Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:697

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
02-02-2017
Zaaknummer
200.149.833/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na bewijslevering is niet komen vast te staan dat camper met scooterdrager non-conform is om de enkele reden dat de scooter van koper daarmee niet onder alle omstandigheden vervoerd kan worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/562
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.149.833/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/101994/HA ZA 13-305)

arrest van 31 januari 2017

in de zaak van

1 [appellante] ,

2. [appellant] ,

beiden wonende te [A] ,

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk in enkelvoud te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. E.R. Jonker, kantoorhoudend te Leusden,

tegen

Bosma Campers B.V.,

gevestigd te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Bosma,

advocaat: mr. E.D. Kruidhof-Dijk, kantoorhoudend te Emmen.

De inhoud van het tussenarrest van 29 maart 2016 wordt hier overgenomen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Door [appellanten] is een "akte ten behoeve van het getuigenverhoor" toegezonden en door Bosma een "antwoordakte ten behoeve van het getuigenverhoor" met de bedoeling die aktes te nemen op de dag die ten behoeve van de getuigenverhoren was bepaald. De voorzitter heeft die aktes geweigerd nu de inhoud daarvan het bestek van de bewijsopdracht te buiten ging. Het hof neemt dat oordeel over.

1.2

Vervolgens heeft aan de zijde van [appellanten] een enquête plaatsgevonden en daarna aan de zijde van Bosma een contra-enquête. Aansluitend hebben partijen ieder een conclusie na getuigenverhoor genomen.

1.3

Vervolgens is opnieuw arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling in hoger beroep

2.1

Bij tussenarrest van 29 maart 2016 is [appellanten] in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat Bosma heeft meegedeeld dat de scooterdrager een gewicht van maximaal 160 kg kon dragen.

2.2

[appellanten] heeft de heer en mevrouw [appellanten] (appellanten sub 1 en 2) als getuigen doen horen. Bosma heeft de broers [C] en [D] (bestuurders van Bosma) als getuigen doen horen.

2.3

Zowel de heer als mevrouw [appellanten] heeft verklaard dat

[D] in antwoord op een vraag van de heer [appellanten] heeft verklaard dat de scooterdrager 160 kg kan dragen. [appellanten] is evenwel de partij die met de bewijsopdracht is belast. Ingevolge het bepaalde in artikel 164 lid 2 Rv komt daarom aan de verklaringen van de heer en mevrouw [appellanten] beperkte bewijskracht toe, in die zin dat die verklaringen over de door hen te bewijzen feiten geen bewijs in hun voordeel oplevert, tenzij aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreft dat zij de partijgetuigenverklaringen voldoende geloofwaardig maken. Zodanig aanvullend bewijs ontbreekt hier. De broers [C + D] hebben niet bevestigd dat bedoelde mededeling door een van hen is gedaan.

[C] is naar zijn zeggen niet bij het verkoopgesprek aanwezig geweest. [D] kon zich niet herinneren dat over de scooterdrager is gesproken.

2.4

[appellanten] is dan ook niet in het bewijs geslaagd. [appellanten] heeft nog aangevoerd dat zowel op de drager zelf als in de handleiding een maximum gewicht van 150 kg staat vermeld en dat de consument-koper er dan van mag uitgaan dat hij een voertuig tot maximaal 150 kg op de drager kan plaatsen. Het hof volgt hem niet in dat betoog. Het enkele feit dat de drager zelf in staat is een gewicht van 150 kg te dragen, wil nog niet zeggen dat de koper mag verwachten dat de camper waarop deze is gemonteerd in staat is de drager uitgerust met een scooter van maximaal dit gewicht onder alle omstandigheden te dragen en dat de verkoper moet begrijpen dat de koper dit verwacht. [appellanten] gaat voorbij aan de eigen verantwoordelijkheid die hij heeft om als eigenaar van een camper om vooraf te onderzoeken tot hoever die kan worden beladen en hoe dat dient te geschieden. Het hof merkt nog op dat als niet weersproken vaststaat dat de scooterdrager niet van fabriekswege op de onderhavige tweedehands camper is gemonteerd. Het zou anders zijn geweest indien [appellanten] voorafgaand aan de aankoop zou hebben laten blijken dat hij een scooter met de camper wilde kunnen vervoeren of Bosma dat uit een vraag van hem had moeten afleiden. Dan had het op de weg van Bosma als professionele verkoper gelegen om uit eigen beweging nadere informatie te geven. Maar dat het zo is gegaan, is na bewijslevering niet komen vast te staan.

2.5

[appellanten] heeft in zijn conclusie na getuigenverhoren voorts het volgende aangevoerd. Uit het rapport Dekra volgt dat ook zonder scooter de scooterdrager zorgt voor een overbelasting op de assen. Het hof heeft namelijk vastgesteld dat sprake was van een overgewicht van 160 kg inclusief de scooter van 135 kg. Dit impliceert dat zonder scooter sprake is van een overgewicht van 25 kg, aldus [appellanten] .

2.6

Dienaangaande overweegt het hof als volgt. Bij arrest van 8 september 2015 heeft het hof [appellanten] toegelaten tot bewijs van zijn centrale stelling dat de camper een te hoge belasting heeft van de achteras als gevolg van een foutieve, ongeoorloofde constructie/ophanging van het voertuig met scooterdrager. In zijn arrest van 29 maart 2016 heeft het hof overwogen dat [appellanten] niet in dat bewijs is geslaagd (rov. 2.5). In de rapporten van Dekra is namelijk het gewicht van de scooter à 135 kg meegerekend. Het onderhavige betoog strekt er klaarblijkelijk toe het hof ervan te overtuigen dat het dient terug te komen op deze bindende eindbeslissing. Het hof ziet daar geen aanleiding toe en blijft bij zijn eerdere oordeel. Het hof voegt daaraan het volgende toe. In de rapportages van Dekra wordt onderkend dat de scooter een hefboomwerking heeft doordat deze voorbij de achteras is gepositioneerd. Dat betekent dat zonder de scooter de belasting van de achteras met meer dan 135 kg zal afnemen (en die van de vooras zal toenemen). Gelet daarop is de berekening door [appellanten] niet correct.

2.7

Ten slotte is door [appellanten] betoogd dat als het extra gewicht van 600 kg van vier personen, gasflessen, boordaccu's, voedsel, kleding, fietsen en fietsendrager wordt meegeteld dat Dekra buiten beschouwing heeft gelaten, dit leidt tot een verdere overschrijding van de toelaatbare belasting van de achteras van 62% van 600 kg = 372 kg . [appellanten] licht dat als volgt toe: van 2620 kg drukt 1000/2620-ste deel op de vooras (38%) en 1620/2620-ste deel op de achteras (62%).

2.8

In deze berekening wordt uitgegaan van een totaal gewicht van 2620 kg. Blijkens de rapportages van Dekra is in dat gewicht het gewicht van de scooter (135 kg) begrepen. Hiervoor is echter beslist dat [appellanten] niet zonder meer mocht verwachten dat hij een scooter van dit gewicht met de camper zou kunnen vervoeren. Daarmee komen de toegepaste breuken van 1000/2620 en 1620/2620 op losse schroeven te staan, wat er verder zij van de berekening.

Zonder scooter bedraagt het totale gewicht volgens de berekening van Dekra 2485 kg, te weten het rijklaargewicht, vermeerderd met luifel, scooterdrager en volle watertank en verminderd met het gewicht van de bestuurder. Voor zover met de stelling bedoeld mocht zijn dat [appellanten] mocht verwachten dat hij bovenop dat gewicht nog een gewicht van 600 kg (inclusief vier personen) met de camper zou kunnen vervoeren (hetgeen zou leiden tot een totaal gewicht van 3085 kg, wat meer is dan de beide maximale aslasten bij elkaar opgeteld: 2920 kg), dan is dat een nieuwe grief die, in strijd met de tweeconclusieregel, in een (veel) te laat stadium van het geding is voorgedragen (en bovendien niet is onderbouwd), zodat het hof daaraan voorbijgaat.

2.8

De conclusie moet zijn dat het beroep op non-conformiteit niet opgaat en dat grieven 1 tot en met 4 falen. Ook het beroep op dwaling faalt. Niet is gebleken van een inlichting of verzwijging door Bosma die [appellanten] in dwaling heeft gebracht, terwijl ook van wederzijdse dwaling niet is gebleken. Het beroep op onrechtmatige daad en bedrog is niet onderbouwd. Grief 5 treft dan ook evenmin doel. Met grief 6 wordt geklaagd dat

[appellanten] niet is toegelaten tot bewijslevering. Die grief kan niet leiden tot vernietiging. Het hof heeft [appellanten] tweemaal toegelaten tot bewijs van zijn stellingen, evenwel zonder dat die stellingen zijn bewezen. Voor het overige is onvoldoende gesteld om tot bewijs te kunnen worden toegelaten (zie in deze context ook het arrest van

8 september 2015, rov. 2.7). Grief 7 heeft naast de voorgaande grieven geen zelfstandige betekenis en faalt daarom eveneens.

3 De slotsom

3.1

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd met veroordeling van

[appellanten] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Bosma begroot op € 1.920,- aan verschotten (griffierecht) en € 2.682,- (3 punten in tarief II) aan te liquideren salaris van de advocaat.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van
26 februari 2014 waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van Bosma tot aan deze uitspraak op € 1.920,- aan verschotten en € 2.682,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. M.M.A. Wind en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op dinsdag 31 januari 2017.