Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6987

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-08-2017
Datum publicatie
01-09-2017
Zaaknummer
200.216.684
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een tijdens de schuldsaneringsregeling uitgesproken strafrechtelijke veroordeling van de bestuurder van een vennootschap wegens door de vennootschap voor de toelating gepleegde strafbare feiten, waarbij onder meer vorderingen van benadeelde partijen zijn toegewezen en een vonnis waarbij een ontnemingsmaatregel werd opgelegd, leveren grond op voor tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Daarbij is niet van belang of de bestuurder deze feiten eerder had moeten melden.

Volgens de omschrijving van artikel 350 lid 3 onder f Fw kan een beroep op de hardheidsclausule in dit stadium niet worden getoetst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer 200.216.684

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: R 14/658)

arrest van 14 augustus 2017

inzake

[appellant] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

appellant,

advocaat: mr. H.J.M. van Denderen.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 23 september 2014 is ten aanzien van appellant (hierna te noemen: [appellant] ) het op 7 augustus 2013 op eigen aangifte uitgesproken faillissement opgeheven en is gelijktijdig de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken.

1.2

Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 23 mei 2017 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] op voordracht van de rechter-commissaris tussentijds beëindigd en is bepaald dat [appellant] van rechtswege in staat van faillissement zal komen te verkeren zodra dit vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan.

1.3

Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 31 mei 2017 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 23 mei 2017 en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en te bepalen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van hem zal worden voortgezet.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlage, van de brief met bijlage van 6 juni 2017 van de advocaat van [appellant] , alsmede van de brief met bijlagen van 14 juli 2017 van de bewindvoerder [bewindvoerder] .

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2017, waarbij [appellant] , vergezeld door zijn echtgenote, is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn advocaat. De bewindvoerder is eveneens verschenen.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [appellant] bij vonnis van 15 maart 2017 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, wegens diefstal is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en tot een taakstraf van 180 uur met toewijzing van vorderingen van benadeelde partijen tot ruim € 26.000,-. Bij afzonderlijk vonnis van diezelfde datum is tevens een ontnemingsvordering opgelegd tot een bedrag van € 78.788,28. [appellant] heeft tegen deze vonnissen hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep loopt nog.

3.2

De rechtbank heeft de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] tussentijds beëindigd omdat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieplicht heeft geschonden en omdat hij gedurende de schuldsaneringsregeling nieuwe bovenmatige schulden heeft laten ontstaan uit hoofde van de toegewezen vorderingen van benadeelde partijen en uit hoofde van de ontnemingsvordering, die op 15 maart 2017 gedurende de schuldsaneringsregeling van [appellant] zijn ontstaan..

3.2

[appellant] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en voert daartoe - kort samengevat en voor zover voor de beoordeling van het hoger beroep van belang - het volgende aan:

  • -

    Hij is in november 2014, dus kort na zijn toelating tot de schuldsaneringsregeling, als verdachte verhoord in het kader van een strafzaak.

  • -

    Het is juist dat hij hiervan destijds geen melding aan de bewindvoerder heeft gemaakt, maar er was toen nog slechts sprake van een gerezen verdenking waarvan nog maar zeer de vraag was of deze verdenking van enige invloed zou zijn op de schuldsaneringsregeling. In de beleving van [appellant] had hij zich ook niet aan een strafbaar feit schuldig gemaakt, zodat er voor hem geen aanleiding bestond om te veronderstellen dat zijn verhoor en de tegen hem gerezen verdenking tot (financiële) gevolgen voor de schuldsaneringsregeling zouden kunnen leiden. Het niet melden van het verhoor is bovendien niet voldoende om daaraan de conclusie te verbinden dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieplicht heeft geschonden.

  • -

    [appellant] is van mening dat het niet melden van het verhoor nog niet betekent dat de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt. Volgens de Hoge Raad moet hierbij ook gekeken worden naar de houding van de schuldenaar ten opzichte van de overige uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. [appellant] is deze verplichtingen steeds naar behoren nagekomen.

  • -

    [appellant] stelt zich op het standpunt dat er tijdens de schuldsaneringsregeling geen nieuwe bovenmatige schulden zijn ontstaan. [appellant] verwijst hiertoe naar een arrest van dit hof van 2 maart 2010, waarin uitdrukkelijk is overwogen dat de schuld uit hoofde van een ontnemingsmaatregel (pas) ontstaat wanneer de uitspraak waarbij de ontnemingsmaatregel is vastgesteld, onherroepelijk is geworden. Er bestaat derhalve thans nog geen schuld, laat staan een schuld die tijdens de schuldsaneringsregeling is ontstaan.

  • -

    De nog niet in kracht van gewijsde gegane uitspraken van 15 maart 2017 (het strafvonnis en ontnemingsvonnis) hebben vrije bewijskracht in een civiele zaak. De rechtbank verwart de vaststelling dat [appellant] zich aan een strafbaar feit schuldig gemaakt zou hebben met de vraag naar het ontstaansmoment van de schuldverplichting. Het is niet het strafvonnis dat de schulden heeft laten ontstaan maar het vonnis waarbij de ontnemingsmaatregel werd opgelegd. Het is dus niet relevant of het strafvonnis al dan niet in hoger beroep zal standhouden. Dat er geen gronden zijn aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat het strafvonnis geen stand zou houden in hoger beroep, is dan ook irrelevant.

  • -

    Ook het oordeel van de rechtbank dat de toegewezen schadevorderingen in het strafvonnis tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling zijn ontstaan, is onjuist. Deze vergoedingen vinden hun grondslag in een civiele verplichting tot vergoeding van schade die voortvloeit uit onrechtmatig handelen (in dit geval verricht in de periode 1 januari 2006 tot en met 31 augustus 2011) die de strafbare gedraging jegens de benadeelde oplevert. Het bepaalde in artikel 288 lid 2 onder c Faillissementswet (Fw) doet hieraan niet af, nu dit artikel op zichzelf niet bepaalt wanneer een schuld ontstaat of wat de rechtsgrond van die schuld is. Dat [appellant] voor het strafvonnis niet bekend was aan wie hij een betalingsverplichting had en hoog die vorderingen waren, is daarbij irrelevant. Een laedens die schade aan een voor hem onbekende gelaedeerde doet ontstaan is immers vanaf dat moment reeds gehouden de schade te vergoeden.

  • -

    De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat zowel de schuld uit de ontnemingsmaatregel als de schuld uit de in het strafvonnis toegewezen schadevergoedingen tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling zijn ontstaan, zodat tevens ten onrechte is geoordeeld dat [appellant] tijdens de regeling nieuwe bovenmatige schulden heeft laten ontstaan, zodat de schuldsaneringsregeling ten onrechte tussentijds is beëindigd.

3.3

De bewindvoerder heeft in haar brief van 14 juli 2017 het standpunt ingenomen dat [appellant] strafrechtelijk is veroordeeld voor feiten die nog binnen de termijn van vijf jaar voorafgaand aan de indiening van het toelatingsverzoek zijn gepleegd, zodat de schuldsaneringsregeling terecht tussentijds is beëindigd.

3.4

Het hof oordeelt als volgt. Vaststaat dat [appellant] van 1999 tot 31 augustus 2011 (mede)bestuurder is geweest van [Bedrijf X] en dat deze onderneming in de periode 1 januari 2008 tot 31 augustus 2011 strafbare feiten heeft gepleegd die ertoe hebben geleid dat [appellant] in die hoedanigheid bij vonnissen van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, is veroordeeld zoals onder 3.1. is vermeld. [appellant] heeft tegen deze vonnissen hoger beroep heeft ingesteld, waarbij volgens [appellant] vooral gronden worden aangevoerd tegen de ontnemingsvordering. Tegen de toegewezen vorderingen aan de benadeelde partijen worden volgens [appellant] geen gronden aangevoerd omdat daar weinig tegenin kan worden gebracht. [appellant] erkent daarmee, althans ontkent niet dat [Bedrijf X] de ten laste gelegde strafbare feiten heeft begaan, maar is van mening dat niet hij maar de inmiddels overleden medebestuurder [medebestuurder] verantwoordelijk moet worden gehouden voor de door de onderneming gepleegde strafbare feiten.

Wat ook zij van het door [appellant] ingenomen standpunt ten aanzien van zijn rol in de onderneming en bij de door de onderneming gepleegde strafbare feiten, deze feiten en omstandigheden zouden naar het oordeel van het hof, als de toelatingsrechter hiermee ten tijde van de indiening van het toelatingsverzoek bekend was geweest, reden zijn geweest om het toelatingsverzoek overeenkomstig artikel 288 eerste en tweede lid Fw af te wijzen. Op grond van het bepaalde in artikel 350 lid 3 onder f Fw leveren deze feiten en omstandigheden thans grond op voor tussentijdse beëindiging van de regeling. Daarbij is niet van belang of [appellant] deze feiten eerder had moeten melden. Hoewel volgens de omschrijving van artikel 350 lid 3 onder f Fw een beroep op de hardheidsclausule in dit stadium niet kan worden getoetst, acht het hof het (derhalve ten overvloede) niet aannemelijk dat, zoals [appellant] heeft betoogd, de toelatingsrechter hem bij het bekend zijn van deze feiten en omstandigheden op grond van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw zou hebben toegelaten, omdat hij de onderneming reeds in augustus 2011 had verlaten, niets wist van een op handen zijnde strafzaak tegen de onderneming en haar bestuurders, sinds een verhoor van [medebestuurder] op 6 november 2012 niets meer van politie of justitie had vernomen en zich in de drie jaar daarna veel veranderingen in zijn situatie hadden voorgedaan. Gelet op de aard van de strafrechtelijke schulden acht het hof het aannemelijk dat dit voor de toelatingsrechter aanleiding zou zijn geweest geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule.

3.5

De in hoger beroep aangevoerde gronden treffen dan ook geen doel. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] zou moeten voortduren, is onvoldoende gebleken. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 23 mei 2017.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.M. Croes, H. Wammes en Ch.E. Bethlem en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2017.