Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7009

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
200.176.153/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eiswijziging in hoger beroep toegestaan. De nieuwe vordering is geen ontoelaatbare uitbreiding van het partijdebat. Dat enkel door het hof als feitelijke instantie recht wordt gedaan op de gewijzigde eis, is inherent aan het wettelijk stelsel. Het gemis van een feitelijke instantie is op zichzelf dan ook niet voldoende voor het oordeel dat de eiswijziging in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Geen sprake van vertraging of bemoeilijking van de verdediging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/254
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.176.153/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/07/189308 / HZ ZA 11-924)

rolbeschikking van 15 augustus 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. W.J.M. van Ophuizen, kantoorhoudend te Lienden,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,

wonende te [B] ,

hierna: [geïntimeerde1],

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [C] ,

hierna: [geïntimeerde2],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. M.J. Seijbel, kantoorhoudend te Zwolle.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep van 10 februari 2015 (met één productie);

- de memorie van grieven, tevens houdende akte wijziging eis (met producties);

- de akte uitlaten wijziging van eis, waarbij [geïntimeerden] c.s. verzet aantekenen tegen de eiswijziging door [appellant] ;

- de antwoordakte uitlaten wijziging van eis van [appellant] .

1.2

Partijen hebben de stukken gefourneerd voor het geven van een rolbeschikking op het verzet tegen de eiswijziging. In het procesdossier van [geïntimeerden] c.s. ontbreken de stukken van de eerste aanleg, behoudens de inleidende dagvaarding. Voor de ontbrekende gedingstukken heeft de rolraadsheer zich verlaten op het door [appellant] overgelegde procesdossier.

2 De beoordeling

2.1

Het gaat in deze zaak in het kort om het volgende.

2.2

[appellant] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zijn broers, geboren uit het huwelijk van [D] (hierna: vader) en [E] (hierna: moeder). Vader en moeder waren in gemeenschap van goederen gehuwd. Uit dit huwelijk is verder nog geboren [F] (hierna: [F] ), die sedert lange tijd onder curatele staat, waarbij [geïntimeerde1] als curator fungeert.

2.3

Tijdens zijn arbeidzame leven heeft vader met ingang van 1 mei 1982 een agrarische maatschap gevormd met [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] . Vader is met ingang van 1 mei 1993 uit de maatschap getreden. Op 26 januari 1998 hebben vader en moeder ieder afzonderlijk een testament opgemaakt, waarin [appellant] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] tezamen en voor gelijke delen tot hun erfgenamen zijn benoemd. Zowel vader als moeder hebben in hun testament bepaald dat [F] (die verstandelijk gehandicapt is) wordt onterfd en daarbij aan [appellant] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] de last opgelegd om ten behoeve van de verzorging van [F] een fonds te vormen.

2.4

Vader is overleden [in] 2006 en moeder is overleden [in] 2010. Hun nalatenschappen zijn niet verdeeld.

2.5

Het geschil tussen partijen gaat over de verdeling van de nalatenschap van moeder. [appellant] stelt zich hierbij onder meer op het standpunt dat (een gedeelte van) de geldvordering van vader op [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] in de nalatenschap van moeder valt en dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] inzicht moeten verschaffen in de terugbetaling.

2.6

Bij inleidende dagvaarding heeft [appellant] gevorderd, samengevat:

I Hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] (op straffe van verbeurte van een dwangsom) om op de voet van art. 843a Rv te verstrekken:

a. een gewaarmerkt afschrift van een nader aangeduide geldleningsovereenkomst van vader en moeder aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ;

b. bankafschriften (in kopie) van alle door [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] op vorenbedoelde lening gedane betalingen.

II Een veroordeling van [geïntimeerde1] om rekening en verantwoording af te leggen van het door hem gevoerde beheer over de nalatenschap van moeder

III [geïntimeerden] c.s. te veroordelen om over te gaan tot de verdeling van de nalatenschap van moeder, althans (subsidiair) die verdeling bij vonnis vast te stellen, met inachtneming van de door [geïntimeerden] c.s. te verstrekken gegevens zoals gevorderd onder I en II,

IV althans enige andere beslissing te geven die de rechtbank geraden voorkomt met het oog op de verdeling van de nalatenschap van moeder.

2.7

Ter gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg, gehouden op 2 februari 2012, heeft [appellant] zijn eis verminderd door intrekking van de vorderingen onder I en II.

2.8

In het vonnis van 12 november 2014 heeft de rechtbank (voor zover thans relevant) [geïntimeerden] c.s. veroordeeld tot verdeling van de nalatenschap van moeder en daarbij bepaald dat [appellant] daaruit € 22.330,- ontvangt.

2.9

De conclusie van de memorie van grieven, tevens houdende akte wijziging eis, luidt (samengevat) als volgt:

1. [geïntimeerden] c.s. te veroordelen (op straffe van verbeurte van een dwangsom) tot het verlenen van inzage in de administratie van moeder, waaronder de boekhouding van vader met betrekking tot de overdracht van diens aandeel in de maatschap in 1993 en de daaruit voortvloeiende geldlening aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] .

2 [geïntimeerden] c.s. te veroordelen tot verdeling van de nalatenschap van moeder en vader en partijen te gelasten daartoe definitief over te gaan, met dien verstande dat eiser daaruit ontvangt een bedrag van € 200,00 ten titel van vergoeding van een (verkochte) kast behorende tot de inboedel van de nalatenschap van vader en moeder, en:

Primair: € 98.733,00, zijnde € 83.445,33 ten titel van erfdeel en € 15.288,00 eveneens ten titel van erfdeel;

Subsidiair: € 95.494,00, zijnde € 22.330,00 ten titel van erfdeel, € 57.876,00 ten titel van aanvullende legitimaire vordering en € 15.288,00 eveneens ten titel van erfdeel betreffende de nalatenschap van vader [D] ;

Meer subsidiair: € 91.691,00, ten titel van erfdeel;

Althans meer subsidiair: € 83.298,00, zijnde € 30.576,00 ten titel van erfdeel en

€ 52.722,00 ten titel van aanvullende legitimaire vordering.

2.10

[geïntimeerden] c.s. verzetten zich tegen de eiswijziging van [appellant] in hoger beroep. Zij stellen (samengevat) dat [appellant] met zijn in 2.9 vermelde vordering onder 1 in essentie hetzelfde vordert als met zijn in 2.6 onder I en II vermelde vorderingen. Door echter in eerste aanleg zijn in 2.6 onder I en II vermelde vorderingen in te trekken, heeft [appellant] afstand gedaan van het aanvankelijk door hem gestelde recht op inzage in de nalatenschap van moeder en het recht op verstrekking door [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] aan hem te verstrekken inlichtingen hieromtrent, dan wel heeft [appellant] zijn recht verwerkt om de in 2.6 onder I en II vermelde vorderingen opnieuw in te stellen. En nu er geen verbinding bestaat tussen de in 2.9 vermelde vorderingen onder 1 en 2 (anders dan in eerste aanleg tussen de in 2.6 onder I en II vermelde vorderingen), stellen [geïntimeerden] c.s. dat [appellant] geen belang heeft bij toewijzing van de in 2.9 onder 1 vermelde vordering. Ten aanzien van de 2.9 onder 2 vermelde vordering stellen [geïntimeerden] c.s. dat het in strijd met de goede procesorde is dat [appellant] thans concrete bedragen vordert. Aangezien hieraan uitvoerige berekeningen ten grondslag liggen, worden [geïntimeerden] c.s. in hun verdediging belemmerd. Er is namelijk sprake van een uitvoerig en ingewikkeld feitencomplex, waarbij [geïntimeerden] c.s. ondersteuning van een accountant nodig hebben om zich adequaat te kunnen verweren. De accountant die [geïntimeerden] c.s. in eerste aanleg heeft bijgestaan - en die tevens de accountant van vader en moeder was - is inmiddels overleden. Bovendien is de advocaat die [geïntimeerden] c.s. bijstond, niet meer werkzaam als advocaat.

2.11

De rolraadsheer overweegt dat op grond van art. 130 lid 1 Rv juncto art. 353 lid 1 Rv aan de appellant in principaal of incidenteel appel de bevoegdheid toekomt zijn eis of de gronden daarvan te wijzigen. De toelaatbaarheid van een eiswijziging moet, zo nodig ambtshalve, mede worden beoordeeld in het licht van de herstelfunctie van het hoger beroep. De grenzen van het toelaatbare worden echter overschreden indien de eiswijziging leidt tot onredelijke vertraging van het geding en/of tot onredelijke bemoeilijking van de verdediging.

2.12

De bevoegdheid om de eis of de gronden daarvan te wijzigen is in hoger beroep in die zin beperkt, dat de eiswijziging niet later dan bij memorie van grieven of antwoord dient plaats te vinden. Dit geldt ook als de vermeerdering van eis slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering door de oorspronkelijke eisende partij is gesteld. Op deze "in beginsel strakke regel" kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard. In alle gevallen geldt dat de eisverandering of -vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde (zie o.a. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959).

2.13

De eiswijziging van [appellant] voldoet aan de in 2.12 vermelde "in beginsel strakke regel", nu [appellant] de eiswijziging in zijn memorie van grieven, tevens houdende akte wijziging eis, heeft opgenomen en toegelicht. Het geding in hoger beroep wordt in zoverre dan ook niet vertraagd door de eiswijziging/vermeerdering.

2.14

De rolraadsheer laat in het midden of de in 2.9 vermelde vordering onder 1 in essentie hetzelfde is als de 2.6 onder I en II vermelde vorderingen. Het antwoord op die vraag is namelijk niet relevant, omdat het - anders dan [geïntimeerden] c.s. kennelijk menen - niet in strijd met de goede procesorde is indien [appellant] in hoger beroep een vordering instelt die in eerste aanleg is ingetrokken (HR 17 februari 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6191). Het hoger beroep biedt de appellerende partij immers mede de gelegenheid voor het verbeteren en aanvullen van hetgeen zij zelf bij de procesvoering in eerste aanleg heeft gedaan of nagelaten. Zelfs indien de eiswijziging zou betekenen dat [appellant] in hoger beroep een standpunt inneemt dat haaks staat op hetgeen hij in eerste aanleg heeft bepleit, is dit toegestaan (HR 8 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8895). Ook geldt dat een verandering of vermeerdering van eis (zelfs nadat van grieven of van antwoord is gediend) toelaatbaar kan zijn, indien de eisverandering of -vermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen (HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771). Tegen deze achtergrond bezien is van een ontoelaatbare uitbreiding van het partijdebat als gevolg van de vordering van [appellant] in hoger beroep naar het oordeel van de rolraadsheer geen sprake, noch van een substantiële uitbreiding van het feitencomplex. In essentie worden partijen immers nog steeds verdeeld gehouden door dezelfde geschilpunten, terwijl de feiten reeds lang bekend zijn. Hieruit volgt dat de rolraadsheer ook het bezwaar verwerpt dat [appellant] geen belang zou hebben bij toewijzing van de in 2.9 vermelde vordering onder 1.

2.15

Een andere vraag is, of de in 2.9 onder 1 vermelde vordering niet toewijsbaar is vanwege afstand van recht, dan wel wegens rechtsverwerking, zoals [geïntimeerden] c.s. stellen. Die vraag dient echter te worden beantwoord door de combinatie van het hof die deze zaak ten gronde zal beoordelen, niet door de rolraadsheer in het kader van bezwaar tegen de eiswijziging.

2.16

De rolraadsheer vermag verder niet in te zien dat [geïntimeerden] c.s. onredelijk in hun verdediging zouden worden gehinderd door de omstandigheid dat [appellant] met zijn in 2.9 onder 2 vermelde vordering thans concrete bedragen vordert. [geïntimeerden] c.s. kunnen in hun memorie van antwoord op alle stellingen van [appellant] reageren. Dat hun accountant is overleden en dat de advocaat van [geïntimeerden] c.s. niet meer als zodanig werkzaam is, zijn geen omstandigheden die ten nadele van [appellant] kunnen leiden tot de conclusie dat diens eiswijziging strijdig is met de goede procesorde.

2.17

In de bezwaren van [geïntimeerden] c.s. ziet de rolraadsheer dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat zij door de eiswijziging van [appellant] onredelijk in hun verdediging worden bemoeilijkt en/of dat het geding er onredelijk door zal worden vertraagd. Ambtshalve ziet de rolraadsheer evenmin grond voor een dergelijk oordeel.

2.18

De conclusie luidt dat de bezwaren van [geïntimeerden] c.s. tegen de eiswijziging van [appellant] zullen worden verworpen. Het hof zal in appel derhalve recht doen op de gewijzigde eis van [appellant] . De zaak zal naar de rol worden verwezen om voort te procederen. De rolraadsheer merkt hierbij op dat [geïntimeerden] c.s. wel terecht aangevoerd hebben dat de zaak er door de eiswijziging bepaald niet eenvoudiger op is geworden, terwijl [appellant] meer dan twee jaar de tijd heeft genomen voor het formuleren van zijn grieven en zijn nieuwe standpunten. De rolraadsheer acht dan ook termen aanwezig om [geïntimeerden] c.s. met toepassing van art. 1.4 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr) een ruimere termijn te geven voor de memorie van antwoord.

De beslissing

De rolraadsheer:

verwerpt de bezwaren van [geïntimeerden] c.s. tegen de eiswijziging van [appellant] in hoger beroep;

verwijst de zaak naar de rol van 5 december 2017 voor memorie van antwoord.

Deze rolbeschikking is gegeven door mr. J.H. Kuiper, rolraadsheer, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 15 augustus 2017 in bijzijn van de griffer.