimentatie in 2016 € 1.826,- per maand bedroeg en in 2017 € 1.942,- per maand.
De grieven twee tot en met vier falen.

draagkracht van de vrouw

5.13.

De man voert in zijn vijfde grief aan dat de vrouw haar inkomsten als gastouder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Voorts dient zij naar zijn mening inzichtelijk te maken welke inspanningen zij verricht heeft om meer inkomen te verwerven dan zij thans heeft. Subsidiair merkt de man op dat de minimale bijdrage van de vrouw € 25,- per maand zou moeten bedragen in plaats van de door de rechtbank vastgestelde bijdrage van € 9,- per maand.

5.14.

Hiertegen heeft de vrouw gemotiveerd verweer gevoerd. Zij stelt dat de rechtbank terecht haar draagkracht op € 9,- per maand heeft bepaald. Ter onderbouwing heeft de vrouw meerdere salarisspecificaties in het geding gebracht.

5.15.

Het hof overweegt als volgt.
De vrouw was in 2016 werkzaam bij [werkgever] (hierna: [werkgever] ) en daarnaast verrichtte zij werkzaamheden als gastouder. Tegen het oordeel van de rechtbank dat de vrouw in 2016 een inkomen bij [werkgever] genoot van € 431,36 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag, is geen grief gericht, zodat ook het hof hiervan zal uitgaan.

5.16.

In geschil is het inkomen van de vrouw uit haar werkzaamheden als gastouder. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw gemiddeld 15,5 uur per week als gastouder werkzaam was voor twee kinderen tegen een tarief van € 5,- per uur. De rechtbank komt daarmee op een bruto maandinkomen van € 674,25 per maand. Uit de door de vrouw overgelegde facturen (productie 5 bij verweerschrift in hoger beroep) blijkt dat haar inkomsten als gastouder in 2016 niet hoger zijn geweest dan de door de rechtbank berekende inkomsten van € 674,25 bruto per maand.

5.17.

Voor zover de man heeft bedoeld te stellen dat de vrouw in staat moet worden geacht om meer inkomen te genereren dan tot dusverre het geval is geweest, overweegt het hof als volgt.
Vast staat dat partijen tijdens hun huwelijk een traditioneel rolpatroon hebben gehad, waarbij de man voor het inkomen heeft gezorgd en de vrouw voor de kinderen heeft gezorgd. De vrouw is pas na het feitelijk uiteengaan van partijen werk gaan zoeken. In 2016 heeft zij een parttimebaan bij [werkgever] weten te vinden en is zij als parttime gastouder aan de slag gegaan. Sinds begin 2017 heeft de vrouw haar uren bij [werkgever] uit weten te breiden naar twintig uur per week en is zij (als gevolg daarvan) gestopt met haar werkzaamheden als gastouder. Het is de vrouw dus gelukt om haar werkzaamheden binnen een jaar tijd uit te breiden en daarmee haar inkomsten te verhogen. Ter zitting heeft de vrouw onweersproken gesteld dat het op dit moment niet mogelijk is haar werkzaamheden binnen [werkgever] nog verder uit te breiden. Gezien de leeftijd van de vrouw (op dit moment [leeftijd] jaar), haar gebrek aan relevante opleiding en werkervaring en de reeds door haar verrichte inspanningen, is naar het oordeel van het hof niet te verwachten dat zij binnen afzienbare tijd nog meer inkomen zal genereren dan zij thans doet. Daarbij komt dat het aannemen van een fictieve verdiencapaciteit voor een periode die reeds is verstreken en derhalve niet meer kan worden gerealiseerd, tot gevolg zou hebben dat niet volledig in de behoefte van [kind ] zou worden voorzien.

5.18.

Op basis van de in de rechtsoverwegingen 5.15 en 5.16 vermelde gegevens en rekening houdend met de aanspraak van de vrouw op een bedrag van € 4.519,- op jaarbasis aan kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop ten behoeve van [kind ] , de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensheffing, bedraagt haar netto besteedbare inkomen in 2016 € 1.368,- per maand, hetgeen betekent dat haar draagkracht in 2016 € 95,- per maand is. In zoverre slaagt de vijfde grief van de man.

5.19.

Voor 2017 geldt dat het inkomen van de vrouw is gewijzigd. Zij heeft haar werkzaamheden als gastouder laten vervallen vanwege het aanbod bij [werkgever] om haar contracturen uit te breiden naar 20 uur per week met daarbij een vaste aanstelling. Uit de overgelegde salarisspecificaties van de vrouw blijken de volgende looncomponenten:

  • -

    salaris € 1.110,91 bruto per maand

  • -

    vakantietoeslag van 8% over het bruto salaris en

  • -

    ingehouden premie OP van € 88,84 per maand.

Daarnaast wordt rekening gehouden met de inkomensheffing en de aanspraak van de vrouw op een bedrag van € 4.635,- op jaarbasis aan kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop ten behoeve van [kind ] , de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensheffing. Op grond van het voorgaande bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de vrouw € 1.387,- per maand. De draagkracht van de vrouw in 2017 bedraagt € 97,- per maand. Ook in zoverre slaagt de vijfde grief van de man.

draagkrachtvergelijking

5.20.

Partijen dienen in de behoefte van [kind ] bij te dragen volgens de formule “eigen draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van het kind”.

5.21.

Voor 2016 geldt het volgende. De totale draagkracht van partijen bedraagt € 1.921,- per maand. De behoefte van [kind ] is vastgesteld op € 445,- per maand. Op grond van het voorgaande bedragen de - afgeronde - aandelen per maand van:

  • -

    de man ([1.826,- ÷ 1.921,-] x 445,- =) € 423,- en

  • -

    van de vrouw ([95,- ÷ 1.921] x 445,- =) € 22,-.

5.22.

Voor 2017 geldt het volgende. De totale draagkracht van partijen bedraagt € 2.039,- per maand. De behoefte van [kind ] is vastgesteld op € 454,35 per maand. Op grond van het voorgaande bedragen de - afgeronde - aandelen per maand van :

  • -

    de man ([1.816 ÷ 1.913] x 454,35 =) € 433,- en

  • -

    de vrouw ([97,- ÷ 1.816] x 454,35=) € 22,-.

vermindering met de zorgkorting

5.23.

In de tijd dat de man de zorg voor [kind ] heeft, maakt hij daarvoor kosten en spaart de vrouw kosten uit. Nu sprake is van een co-ouderschapsregeling die door partijen wordt nageleefd, zal het hof het bij die regeling passende percentage van 35 in aanmerking nemen. De zorgkorting bedraagt in 2016 - afgerond - € 156,- per maand en in 2017 - afgerond - € 159,- per maand. De onder 5.21 en 5.22 berekende aandelen van de man worden verminderd met deze bedragen. Het hof verwijst naar de aangehechte en gewaarmerkte ‘berekening en verdeling van de kosten van de kinderen’.

conclusie en ingangsdatum

5.24.

Uit de berekeningen van het hof volgt dat de man - rekening houdende met de onder 5.23 berekende zorgkorting - over de periode van 7 september 2016 tot 1 januari 2017 een bedrag van € 267,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw dient te betalen en met ingang van 1 januari 2017 € 274,- per maand. Deze bedragen zijn lager dan hetgeen de man uit hoofde van de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 25 mei 2016 over de periode vanaf 7 september 2016 dient te betalen, zodat het hoger beroep van de man in zoverre slaagt.

de partneralimentatie

hoogte behoefte vrouw

5.25.

De man stelt in zijn eerste grief de hoogte van de behoefte van de vrouw ter discussie. Hij stelt (naar het hof begrijpt) primair dat de rechtbank bij de berekening van de behoefte van de vrouw ten onrechte van de zogenoemde ‘hofnorm’ (verder: de hofnorm) is uitgegaan, subsidiair dat voor het bepalen van de behoefte aansluiting moet worden gezocht bij de bijstandsnorm voor een alleenstaande en meer subsidiair, indien de behoefte toch dient te worden berekend aan de hand van de hofnorm, dat niet moet worden uitgegaan van een netto-gezinsinkomen van € 5.000,- per maand. Ten aanzien van de behoeftigheid van de vrouw merkt de man op dat van de vrouw mag worden verwacht dat zij zich maximaal inspant om in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

5.26.

De vrouw voert hiertegen gemotiveerd verweer en is van mening dat de rechtbank terecht is uitgegaan van de hofnorm. De rechtbank heeft daarbij evenzeer terecht gerekend met een netto gezinsinkomen van € 5.000,- per maand. Subsidiair is de vrouw van mening dat gerekend moet worden met de door haar overgelegde behoeftelijst.

5.27.

Het hof stelt het volgende voorop. De hoogte van behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de mate van welstand van partijen tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval. Daarbij moet de rechter de behoefte zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud bepalen.

5.28.

De vrouw heeft haar behoefte - nader - onderbouwd door overlegging van een behoeftelijst (productie 10, onderdeel van productie E procedure in eerste aanleg). Het uitgavenpatroon zoals genoemd in de behoeftelijst is door de man slechts in algemene zin betwist. Daarnaast heeft hij gesteld dat de genoemde posten veelal kosten van de gemeenschappelijke huishouding betroffen die door het bedrijf van de man werden voldaan.
Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw met deze lijst voldoende inzicht gegeven in het uitgavenpatroon van partijen tijdens hun huwelijkse periode, waarin zij kennelijk over gemiddeld € 5.000,- netto per maand konden beschikken. De herkomst van dat bedrag: het inkomen van de man of de kennelijke beschikbaarheid van andere middelen, is daarbij niet van belang. Van betekenis is voorts nog dat de rechtbank in de bestreden beschikking de behoefte van [kind ] op basis van een netto gezinsinkomen van € 5.000,- heeft berekend en dat de man tegen dat oordeel geen grief heeft gericht. Dat het gezin voor de bepaling van het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen een ander, hoger budget ter beschikking had of zou hebben dan voor de bepaling van de welstand van partijen ten behoeve van de vaststelling van de behoefte aan partneralimentatie, laat zich zonder nadere toelichting - die ontbreekt - niet rijmen.

5.29.

Gelet op het voorgaande gaat het hof ook voor de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte uit van een netto gezinsinkomen van € 5.000,- per maand. Uit dat inkomen droegen partijen allereerst de kosten van de kinderen. De rechtbank is in haar draagkrachtberekening uitgegaan van een bedrag van € 1.465,- per maand voor alle kinderen tezamen en tegen dat oordeel is geen grief gericht, zodat het hof uitgaat van de juistheid van dat bedrag.
Daaruit volgt dat partijen voor zichzelf € 3.535,- ter beschikking hadden. Toepassing van een percentage van 60%, conform de hofnorm, leidt tot een huwelijksgerelateerde behoefte van € 2.121,- netto per maand, na indexering met ingang van 1 januari 2017 € 2.165,54 netto per maand.

5.30.

Vervolgens ligt het op de weg van de vrouw om zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens te onderbouwen welke uitgaven zij thans doet om zoveel als mogelijk in haar behoefte te voorzien. Weliswaar heeft zij dat slechts summierlijk gedaan, maar in het licht van de haar ter beschikking staande financiële middelen is ook niet aannemelijk dat zij zonder een substantiële alimentatiebijdrage thans al uitgaven kan doen en verplichtingen kan aangaan die haar huidige financiële middelen te boven gaan.
In dat licht mocht van de man meer worden verwacht dan een min of meer kale betwisting van de door de vrouw overgelegde behoeftelijst, waarbij hij slechts stelt dat een aantal van de door de vrouw genoemde posten te hoog is, zonder daarvoor zijns inziens wel reële bedragen te noemen.
Grief een faalt derhalve.

resterende behoefte en behoeftigheid van de vrouw

5.31.

De man stelt zich in zijn zesde grief op het standpunt dat de vrouw in staat moet worden geacht in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

5.32.

Het hof oordeelt als volgt.
Zoals hiervoor onder 5.17 overwogen is naar het oordeel van het hof niet te verwachten dat zij binnen afzienbare tijd nog meer inkomen zal genereren dan zij thans doet.
Voor berekening van de behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage van de man in haar kosten van levensonderhoud, brengt het hof op de huwelijksgerelateerde behoefte het netto maandinkomen van de vrouw in mindering. Grief zes faalt.

5.33.

De Hoge Raad heeft op 7 juli 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1273) beslist dat het kindgebonden budget bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan partneralimentatie buiten beschouwing moet blijven. In deze uitspraak ziet het hof aanleiding de behoefte van de vrouw op een aanvullende bijdrage van de man te berekenen op basis van het netto besteedbare inkomen van de vrouw exclusief het door haar te ontvangen kindgebonden budget en zonder rekening te houden met de voor rekening van de vrouw komende kosten van [kind ] , nu dit aandeel minder is dan het door de vrouw ontvangen kindgebonden budget. Op basis van het inkomen van de vrouw zoals overwogen in rechtsoverwegingen 5.15, 5.16, 5.18 (2016) en 5.19 (2017) en rekening houdend met de aanspraak van de vrouw op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensheffing, heeft de vrouw een netto besteedbaar inkomen van € 991,- per maand in 2016 en € 1.001,- per maand in 2017. Op grond van het voorgaande becijfert het hof de behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud in 2016 op (€ 2.121,- -/- € 991,- =) € 1.130,- netto per maand. Het hof berekent de aanvullende behoefte van de vrouw in 2017 op (€ 2.165,54 -/- € 1.001,-) € 1.164,54 netto per maand.

draagkracht van de man

5.34.

De man stelt in zijn zevende grief dat zijn draagkracht niet toereikend is om enige bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te voldoen. Volgens de man is de rechtbank uitgegaan van een onjuist inkomen. Daarnaast dient volgens de man rekening te worden gehouden met een tweetal huwelijkse schulden, te weten een schuld van € 25.000,- bij de Rabobank in verband met een getroffen schikking en een schuld ter zake achterstallige hypotheekrente van circa € 34.000,-.
De vrouw voert hiertegen gemotiveerd verweer. Volgens haar heeft de rechtbank rekening gehouden met alle relevante lasten aan de zijde van de man. De vrouw merkt daarbij op dat de maandelijkse hypotheekrente is gedaald.

5.35.

Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van het inkomen van de man sluit het hof aan bij hetgeen daarover is overwogen in rechtsoverweging 5.10 tot en met 5.12. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat beide door de man gestelde schulden inmiddels zijn voldaan, zodat het hof hiermee geen rekening houdt. Tegen de overige door de rechtbank genoemde maandelijkse lasten heeft de man geen grief geformuleerd, zodat het hof daarvan zal uitgaan, met dien verstande dat het hof zal uitgaan van de door de vrouw onweersproken gestelde lagere hypotheekrente.

5.36.

Het hof neemt de navolgende financiële gegevens en uitgangspunten in aanmerking:

  • -

    het eigenwoningforfait van € 5.062,- per jaar;

  • -

    de algemene heffingskorting en de arbeidskorting;

  • -

    de hypotheekrente van € 2.699,- per maand (€ 32.388,- per jaar), te verminderen met de in de bijstandsnorm begrepen gemiddelde basishuur;

  • -

    het forfait overige eigenaarslasten van € 95,- per maand;

  • -

    de premie Zorgverzekeringswet van € 125,- te verminderen met de in de bijstandsnorm begrepen nominale premie ZVW;

  • -

    het verplicht eigen risico van € 32,- per maand;

  • -

    de bijstandsnorm voor een alleenstaande en het draagkrachtpercentage van 60 % en

  • -

    de door de man te betalen kinderalimentatie, vermeerderd met de zorgkosten, van in totaal € 423,- per maand in 2016 en € 433,- per maand in 2017.

5.37.

Op grond van het voorgaande heeft de man beschikbaar voor een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 2.115,- bruto per maand in 2016 en € 2.328,- per maand in 2017. Hij is derhalve - ruimschoots - in staat de door de rechtbank vastgestelde bedragen te betalen, ook indien rekening ermee wordt gehouden dat de man bijdraagt in de kosten van levensonderhoud van de oudste dochter Nienke. De zevende grief faalt.

de terugbetaling

5.38.

Uit het voorgaande volgt dat bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind ] met ingang van 7 september 2016 op een lager bedrag zal worden vastgesteld. Volgens vaste rechtspraak dient de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken te onderzoeken in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard (zie HR 4 maart 2016, HR:2016:365).
Gezien het feit dat de vrouw beschikt over een kindgebonden budget dat de door haar voor [kind ] te dragen kosten aanzienlijk overschrijdt en gelet op de relatief geringe verschillen tussen hetgeen door de rechtbank aan bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind ] is opgelegd en de thans door het hof op te leggen bedragen, kan in redelijkheid van de vrouw worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt, dan wel dat de man dit meerdere verrekent met toekomstige door hem te betalen termijnen, voor zover de man vanaf 7 september 2016 tot heden meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald.

6 De slotsom

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt de vijfde grief gedeeltelijk. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen, voor zover het de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind ] vanaf 7 september 2016 betreft.

6.2.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage aan het uit die relatie geboren kind, alsmede de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

7 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft berekeningen van de draagkracht van de man en de vrouw gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 25 mei 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten aanzien van de daarin vastgestelde bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind ] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 7 september 2016 € 267,- per maand en vanaf 1 januari 2017 € 274,- per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind ] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de vrouw hetgeen de man vanaf 7 september 2016 ten titel van kinderalimentatie meer heeft betaald en/of op hem is verhaald dan hij op grond van deze beschikking is verschuldigd aan de man dient terug te betalen dan wel dat de man bevoegd is dit meerdere te verrekenen met toekomstige termijnen aan kinderalimentatie;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 25 mei 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.T. Weijers-van der Marck, J.B. de Groot en C.J. Laurentius-Kooter, bijgestaan door mr. M. Knipping-Verbeek als griffier, en is op 15 augustus 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.