Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:701

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
02-02-2017
Zaaknummer
200.168.038/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikelen 39, 49 en 50 Weens Koopverdrag en de artikelen 23 en 25 van de Orgalime-voorwaarden. Koper heeft niet binnen een redelijke termijn schriftelijk melding gemaakt van de beweerde non-conformiteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2017/170
NTHR 2017, afl. 4, p. 202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.168.038/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/148913 / HA ZA 14-168)

arrest van 31 januari 2017

in de zaak van

Hirsch Bremer Reinigung und Recycling GmbH,

gevestigd te [A] , Bondsrepubliek Duitsland,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: Hirsch

advocaat: mr. S.N.S.M. Mak, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

Bollegraaf Recycling Machinery B.V.,

gevestigd te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: Bollegraaf,

advocaat: mr. P.P.J.M. Bruens, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 6 augustus 2014 en 28 januari 2015 die de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 1 april 2015,

- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord, met producties.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

Hirsch vordert in hoger beroep - kort samengevat - het vonnis van de rechtbank van 28 januari 2015 te vernietigen en opnieuw recht doende de vorderingen van Bollegraaf alsnog af te wijzen en haar vorderingen toe te wijzen, met veroordeling van Bollegraaf in de kosten van beide instanties.

3 De vaststaande feiten

3.1.

Tussen partijen staan de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken.

3.2.

Bollegraaf fabriceert en verkoopt machines ten behoeve van de recyclingindustrie. Hirsch is een Duits recyclingbedrijf.

3.3.

Hirsch heeft op 2 december 2011 van Bollegraaf een gebruikte balenpers type HBC‑80, met opvoerband, gekocht. Partijen zijn overeengekomen dat op deze machine een balenpers van het merk Avermann, met een waarde van € 40.000,- wordt ingeruild en dat Hirsch aanvullend een bedrag van € 216.500,-, exclusief btw, aan Bollegraaf betaalt.

3.4.

Partijen zijn overeengekomen dat in afwijking van artikel 45 van de Orgalime-voorwaarden Bollegraaf het recht heeft geschillen tussen partijen voortvloeiende uit deze overeenkomst voor te leggen aan de bevoegde rechter te Groningen.

3.5.

De balenpers met opvoerband is op 16 juli 2012 geleverd.

3.6.

Hirsch heeft van de koopprijs, ook na aanmaning, een bedrag van € 97.425,- exclusief btw, onbetaald gelaten.

3.7.

In de Orgalime-voorwaarden zijn onder de kop "Aansprakelijkheid voor gebreken" de volgende bepalingen opgenomen:

"22. De leverancier is verplicht tot het wegnemen van elk gebrek of niet-conformiteit (hierna genoemd "gebrek(en)") voortvloeiend uit verkeerd ontwerp of materiaal of uit slecht vakmanschap, zulks in overeenstemming met de bepalingen van art. 23 tot en met 37.

23. De aansprakelijkheid van de Leverancier is beperkt tot binnen één jaar na levering optredende gebreken. (…)

25. Optredende gebreken worden zo spoedig mogelijk schriftelijk door de Koper bij de Leverancier gemeld. Deze melding dient in ieder geval uiterlijk twee weken na de in art. 23 genoemde termijn plaats te vinden. (…)"

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

Bollegraaf heeft in eerste aanleg in conventie betaling gevorderd van € 97.425,-, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 1 januari 2013 en de kosten van de procedure.

4.2.

Hirsch heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd:

- primair dat zij terecht aanspraak maakt op een vermindering van de koopprijs met een bedrag van € 97.425,-;

- subsidiair voor recht te verklaren dat de overeenkomst tussen partijen is ontbonden voor het gedeelte van de koopprijs dat Hirsch nog verplicht is te betalen ter hoogte van € 97.425,-;

- meer subsidiair voor recht te verklaren dat de overeenkomst tussen partijen is ontbonden, althans deze te ontbinden, en Bollegraaf te veroordelen aan Hirsch terug te betalen de door Hirsch gedane betalingen ter grootte van € 119.075,-, alsmede Bollegraaf op straffe van een dwangsom ter veroordelen de Avermann balenpers terug te plaatsen in haar bedrijf in Bremen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 160.000,- vanaf 16 juli 2012, onder gehoudenheid van Hirsch om de geleverde balenpers type HBC-80 met opvoerband aan Bollegraaf ter beschikking te stellen en tevens onder gehoudenheid van Hirsch om vanaf 16 juli 2012 een bedrag van € 1.000,- per maand aan Bollegraaf te betalen voor het gebruik van de balenpers type HBC-80, met veroordeling van Bollegraaf in de kosten van de procedure.

4.3.

De rechtbank heeft bij vonnis van 28 januari 2015 de vorderingen van Bollegraaf toegewezen en de vorderingen van Hirsch afgewezen.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

Hirsch is gevestigd in Duitsland. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen. Dat is het geval: het geschil betreft een burgerlijke en handelszaak als bedoeld in artikel 1 van Brussel I. Partijen zijn in hun overeenkomst van 2 december 2011 overeengekomen dat Bollegraaf eventueel uit deze overeenkomst voortvloeiende geschillen mag voorleggen aan de bevoegde rechter in Groningen, derhalve in eerste aanleg de rechtbank Noord-Nederland en in hoger beroep dit hof. Ingevolge artikel 25 van Brussel I heeft daarom de Nederlandse rechter rechtsmacht.

5.2

Partijen zijn het er verder over eens dat op hun overeenkomst het Weens Koopverdrag van toepassing is. Gelet op het bepaalde in artikel 1 lid 1 sub a Weens Koopverdrag zijn de bepalingen van het Weens Koopverdrag daardoor rechtstreeks (als het hier geldende Nederlandse recht) van toepassing. Waar het betreft vragen met betrekking tot de door het Weens Koopverdrag geregelde onderwerpen die in dit verdrag niet uitdrukkelijk zijn geregeld, worden deze opgelost aan de hand van de algemene beginselen waarop dit verdrag berust. In het geval zodanige beginselen ontbreken hebben partijen gekozen voor toepassing van het Nederlandse recht.

5.3

Met grief I komt Hirsch op tegen de vaststelling door de rechtbank van de koopprijs voor de balenpers. Nu het hof hiervoor zelf de feiten heeft vastgesteld met inachtneming van de grief van Hirsch behoeft deze grief geen bespreking meer.

5.4

Grief II is gericht tegen de vaststelling door de rechtbank dat op de overeenkomst tussen partijen de Orgalime-voorwaarden van toepassing zijn. Volgens Hirsch heeft zij van Bollegraaf slechts de artikelen 1 tot en met 36 van deze voorwaarden ontvangen en zijn dan ook alleen deze artikelen op de overeenkomst van toepassing.

5.5

Het hof stelt vast dat Hirsch in eerste aanleg in de conclusie van antwoord in conventie (punt 17) uitdrukkelijk en zonder voorbehoud de toepasselijkheid van de Orgalime-voorwaarden heeft erkend. Dit valt aan te merken als een gerechtelijke erkentenis als bedoeld in artikel 154 Rv waarop Hirsch niet kan terugkomen, tenzij aannemelijk is dat de erkentenis door een dwaling of niet in vrijheid is afgelegd. Feiten of omstandigheden die daarop duiden heeft Hirsch echter niet gesteld. Derhalve zijn op de overeenkomst de Orgalime-voorwaarden in volle omvang van toepassing.

5.6

Grief II faalt.

5.7

Onder grief III heeft Hirsch aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij haar beroep op artikel 50 Weens Koopverdrag onvoldoende heeft onderbouwd. Grief IV keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat Bollegraaf niet in verzuim is, zodat Hirsch niet bevoegd is de koopovereenkomst geheel dan wel gedeeltelijk te ontbinden.

5.8

Het hof zal de grieven III en IV, die het geschil voor het overige in volle omvang aan het hof voorleggen, gezamenlijk bespreken.

5.9

Naar aanleiding van de vordering van Bollegraaf tot betaling van het restant van de koopsom heeft Hirsch als verweer gevoerd dat zij niet gehouden is het restant te betalen, omdat in tegenstelling tot hetgeen was overeengekomen de balenpers niet door Bollegraaf is gereviseerd. Hirsch heeft er in dat verband op gewezen dat zij tot de aankoopbeslissing is gekomen nadat zij in het bedrijf van Bollegraaf een soortgelijke machine had bekeken die een revisie had ondergaan. Die machine was, zoals haar door Bollegraaf werd medegedeeld, volledig uit elkaar gehaald en waar nodig voorzien van nieuwe onderdelen, uiterlijk in goede staat en geverfd. De thans aan haar geleverde balenpers vertoont volgens Hirsch diverse nader aangegeven gebreken. Hirsch heeft direct telefonisch contact opgenomen met Bollegraaf en melding gemaakt van het feit dat de balenpers niet is gereviseerd. Ook nadat de pers was geïnstalleerd en in gebruik was genomen is Hirsch, zo heeft zij gesteld, met Bollegraaf in contact gebleven over het bereiken van een oplossing voor haar klachten. Bovendien was er naar de mening van Hirsch geen ingebrekestelling nodig omdat uit de houding van Bollegraaf bleek dat zij haar verplichtingen niet zou nakomen, gezien de voorstellen van 10 september 2013 en 29 november 2013. Naar het oordeel van Hirsch heeft zij primair op grond van artikel 50 van het Weens Koopverdrag recht op vermindering van de koopprijs, subsidiair heeft zij de overeenkomst gedeeltelijk ontbonden en meer subsidiair beroept zij zich op algehele ontbinding van de koopovereenkomst.

5.10

Bollegraaf heeft zich op het standpunt gesteld dat reviseren inhoudt het weer werkend maken van een machine door het vervangen van defecte onderdelen en ervoor zorgen dat de machine weer goed en probleemloos functioneert. Dat is wat zij heeft gedaan, aldus Bollegraaf. Zij heeft daarbij benadrukt dat de balenpers met toevoerband, nadat enkele aanloopproblemen door haar monteurs waren verholpen, vanaf het moment van ingebruikname door Hirsch continue in bedrijf is geweest. Daarnaast heeft Bollegraaf aangevoerd dat Hirsch nooit contact met haar heeft opgenomen met de mededeling dat er gebreken waren opgetreden die door Bollegraaf verholpen zouden moeten worden. Eerst bij conclusie van antwoord heeft Hirsch aan Bollegraaf te kennen gegeven dat de machine niet zou beantwoorden aan hetgeen Hirsch op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten. Evenmin is er volgens Bollegraaf sprake van dat Hirsch uit haar houding heeft kunnen afleiden dat aanmaning nutteloos zou zijn geweest. Zij heeft enkel een aantal oplossingen aan Hirsch voorgesteld om tot een commerciële oplossing te komen. Onder verwijzing naar de artikelen 23 en 25 van de Orgalime-voorwaarden en artikel 39 Weens Koopverdrag heeft Bollegraaf geconcludeerd dat Hirsch wegens overschrijding van de redelijke termijn voor het melden van tekortkomingen geen enkele aanspraak tegenover haar geldend kan maken.

5.11

Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 50 Weens Koopverdrag kan de koper, indien de zaken niet beantwoorden aan de overeenkomst en ongeacht of de prijs reeds is betaald, de prijs verlagen in dezelfde verhouding als waarin de waarde die de feitelijk afgeleverde zaken hadden op het tijdstip van aflevering staat tot de waarde die wel aan de overeenkomst beantwoordende zaken op dat tijdstip zouden hebben gehad.

5.12

De beantwoording van de vraag of de door Bollegraaf geleverde balenpers met opvoerband beantwoordt aan de tussen partijen gesloten overeenkomst kan om de volgende reden in het midden blijven.

5.13

Op grond van artikel 39 van het Weens Koopverdrag verliest de koper het recht om zich erop te beroepen dat de zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden, indien hij niet binnen een redelijke termijn nadat hij dit heeft ontdekt of had behoren te ontdekken de verkoper hiervan in kennis stelt, onder opgave van de aard van de tekortkoming.

In artikel 25 van de Orgalime-voorwaarden is ten opzichte van artikel 39 Weens Koopverdrag, dat geen dwingende werking heeft, aanvullend bepaald dat optredende gebreken, waaronder op grond van artikel 22 van die voorwaarden non-conformiteit is begrepen, zo spoedig mogelijk schriftelijk bij de leverancier moeten worden gemeld, doch uiterlijk twee weken na de afloop van de garantietermijn van een jaar, genoemd in artikel 23 van de Orgalime-voorwaarden.

5.14

Het staat vast dat Hirsch geen schriftelijke melding heeft gedaan van de beweerde non-conformiteit (punt 21 conclusie van antwoord in conventie).

5.15

Daarom kan Hirsch tegenover Bollegraaf geen aanspraak maken op vermindering van de prijs op grond van artikel 50 Weens koopverdrag

5.16

Verder kan op grond van artikel 49 lid 1 Weens Koopverdrag de koper de overeenkomst ontbonden verklaren indien de tekortkoming in de nakoming door de verkoper van de krachtens de overeenkomst of dit Verdrag op hem rustende verplichtingen een wezenlijke tekortkoming vormt. In gevallen waarin de verkoper de zaken heeft afgeleverd verliest de koper op grond van lid 2 van deze bepaling echter het recht de overeenkomst ontbonden te verklaren, tenzij hij dit doet wegens enige andere tekortkoming dan te late aflevering, binnen een redelijke termijn nadat hij de tekortkoming heeft ontdekt of had behoren te ontdekken.

Ook met betrekking tot artikel 49 Weens Koopverdrag geldt dat in artikel 25 van de Orgalime-voorwaarden aanvullend is bepaald dat optredende gebreken zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen de daarin genoemde termijn van twee weken schriftelijk bij de leverancier moeten worden gemeld.

5.17

Vanwege het ontbreken van een schriftelijke melding van Hirsch kan zij evenmin de overeenkomst geheel of gedeeltelijk ontbinden.

5.18

Voor zover de conclusie van antwoord in conventie als schriftelijke melding zou hebben te gelden, is het hof van oordeel dat deze melding zowel ter zake van het beroep op artikel 50 Weens Koopverdrag als het beroep op artikel 49 Weens Koopverdrag niet binnen de in artikel 25 van de Orgalime-voorwaarden genoemde vervaltermijn is gedaan.

5.19

Het hof voegt daar aan toe dat nu in het Weens Koopverdrag een regeling voor ontbinding en verzuim is gegeven en partijen verder geen daarvan afwijkende afspraken hebben gemaakt, voor toepassing van de op die onderwerpen betrekking hebbende regels naar Nederlands recht geen plaats is.

5.20

De grieven III en IV treffen dan ook geen doel.

5.21

Aan grief V, gericht tegen de toewijzing van de vordering van Bollegraaf en de veroordeling van Hirsch in de kosten van de procedure komt geen zelfstandige betekenis toe en behoeft om die reden verder niet te worden besproken.

6 De slotsom

6.1.

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis van 28 januari 2015, zij het op enigszins andere gronden, moet worden bekrachtigd.

6.2.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Hirsch in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze kosten worden aan de zijde van Bollegraaf begroot op € 1.937,- aan verschotten (griffierecht) en € 1.631,- (1 punt, tarief IV) aan geliquideerd salaris van de advocaat.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 28 januari 2015;

veroordeelt Hirsch in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Bollegraaf vastgesteld op € 1.937,- voor verschotten en op € 1.631,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. B.J.H. Hofstee, mr. R.E. Weening en mr. J.N. Bartels en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op dinsdag 31 januari 2017.