Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6941

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-08-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
WAHV 200.192.176
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De WAHV stelt niet de eis dat aan de oplegging van administratieve sancties een fysiek en ondertekend proces-verbaal ten grondslag ligt, zodat aan het ontbreken daarvan niet de betekenis kan toekomen dat de sanctie niet in stand kan blijven. Slechts brengt dit mee dat daaraan niet de bijzondere bewijskracht van een ambtsedige verklaring toekomt. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant dat de snelheidsovertreding is begaan. Niet blijkt uit het zaakoverzicht of de foto van de gedraging dat de snelheidsovertreding is verricht bij wegwerkzaamheden (bord J16). In het Overzicht Zaakgegevens Mulder, dat aan de gemachtigde is toegezonden, wordt wel melding gemaakt van de aanwezigheid van bord J16. Maar daarvan kan - anders dan van het zaakoverzicht en zonder nadere toelichting die hier ontbreekt - niet worden vastgesteld dat de daarin opgenomen gegevens zijn ontleend aan hetgeen de verbalisant heeft

gerelateerd. Het hof wijzigt de feitcode, de omschrijving en het bedrag van de sanctie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 200.192.176

11 augustus 2017

CJIB 187514148

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland

van 10 mei 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [plaats] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] ,

kantoorhoudende te [plaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat het beroepschrift geen gronden bevatte en dat de gemachtigde niet heeft gereageerd op de hem geboden gelegenheid het verzuim te herstellen.

2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de beslissing van de kantonrechter geen stand kan houden, omdat de gronden zijn ingediend bij faxbericht van 4 april 2016. Ter onderbouwing daarvan heeft de gemachtigde stukken overgelegd.

3. Het hof stelt vast dat de gemachtigde van de betrokkene in het beroepschrift bij de kantonrechter van 6 juni 2015 onder andere schrijft dat het beroep zich op dat moment beperkt tot het ontkennen van de verweten gedraging. Dit is een beroepsgrond zodat de kantonrechter ten onrechte tot niet-ontvankelijkverklaring is overgegaan. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen.

4. Vervolgens dient het hof, gelet op het bepaalde in artikel 20d, eerste lid, van de WAHV, te doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

5. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat de beslissing van de officier van justitie om meerdere redenen dient te worden vernietigd. Onder andere heeft de officier van justitie, blijkens de motivering van diens beslissing, het dossier geraadpleegd en de daarin vervatte informatie over de verweten gedraging. Onder verwijzing naar jurisprudentie van het hof (een arrest van 4 januari 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:12) betoogt de gemachtigde dat reeds hierom de officier van justitie niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat sprake was van een kennelijk ongegrond beroep. Er is sprake van schending van de hoorplicht.

6. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het beroepschrift bij de officier van justitie van 7 maart 2015 heeft verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.

Tevens is opgegeven dat het beroep zich op dit moment beperkt tot het ontkennen van de verweten gedraging. In het schrijven van 13 mei 2015 - waarbij de gronden van het administratieve beroep zijn aangevuld - is aangevoerd dat er sprake is van een foutieve waarneming van het kenteken van het voertuig van de betrokkene, nu de betrokkene op de betreffende datum op die locatie met de cruise control op een maximum van 90 km/uur heeft gereden. Betrokkene verzoekt dan ook nadrukkelijk hem een aanvullend proces-verbaal en de flitsfoto te doen toekomen. Het moet ervoor worden gehouden dat de verweten gedraging niet door de betrokkene is verricht.

7. Ingevolge artikel 7 van de WAHV juncto artikel 7:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de officier van justitie de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Hij kan daar alleen van afzien, indien -voor zover hier van belang- het beroep kennelijk ongegrond is.

8. Bij beslissing van 29 mei 2015 heeft de officier van justitie, zonder dat de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, het administratief beroep kennelijk ongegrond verklaard. Daartoe heeft de officier van justitie overwogen, voor zover hier van belang:

"Hetgeen u aanvoert geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de ambtsedige verklaring van de verbalisant. aan de wettelijke vereisten is voldaan, onder meer dat de apparatuur is geijkt. Daarmee staat voor de officier van justitie vast dat met het voertuig te snel is gereden. Evenmin is gebleken van andere (persoonlijke) omstandigheden op grond waarvan de sanctie zou moeten worden gematigd of vernietigd.

Gelet op het voorgaande acht de officier van justitie het beroep kennelijk ongegrond. Om die reden wordt voorbij gegaan aan een eventueel verzoek te worden gehoord.

Voor het verkrijgen van nadere informatie (bijv. foto) wordt verwezen naar de achterzijde van de reeds door u ontvangen beschikking."

9. Het hof is van oordeel dat de gemachtigde in dit geval in de gelegenheid had moet worden gesteld om te worden gehoord door de officier van justitie, aangezien het beroep niet kennelijk - dat wil zeggen: aanstonds blijkens, zonder dat daarvoor nader onderzoek noodzakelijk is - ongegrond is. Het hof acht van belang dat de inhoud van het administratief beroep de officier van justitie heeft genoopt de uit het dossier blijkende informatie betreffende de constatering van voormelde gedraging te raadplegen. Nu het raadplegen van die gegevens noodzakelijk was voor de beoordeling van het administratief beroep, kan niet worden gesproken van een kennelijk ongegrond beroep.

10. Gelet op het voorgaande heeft de officier van justitie er ten onrechte van afgezien de gemachtigde in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Het hof zal daarom het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en de bezwaren tegen de onderliggende sanctiebeschikking beoordelen. Dit brengt mee dat de overige bezwaren van de gemachtigde tegen de beslissing van de officier van justitie geen bespreking behoeven.

11. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 293,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 26 km/h (verkeersbord A1 + wegwerkzaamheden)”, welke gedraging zou zijn verricht op 5 februari 2015 om 19:47 uur op de A50 links te Winssen met het voertuig met het kenteken [kenteken] . Deze gedraging is aangeduid met feitcode VO026.

12. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat de inleidende beschikking moet worden vernietigd omdat daaraan niet een ondertekende aankondiging van beschikking of proces-verbaal ten grondslag ligt. Hij heeft daartoe het bij de politie opgevraagde Overzicht Zaakgegevens Mulder overgelegd, dat evenmin is ondertekend en verwijst naar een arrest van het hof van 6 januari 2012, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHLEE: 2012:BX7329.

Verder voert de gemachtigde aan dat de opslag op de sanctie in verband met werkzaamheden ten onrechte is opgelegd, omdat het daarvoor vereiste bord J16 van bijlage 1 van het RVV 1990 op 5 februari 2015 om 19:47 uur (nog) niet was geplaatst. Hij verwijst daarbij naar een arrest van het hof van 18 mei 2005, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHLEE: 2005:AT9416.

13. De gegevens waarop de verbalisant zijn beslissing tot het opleggen van een sanctie op grond van de WAHV baseert, zijn opgenomen in het zogeheten zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht maakt deel uit van het dossier en is een op de zaak betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 7:18, vierde lid, van de Awb dat desgevraagd door de officier van justitie moet worden verstrekt aan een betrokkene of diens gemachtigde. Het hof acht het, gelijk overwogen in het arrest uit 2012 waarnaar de gemachtigde van de betrokkene verwijst, van belang dat op de juistheid van de in het zaakoverzicht vermelde gegevens kan worden vertrouwd. Een krachtens de WAHV opgelegde administratieve sanctie is een 'criminal charge' als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De bewijslast daarvoor rust op de verbalisant en in het verlengde daarvan het openbaar ministerie. In het kader van een eerlijk proces dienen de officier van justitie en de betrokkene of diens gemachtigde bij raadpleging van het zaakoverzicht over dezelfde gegevens te kunnen beschikken.

14. Zoals het hof in zijn arrest van 4 april 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:2855 heeft overwogen, stelt de WAHV niet de eis dat aan de oplegging van administratieve sancties een fysiek en ondertekend proces-verbaal ten grondslag ligt en kan aan het enkele ontbreken van een fysiek (ondertekend) proces-verbaal niet de betekenis toekomen dat de sanctie niet in stand kan blijven. Slechts brengt dit mee dat daaraan niet de bijzondere bewijskracht van een ambtsedige verklaring toekomt.

15. In het zaakoverzicht van het CJIB is, naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, onder meer de volgende tekst opgenomen:

“Door mij is waargenomen hetgeen langs elektronische weg is geconstateerd en vastgelegd. (…)

De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte snelheidsmeetmiddel.

Gemeten (afgelezen) snelheid: 120 km per uur.

Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 116 km per uur.

Toegestane snelheid: 90 km per uur.

Overschrijding met: 26 km per uur.

De werkelijke snelheid is het resultaat van een, overeenkomstig de geldende Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers van het college van Procureurs-generaal, uitgevoerde correctie op de met het meetmiddel gemeten (afgelezen) snelheid.

De bestuurder werd ter plaatse niet staande gehouden. Er werd volstaan met bekeuren op kenteken. (…)

Overtreden artikel: 62 jo. bord A1 RVV 1990, 22 sub a, f en g RVV 1990 (cat: het hof leest: categorie)2 (…)

Soort weg: autosnelweg, (…)

Ter hoogte van hectometerpaal/pandnummer 150,8."

En verder is daarin opgenomen: "borden bij hmp (het hof leest: hectometerpaal) 152,7."

16. Voorts bevindt zich in het dossier een foto van de gedraging. Hierop is een voertuig met het kenteken [kenteken] te zien. De gegevens die in de databalk onderaan de foto vermeld staan, komen overeen met de in het zaakoverzicht van het CJIB vermelde gegevens. Uit de gegevens bij de foto blijkt dat de snelheid van 116 kilometer per uur is geconstateerd.

17. Het hof ziet in hetgeen namens de betrokkene is aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant dat met de auto van de betrokkene met een snelheid van 116 km/uur is gereden, waar door middel van bord A1 was aangegeven dat

90 km/uur was toegestaan.

18. Het verweer van de gemachtigde treft in zoverre doel dat uit de stukken onvoldoende blijkt dat de snelheidsoverschrijding is verricht "bij wegwerkzaamheden". Daartoe is immers vereist dat er een bord J16 "werk in uitvoering" van kracht is voor het wegvak waar de snelheidsoverschrijding is verricht. De verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht houdt daaromtrent niets in en is onvoldoende specifiek om op grond daarvan van de aanwezigheid van het bord J16 uit te kunnen gaan. Ook de foto van de gedraging vermeldt enkel dat er een bord A1 aanwezig was. De omstandigheid dat in het Overzicht Zaakgegevens Mulder, dat aan de gemachtigde is toegezonden, wel melding wordt gemaakt van de aanwezigheid van bord J16 leidt niet tot een ander oordeel. Dit overzicht is iets anders dan het zaakoverzicht. Waar voor het zaakoverzicht kan worden vastgesteld dat de daarin opgenomen gegevens zijn ontleend aan hetgeen de verbalisant heeft gerelateerd, is dat voor het Overzicht Zaakgegevens Mulder, zonder nadere toelichting die hier ontbreekt, niet het geval.

19. Het voorgaande brengt mee dat het hof het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond zal verklaren en de feitcode, de omschrijving van de gedraging, alsmede het bedrag van de sanctie zal wijzigen.

20. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Naar het oordeel van het hof komen de gevraagde kosten voor vergoeding in aanmerking voor zover dit de gemaakte kosten in de procedure bij de kantonrechter en het hoger beroep betreft. Dat geldt niet voor de kosten, gemaakt in de procedure in administratief beroep nu de gemachtigde de bezwaren ten aanzien van de feitcode van de gedraging niet in die procedure naar voren heeft gebracht, terwijl hij dit na toezending van het zaakoverzicht op 10 april 2015 wel had kunnen doen. Het hof acht het dan ook niet redelijk om die proceskosten te vergoeden. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandeling verricht: het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift dient telkens één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 496,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 496,- (= 2 x € 496,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;

wijzigt de inleidende beschikking in zoverre, dat de omschrijving van de gedraging en de feitcode worden vastgesteld op “overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen buiten de bebouwde kom, met 26 km/h (verkeersbord A1), feitcode VM026” en het bedrag van de sanctie op “€ 228,-”;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 WAHV teveel tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van € 65,-, door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 496,-, door overmaking van dit bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [gemachtigde] te [plaats] .

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.