Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7002

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-08-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
WAHV 200.189.250
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu de advocaat-generaal, na de aanhouding in verband met de behandeling van het wrakingsverzoek, geen gebruik wil maken van de gelegenheid om ter zitting te reageren op de argumenten van de betrokkene, wordt de zaak niet opnieuw ter zitting van het hof behandeld. Er is geen aanleiding nader onderzoek in te stellen naar de echtheid van de handtekening van de kantonrechter en de griffier. Voorts kan het hof in het kader van deze procedure slechts beoordelen of de gedraging die de betrokkene wordt verweten is verricht, en of de daarvoor met toepassing van de WAHV opgelegde sanctie in stand kan blijven. Een oordeel over concrete handelingen van andere organisaties in andere procedures kan niet worden gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.189.250

14 augustus 2017

CJIB 187903875

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland

van 3 november 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting. Tevens heeft de betrokkene

verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

De zaak is behandeld ter zitting van 24 februari 2017. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. J.J. Lammers.

Na afloop van de schriftelijke fase en na afloop van de behandeling ter zitting zijn verschillende brieven van de betrokkene ontvangen bij het hof.

Beoordeling

1. Ter zitting van 24 februari 2017 heeft de betrokkene een toelichting gegeven op het hoger beroep. Wegens het door de betrokkene ingediende wrakingsverzoek is de behandeling van de zaak aangehouden. In verband daarmee heeft de gemachtigde van de

advocaat-generaal geen gelegenheid gekregen om ter zitting te reageren op hetgeen de betrokkene ter toelichting van zijn hoger beroep heeft aangevoerd en daaromtrent een standpunt in te nemen. Na de afdoening van het wrakingsverzoek, heeft het hof de betrokkene en de advocaat-generaal opgeroepen voor een nieuwe zitting, teneinde de advocaat-generaal alsnog die gelegenheid te bieden alvorens op het hoger beroep zal worden beslist. In reactie op die oproeping is het hof bericht dat van de zijde van de

advocaat-generaal niemand ter zitting van het hof zal verschijnen en dat derhalve geen gebruik zal worden gemaakt van de gelegenheid ter zitting te reageren op hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd. Gelet daarop heeft het hof besloten dat een nieuwe zitting in deze zaak achterwege zal blijven en dat de zaak verder op de stukken van het dossier zal worden afgedaan. De betrokkene is van die beslissing op de hoogte gebracht.

2. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 126,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 13 km/h (verkeersbord A1 + wegwerkzaamheden)”, welke gedraging zou zijn verricht op 21 februari 2015 om 13.35 uur op de autosnelweg A50 rechts te Winssen met het voertuig met het kenteken [kenteken].

3. Met betrekking tot deze sanctie heeft de betrokkene - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Hij betwist niet dat hij op de A50 heeft gereden. Evenmin betwist hij aldaar de geldende maximumsnelheid van 90 km/h te hebben overschreden. Ook betwist hij niet dat ter hoogte van hectometerpaalnummer 149,3 borden A1 stonden, waarop die maximumsnelheid was aangegeven. De betrokkene meent echter dat de inleidende beschikking moet worden vernietigd, omdat het tijdstip van die gedraging niet juist is vermeld. De betrokkene bewaart de logging van zijn GPS-systeem en heeft uit de daaruit voortgekomen gegevens kunnen afleiden dat bovenvermeld pleegtijdstip minstens 2 minuten afwijkt van het werkelijke, exacte tijdstip waarop de betrokkene de vermeende pleeglocatie passeerde. Als die tijd slechts indicatief bedoeld is, zoals door de advocaat-generaal is aangevoerd, dan had dit volgens de betrokkene moeten worden vermeld in de beschikking, bijvoorbeeld door middel van een zogenaamd estimated-symbool. Volgens de betrokkene is daarnaast de pleeglocatie evenmin voldoende nauwkeurig aangegeven. Naar het hof begrijpt, meent de betrokkene dat de inleidende beschikking niet voldoet aan de vereiste nauwkeurigheid en om die reden moet worden vernietigd.

4. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB het volgende in, voor zover hier van belang:

“Borden bij HMP 149,3.

(…)

De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting getest, geijkt en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel.

Gemeten (afgelezen) snelheid: 107 km per uur.

Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 103 km per uur.

Toegestane snelheid: 90 km per uur.

Overschrijding met: 13 km per uur.

(…)

Ter hoogte van hectometerpaal (…): 150,9”

5. De foto van de gedraging bevindt zich ook in het dossier. Daarop is een voertuig met het bovenvermelde kenteken te zien, dat ter plaatse rijdt. De gegevens onderin de databalk stroken met de hiervoor genoemde gedragingsgegevens.

6. Gelet op de stukken van het dossier, en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging op zichzelf niet betwist, staat vast dat deze is verricht. Het hof dient vervolgens te beoordelen of er andere omstandigheden zijn gebleken die maken dat de inleidende beschikking vernietigd moet worden.

7. De stelling van de betrokkene, dat het pleegtijdstip onjuist in de inleidende beschikking is vermeld, geeft daartoe geen aanleiding. Nog daargelaten dat de betrokkene deze stelling op geen enkele wijze met nadere bewijsstukken heeft onderbouwd - zodat er voor het hof geen aanleiding bestaat om het door de verbalisant genoteerde tijdstip als onjuist te beschouwen -, is er door de advocaat-generaal terecht op gewezen dat een onjuistheid in de inleidende beschikking, zo die al zou komen vast te staan, niet zonder meer tot vernietiging van de beschikking hoeft te leiden. Ingeval die onjuistheid niet zodanig is, dat bij de betrokkene redelijkerwijs misverstand kan zijn ontstaan omtrent de vraag op welke gedraging de hem opgelegde sanctie betrekking heeft en waartegen hij zich moet verdedigen, bestaat daartoe geen aanleiding (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 20 april 1993, VR 1993/109, LJN ZC9252). Het hof stelt vast dat de betrokkene, getuige zijn beroepschriften en hetgeen hij ter zitting van het hof heeft aangevoerd, van meet af aan wist welke gedraging deze sanctie betrof en waartegen hij zich moest verdedigen. Het hof ziet hierin derhalve geen reden voor vernietiging van de inleidende beschikking.

8. Datzelfde geldt voor zover de betrokkene heeft aangevoerd dat de pleeglocatie onvoldoende nauwkeurig in de inleidende beschikking is vermeld. In dat verband wijst het hof er nog op, dat de verbalisant de exacte locatie van de snelheidsmeting heeft genoteerd: hectometerpaal 150,9. Die informatie bevond zich van meet af aan in het dossier. De betrokkene had reeds in de fase van het administratief beroep afschriften van de relevante dossierstukken kunnen opvragen bij de officier van justitie. Ook had de betrokkene voor de zitting van de kantonrechter inzage in het dossier kunnen nemen. In de brief waarmee de betrokkene is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter, is hij daarop gewezen.

9. Gelet op het voorgaande geeft hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding voor vernietiging van de inleidende beschikking.

10. Voorts heeft de betrokkene in hoger beroep aangevoerd dat de beslissing van de kantonrechter niet daadwerkelijk is ondertekend door de kantonrechter of door de griffier. De in dat document opgenomen handtekeningen zijn, aldus de betrokkene, ooit gezet en gescand en zijn later in deze beslissing geplakt. De betrokkene leidt dat af uit de zichtbaarheid van zogenaamde jpeg-artefacts in de beslissing van de kantonrechter. Volgens de betrokkene levert dit een strafbare valsheid in geschrift op.

11. Hetgeen de betrokkene in dit verband heeft aangevoerd, acht het hof bij gebrek aan onderbouwing onvoldoende aannemelijk geworden. In het bijzonder is onvoldoende aannemelijk geworden dat de enkele omstandigheid dat jpeg-artefacts zichtbaar zijn in het door de betrokkene ontvangen exemplaar van de beslissing van de kantonrechter, de daaraan door de betrokkene verbonden conclusie rechtvaardigt, namelijk dat deze jpeg-artefacts uitsluitend kunnen worden veroorzaakt door het gebruik van eerder gescande en ingeplakte handtekeningen en dat dientengevolge ervan moet worden uitgegaan dat de kantonrechter zijn beslissing niet zelf heeft ondertekend. Dit verweer van de betrokkene mist elke onderbouwing op dat punt. Zo is aannemelijk dat aan de betrokkene niet de originele uitspraak van de kantonrechter is toegezonden, maar een gekopieerd/gescand exemplaar en dat daarbij bedoelde jpeg-artefacts zijn ontstaan. Hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geeft het hof onvoldoende aanleiding voor enig nader onderzoek hieromtrent.

12. Het hof overweegt tenslotte het volgende. De betrokkene heeft in hoger beroep en eerder in deze procedure uitvoerig betoogd dat, en waarom, de rechtstaat in Nederland in het algemeen, en de Nederlandse rechtspraak in het bijzonder, in zijn optiek onvoldoende functioneert; de betrokkene heeft verschillende zaken genoemd die, naar zijn mening, dat standpunt rechtvaardigen. Ook heeft hij het hof verzocht om een oordeel uit te spreken over enkele concrete handelingen van andere instanties in andere procedures. Het hof kan evenwel in deze procedure slechts beoordelen of de gedraging die de betrokkene in deze zaak wordt verweten is verricht, en of de daarvoor met toepassing van de WAHV opgelegde sanctie in stand kan blijven. Aan al hetgeen de betrokkene buiten dat bestek heeft aangevoerd, zal het hof voorbij gaan.

13. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

14. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Anjewierden, in tegenwoordigheid van mr. Verdoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.