Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7013

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
200.207.377/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eiswijziging in hoger beroep toegestaan. De toewijsbaarheid van de vordering dient te worden beoordeeld door de combinatie van het hof die de zaak ten gronde zal beoordelen. Samenloop met een schadestaatprocedure in eerste aanleg staat ook niet in de weg aan de eiswijziging. Geen sprake van vertraging of bemoeilijking van de verdediging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.207.377/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/402584 / HL ZA 15-312)

rolbeschikking van 15 augustus 2017

in de zaak van

Broos Water B.V.,

gevestigd te Emmeloord,

appellante in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: Broos Water,

advocaat: mr. G.J. Baken, kantoorhoudend te Emmeloord,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde in principaal appel, appellant in incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.L. Souman, kantoorhoudend te Epe.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep van 11 november 2016;

- de memorie van grieven (met producties);

- de memorie van antwoord, tevens incidenteel appel (wijziging eis);

- de akte uitlaten wijziging eis, waarbij Broos Water verzet aantekent tegen de eiswijziging door [geïntimeerde] ;

- de akte reactie op verzet wijziging eis van [geïntimeerde] .

1.2

Partijen hebben een rolbeschikking gevraagd op het verzet tegen de eiswijziging. De beschikking is bepaald op heden, te wijzen op het griffiedossier.

2 De beoordeling

2.1

Het gaat in deze zaak in het kort om het volgende.

2.2

Broos Water is een kennis- en adviesbureau op het terrein van waterkwaliteit.

Vanaf 2010 hebben Broos Water en [geïntimeerde] samengewerkt. Deze samenwerking had vooral betrekking op de zogenaamde Rainwinner, een modulair hol kunststof bouwelement bedoeld voor het ter plekke opvangen en hergebruiken van regenwater. Deze bouwelementen kunnen aan elkaar worden gekoppeld om een schutting, border of vlonder te bouwen.

2.3

In het kader van deze samenwerking is [geïntimeerde] op 1 juni 2010 bij Broos Water in dienst getreden als commercieel medewerker/adviseur. De werkzaamheden van [geïntimeerde] hadden betrekking op het ontwikkelen en in de markt zetten van de Rainwinner, het begeleiden en uitvoeren van gerelateerde projecten en het bijhouden van de (financiële) administratie.

2.4

Broos Water is houdster van het gemeenschapswoordmerk RAINWINNER. Voorts houdt Broos Water een gemeenschapsmodelrecht met betrekking tot de Rainwinner, waarbij [geïntimeerde] staat vermeld als ontwerper.

2.5

De samenwerking tussen Broos Water en [geïntimeerde] is medio 2014 beëindigd. Voordien en ook daarna hebben partijen veelvuldig gecommuniceerd over de voorwaarden over de afspraken die gelden na beëindiging van de samenwerking. In dit kader hebben partijen op 1 juli 2014 een schriftelijk vastgelegde beëindigingsovereenkomst (vaststellingsovereenkomst) gesloten.

2.6

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] in conventie gevorderd (samengevat) afgifte door Broos Water van (schriftelijke en digitale) informatie over Rainwinner, alle reeds geproduceerde modules, de matrijs en alle andere direct of indirect aan Rainwinner gerelateerde zaken en rechten, met nevenvorderingen, waaronder een vordering tot vergoeding van schade. De grondslag voor de vordering tot afgifte is nakoming van de beëindigingsovereenkomst van 1 juli 2014. De grondslag voor de vordering tot vergoeding van schade is toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de beëindigingsovereenkomst van 1 juli 2014. Broos Water heeft een reconventionele vordering ingediend die thans verder niet van belang is.

2.7

Uit het vonnis in eerste aanleg (rechtsoverweging 3.3) blijkt dat tijdens de comparitie op 12 mei 2016 is "gebleken dat de bij de Rainwinner behorende rechten van intellectuele eigendom geen onderdeel vormen van de conventionele vorderingen, zodat de daarop betrekking hebbende vordering (...) 'alle [...] aan Rainwinner gerelateerde [...] rechten' en de in dat verband door [geïntimeerde] geponeerde stelling dat hij in art. 2.2 van de Beëindigingsovereenkomst de bevoegdheid heeft gekregen om met Rainwinner verder te gaan en dat zulks impliceert dat hij daarvoor het recht krijgt om het relevante merkrecht en modelrecht te gebruiken, verder onbesproken kunnen blijven."

2.8

In de memorie van antwoord, tevens incidenteel appel (wijziging eis), heeft [geïntimeerde] zijn eis op de in dat processtuk aangegeven wijze gewijzigd.

2.9

Broos Water verzet zich tegen de eiswijziging, stellende (samengevat) dat [geïntimeerde] thans een vordering instelt ten aanzien van het merk- en modelrecht van de Rainwinner, die overeenkomt met het deel van de vordering dat hij in eerste aanleg heeft laten vallen. Het debat over die vordering is in eerste aanleg grotendeels achterwege gebleven, waardoor Broos Water een feitelijke instantie zou missen indien op deze vordering voor het eerst in hoger beroep zou worden beslist. Verder verzet Broos Water zich tegen de door [geïntimeerde] gevorderde schadevergoeding van ten minste € 20.000,- per jaar ten titel van misgelopen licentievergoedingen. In het kader van een schadestaatprocedure (het hof begrijpt: naar aanleiding van de veroordeling in eerste aanleg) vordert [geïntimeerde] een bedrag aan schadevergoeding waarin de vordering van (ten minste) € 20.000,- per jaar wegens gemiste licentievergoeding is inbegrepen. Volgens Broos Water zijn deze eiswijzigingen daarom dit in strijd met de goede procesorde.

2.10

De rolraadsheer overweegt dat op grond van art. 130 lid 1 Rv juncto art. 353 lid 1 Rv aan de appellant in principaal of incidenteel appel de bevoegdheid toekomt zijn eis of de gronden daarvan te wijzigen. De toelaatbaarheid van een eiswijziging moet, zo nodig ambtshalve, mede worden beoordeeld in het licht van de herstelfunctie van het hoger beroep. De grenzen van het toelaatbare worden echter overschreden indien de eiswijziging leidt tot onredelijke vertraging van het geding en/of tot onredelijke bemoeilijking van de verdediging.

2.11

De bevoegdheid om de eis of de gronden daarvan te wijzigen is in hoger beroep in die zin beperkt, dat de eiswijziging niet later dan bij memorie van grieven of antwoord dient plaats te vinden. Dit geldt ook als de vermeerdering van eis slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering door de oorspronkelijke eisende partij is gesteld. Op deze "in beginsel strakke regel" kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard. In alle gevallen geldt dat de eisverandering of -vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde (zie o.a. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959).

2.12

De eiswijziging van [geïntimeerde] voldoet aan de in 2.11 vermelde "in beginsel strakke regel", nu [geïntimeerde] de eiswijziging in zijn memorie van antwoord, tevens incidenteel appel (wijziging eis) heeft opgenomen en toegelicht. Het geding in hoger beroep wordt in zoverre dan ook niet vertraagd door de eiswijziging/vermeerdering.

2.13

Waar Broos Water stelt dat haar door de eisvermeerdering een feitelijke instantie wordt onthouden, oordeelt de rolraadsheer dat aan het wettelijk stelsel inherent is dat op de gewijzigde eis slechts door het hof als feitelijke instantie recht wordt gedaan. Het gemis van een feitelijke instantie is op zichzelf dan ook niet doorslaggevend. Broos Water krijgt immers voldoende gelegenheid om zich bij memorie van antwoord in incidenteel appel adequaat te verweren tegen de gewijzigde vordering van [geïntimeerde]

2.14

De rolraadsheer laat in het midden of [geïntimeerde] in hoger beroep een vordering instelt die hij in eerste aanleg heeft laten vallen. Het antwoord op die vraag is namelijk niet relevant, omdat het - anders dan Broos Water kennelijk meent - niet in strijd met de goede procesorde is indien [geïntimeerde] in hoger beroep een vordering instelt die in eerste aanleg is ingetrokken (HR 17 februari 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6191). Het hoger beroep biedt de appellerende partij immers mede de gelegenheid voor het verbeteren en aanvullen van hetgeen zij zelf bij de procesvoering in eerste aanleg heeft gedaan of nagelaten. Zelfs indien de eiswijziging zou betekenen dat [geïntimeerde] in hoger beroep een standpunt inneemt dat haaks staat op hetgeen hij in eerste aanleg heeft bepleit, is dit toegestaan (HR 8 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8895). Ook geldt dat een verandering of vermeerdering van eis (zelfs nadat van grieven of van antwoord is gediend) toelaatbaar kan zijn, indien de eisverandering of -vermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen (HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771). Tegen deze achtergrond bezien is van een ontoelaatbare uitbreiding van het partijdebat als gevolg van de vordering van [geïntimeerde] in hoger beroep naar het oordeel van de rolraadsheer geen sprake, noch van een substantiële uitbreiding van het feitencomplex. In essentie worden partijen immers nog steeds verdeeld gehouden door dezelfde geschilpunten, terwijl de feiten reeds lang bekend zijn.

2.15

Een andere vraag is, of de op het merkenrecht gebaseerde vordering van [geïntimeerde] toewijsbaar is vanwege afstand van recht, zoals Broos Water stelt. Die vraag dient echter niet te worden beantwoord door de rolraadsheer in het kader van bezwaar tegen de eiswijziging, maar door de combinatie van het hof die deze zaak ten gronde zal beoordelen.

2.16

De omstandigheid dat thans een schadestaatprocedure (in eerste aanleg) aanhangig is, tegelijk met het onderhavige hoger beroep, is op zijn minst ongelukkig te noemen. Met zijn vordering in incidenteel appel waarbij [geïntimeerde] een concreet schadebedrag vordert, bestrijdt hij in essentie de verwijzing naar de schadestaatprocedure door de rechter in eerste aanleg. De eventuele toewijzing van zijn vordering in incidenteel appel, zal er dan ook toe leiden dat de grondslag aan de schadestaatprocedure in eerste aanleg komt te ontvallen, met alle kosten voor [geïntimeerde] van dien. Maar dat is geen argument om hem het recht te ontzeggen in incidenteel appel vast te houden aan zijn reeds in eerste aanleg ingestelde vordering. Van een eiswijziging is in zoverre dan ook geen sprake, laat staan van strijd met de goede procesorde. Wel zou de rolraadsheer zich kunnen voorstellen dat partijen de rechter in eerste aanleg verzoeken de schadestaatprocedure op te schorten totdat de hoofdzaak in laatste instantie is beslist, teneinde nodeloos gemaakte (verdere) kosten te voorkomen.

2.17

In de bezwaren van Broos Water ziet de rolraadsheer dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat zij door de eiswijziging van [geïntimeerde] onredelijk in haar verdediging wordt bemoeilijkt en/of dat het geding er onredelijk door zal worden vertraagd. Ambtshalve ziet de rolraadsheer evenmin grond voor een dergelijk oordeel.

2.18

De conclusie luidt dat de bezwaren van Broos Water tegen de eiswijziging van [geïntimeerde] zullen worden verworpen. Het hof zal in incidenteel appel derhalve recht doen op de eis van [geïntimeerde] zoals geformuleerd aan het slot van de memorie van antwoord, tevens incidenteel appel (wijziging eis). De zaak zal naar de rol worden verwezen om voort te procederen.

De beslissing

De rolraadsheer:

verwerpt de bezwaren van Broos Water tegen de eiswijziging van [geïntimeerde] in hoger beroep;

verwijst de zaak naar de rol van 26 september 2017 voor memorie van antwoord in incidenteel appel.

Deze rolbeschikking is gegeven door mr. J.H. Kuiper, rolraadsheer, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 15 augustus 2017 in bijzijn van de griffer.