Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6892

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
10-08-2017
Zaaknummer
200.209.613/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Burengeschil. Onrechtmatige uitlatingen tegen potentiele kopers van het aangrenzende erf. Hoofdelijke aansprakelijkheid van de echtgenoot die zich niet van het grensoverschrijdende gedrag van zijn echtgenote heeft gedetacheerd. Uitlatingen op internet van deze partijen oordeelt het hof niet onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.209.613/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/427343 / KLZA 16-401)

arrest in kort geding van 8 augustus 2017

in de zaak van

1 [appellant] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellant],

2. [appellante] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellante],

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. G.C. Kruijswijk, kantoorhoudend te Bergen NH, die ook heeft gepleit,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.B.M. Swart, kantoorhoudend te Almere, die ook heeft gepleit.

Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 18 januari 2017 dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft gewezen.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 10 februari 2017,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord/tevens van incidenteel hoger beroep (met producties),

- de akte houdende verzet tegen vermeerdering van eis in incidenteel appel, tevens houdende vermeerdering/aanvulling van eis in principaal appel,

- de rolbeschikking van 2 mei 2017,

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities, waaraan zijn gehecht de stukken die bij bericht van 30 juni 2017 namens [appellanten] c.s. zijn ingebracht.

1.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op basis van de beschikbare stukken.

1.3

[appellanten] c.s. vorderen in het principaal appel kort gezegd afwijzing alsnog van de vordering van [geïntimeerde] .

1.4

[geïntimeerde] vordert in het incidenteel appel na eisvermeerdering kort gezegd (ad i) toewijzing alsnog van de in eerste aanleg afgewezen vordering als omschreven in rechtsoverweging 3.1. onder b, (ad ii) met bepaling van de dwangsom die is gekoppeld aan de toegewezen vordering in rechtsoverweging 3.1. onder a van het vonnis op € 100.000,- per overtreding, met een maximum van € 1.000.000,-. Bovendien vordert hij (ad iii) [appellanten] c.s. te gelasten de website www. [a-straat] .nl. en alle andere internetpagina's die betrekking hebben op (het perceel van) [geïntimeerde] en/of het perceel van [geïntimeerde] waarover zij de beschikking hebben van het internet te verwijderen en verwijderd te houden, dan wel alle verwijzingen daarnaar te verwijderen en (ad iv) [appellanten] c.s. te gelasten op Facebook een rectificatie te plaatsen, alsmede (ad v) [appellanten] c.s. te gelasten een bord op hun gevel te verwijderen - e.e.a. op straffe van verbeurte van een dwangsom.

2 De vaststaande feiten

2.1

Met inachtneming van hetgeen in grief I van [appellanten] c.s. is aangevoerd, gaat het hof in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.15 van het bestreden vonnis. Daarmee, en met wat verder in hoger beroep is gebleken, staat het volgende vast.

Geschil over bouwplannen van [geïntimeerde]

2.2

[geïntimeerde] is eigenaar van een perceel bouwgrond staande en gelegen te [A] (gemeente Wijdemeren) aan de [a-straat] 34 A. [appellanten] c.s. is eigenaar van het perceel aan de [a-straat] 32 B te [A] . Deze percelen grenzen aan elkaar.

2.3

Op het perceel van [appellanten] c.s. staat een woonhuis waarin zij wonen. Op het perceel van [geïntimeerde] ligt de fundering voor een woonhuis.

2.4

Sinds 2008 staat het perceel met woonhuis van [appellanten] c.s. te koop.

2.5

[geïntimeerde] heeft een vergunning voor de bouw van een woonhuis op zijn perceel aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren (hierna: het college). Deze bouwvergunning is in twee fasen aan [geïntimeerde] afgegeven, te weten op 22 januari 2008 (fase 1) en 25 juni 2008 (fase 2) (hierna ook te noemen: de primaire besluiten).

2.6

[appellant] heeft vervolgens verschillende bezwaar- en beroepsprocedures gevoerd met als doel het vernietigen van de bouwvergunning.

2.7

Op 8 mei 2013 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld (ECLI:NL:RVS:2013:BZ9747) dat de bouwvergunning van [geïntimeerde] in stand moet blijven.

2.8

Door [appellant] is aan het college verzocht om intrekking van deze bouwvergunning. Dit verzoek is bij besluit van 20 september 2016 afgewezen. [appellant] heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Op 15 november 2016 heeft het college bij besluit op dit bezwaar besloten om de termijn waarbinnen het uitvoeren van de vergunde werkzaamheden op het perceel van [geïntimeerde] moet zijn voltooid vast te stellen op drie jaar na de dag van de verzending van het besluit.

2.9

[appellant] , de gemeente en [geïntimeerde] zijn verwikkeld in een planschadeprocedure.

Woordenwisselingen tussen [appellante] en gegadigden voor de koop van het perceel van [geïntimeerde]

2.10

[geïntimeerde] heeft vanwege persoonlijke omstandigheden besloten de bouw van de woning niet te realiseren en zijn perceel aan de [a-straat] 34 A (met bouwvergunning) te verkopen. Hij heeft daartoe makelaar [C] ingeschakeld.

2.11

Op 22 of 24 april 2016 heeft makelaar [C] het perceel van [geïntimeerde] bezocht, samen met de heer [D] , een potentiële koper. Bij brief van 11 juni 2016 heeft [C] aan [geïntimeerde] het volgende over die bezichtiging geschreven:

'U heeft mij verzocht de gebeurtenissen ten tijde van de bezichtiging van de bouwlocatie aan de [a-straat] 34A op 24 april jl. met de heer [D] globaal te schetsen.

Tijdens de rondgang aldaar zag ik voortdurend een dame in de woning schuin achter het bouwperceel voor de ramen verschijnen. Op zeker moment komt zij naar buiten en begint naar de heer [D] en mij allerlei verwensingen te schreeuwen. Ik kan het niet woordelijk terughalen, maar het was in de trant van: "Denk je hier te kunnen gaan wonen? Nou, vergeet het maar, je hebt geen leven hier. Er komt daar nooit een huis. Echt niet. En zo Ja: Ik zal zorgen datje knettergek wordt". E.e.a. werd gelardeerd met krachttermen en vloekwoorden. Ik heb van u begrepen dat bij een tweede bezoek van de heer en mevrouw [D] , waarbij u aanwezig was, een soortgelijke tirade heeft plaatsgevonden.

Op basis hiervan heeft familie [D] zich teruggetrokken als kopende partij.'

2.12

In een brief van 20 februari 2017 heeft de makelaar verder het volgende verklaard over de 'verwensingen, krachttermen en vloekwoorden' ten tijde van deze eerste bezichtiging.

"Het betrof meerdere malen het woord, of een afgeleide er van, dat een ongeneeslijke ziekte aanduid. Voorts werd de heer [D] , de beoogde koper, aangesproken met "en jij kale". Tegen mij zei ze dat ik echt niet moest denken het huis te kunnen verkopen. Voor zover zij nog mijn aandacht had ben ik verder buiten schot gebleven. Het was van een gehalte dat zijn weerga niet kent en grensde aan het ongelooflijke."

2.13

Het tweede verzoek waaraan de makelaar refereert, vond plaats op 6 juni 2016. Op die dag hebben de heer en mevrouw [D] het perceel van [geïntimeerde] in diens aanwezigheid bezocht. Tussen [geïntimeerde] en de heer en mevrouw [D] enerzijds en [appellanten] c.s. anderzijds heeft bij dat bezoek een woordenwisseling plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan heeft [geïntimeerde] op 9 juni 2016 tegen [appellante] aangifte van belediging gedaan. Blijkens het proces-verbaal van aangifte heeft [geïntimeerde] onder meer als volgt verklaard.

"Om 20:16 uur kreeg ik een sms bericht op mijn telefoon van de heer [D] uit [E] Hermelijnstraat dat hij aanwezig was op de bouwplaats. [D] zou een potentiele koper kunnen zijn voor mijn kavel. Wij waren al in een vergevorderd stadium met de koop qua onderhandelingen. Ik heb toen de heer [D] begroet. Ik zag dat zijn vrouw was meegekomen. (..)

Toen aan de grens met [appellant] (de achterburen) gingen meten zag ik [appellante] aan haar kant van de sloot staan. Ik zag dat ze onze kant op keek en ik hoorde haar schreeuwen: "Hey weet jij wel dat [geïntimeerde] al twee keer failliet is geweest en dat zijn vrouw kanker heeft gekregen van de grond en dat zij dood is". De afstand tussen ons was toen ongeveer 3 meter. Ik zag dat de man van [appellante] op een tuinmuurtje zat.

(...)

Ik zag dat [appellante] onze kant op keek. Ik hoorde dat zij riep; "Ik zou maar even Googlen op de naam [appellant] . [appellant] , dan kun je nalezen dat we [geïntimeerde] al tien jaar dwars zitten".

(...)
Ik hoorde dat mevrouw [D] naar [appellante] riep: "We wilden graag overleggen met u wat u er van vinden zou als wij hier een kleiner huis zouden neerzetten". Ik zag dat [appellante] onze kant op keek en ik hoorde haar schreeuwen: "Ik heb jou niks gevraagd domme blonde slet. Jullie moeten gewoon optieffen hier er wordt hier helemaal niks gebouwd! Geen kleiner huis geen schuurtje helemaal niks daar zorg ik wel voor". Ik hoorde dat de heer [D] reageerde met de volgende woorden: "U mag zich wel wat vriendelijker gedragen' Ik zag dat [appellante] onze kant op keek en ik hoorde haar schreeuwen: "Je moet je bek houden, ga eerst maar eens op internet zoeken met wie je te maken hebt. Ik ben je ergste nachtmerrie en ik maak je leven hier tot een hel. [geïntimeerde] is een vuile oplichter en een fraudeur.

(...)

Ik zag dat [appellante] onze kant op keek. Ik hoorde haar schreeuwen: "Jij kale bent nog dommer dan [geïntimeerde] als je deze grond koopt. Stomme kale klootzak, jij hebt helemaal geen hersencellen in je kop. Och ja misschien 1 anders zou je waar je staat de heleboel onder schijten dombol".

(...)

Ik zag dat [appellante] de heer [D] weer aankeek en schreeuwde: "Ik hoop dat je een goede baan hebt want als je hier wilt gaan bouwen dan moetje heel wat geld apart leggen voor de rechtszaken.
(...)

We hebben het tot nu toch nog legaal gedaan maar tegen jou zullen we ook illegaal de strijd aan gaan.

(...)

[geïntimeerde] zijn wijf is al kapot en er zal nog een dooie vallen en daarna nog 1. Ik heb het er voor over om een paar jaar in de gevangenis te zitten. Ik ben de grootste aso die je maar kent daar wil jij niet naast wonen"

(...)

Toen [appellante] klaar was met schreeuwen vroeg de heer [D] aan [appellant] : 'Mijnheer, wat vind u hier nou van?". Ik hoorde dat [appellant] antwoordde: "Ik ben het helemaal met haar eens'."

2.14

[appellante] heeft hierover onder meer schriftelijk verklaard:

"(…) Mevrouw [D] groette mij. Ik vroeg of ze het tegen mij had en dat bevestigde zij. Ik vroeg haar mij met rust te laten, waarop [geïntimeerde] antwoordde dat ik wat vriendelijker moest zijn omdat [D] een kleiner huis wil bouwen. Dat irriteerde me. Dus ik antwoordde dat als zij een kleiner huis zouden willen, dat wij bezwaar zullen indienen. [geïntimeerde] was verontwaardigd en zei dat ik niet zo moeilijk moest doen, want het is in ons eigen belang dat er een kleiner huis gebouwd zou worden. Ik antwoordde dat ik dat zelf wel bepaal wat mijn belangen zijn. Het irriteerde me nog meer. [geïntimeerde] zei dat ik me er maar beter bij neer kon leggen, want een huis zal er toch gebouwd gaan worden. Ik antwoordde zoiets van dat het moeilijk zal zijn om je kavel te verkopen als de hele omgeving bezwaren zal indienen. (…) Ik raakte geïrriteerd, omdat ze niet konden en wilden accepteren dat wij bezwaren zullen indienen in geval van een nieuwe vergunningsaanvraag. Dat is namelijk ons goed recht.

Zolang wij bezwaren kunnen indienen tegen nieuwe bouwvergunningsaanvragen, zullen we dat doen. Zolang als mensenlevens duren. Ik heb gezegd dat wij zo'n lange adem hebben, dat er mensen geboren worden en ook weer dood gaan. Dus dat ik zou hebben gedreigd dat ik mensen zou dood maken, is onzin, wat [geïntimeerde] in zijn aangifte zo ongeveer heeft

beweerd.

Mevrouw [D] vroeg mij wat ik daarbij zou winnen en dat het ziekelijk is om zo te strijden. Ze vond dat ik ziek was in mijn hoofd en dat er dan allemaal verliezers zouden zijn. Toen sloeg mijn irritatie over in woede. Ik heb haar gezegd dat wij sowieso niks meer te verliezen hebben. Dus we gaan door met bezwaren indienen. Ik heb haar gezegd dat ik het haar wel zou gunnen dat ze dit stuk grond van [geïntimeerde] zou kopen. Dit stuk grond waar naar mijn mening een vloek op rust. Ik heb haar uitgelegd dat dit stuk grond [geïntimeerde] ongeluk heeft gebracht. Hij is twee keer failliet gegaan en is zijn vrouw ook verloren.

(…)

Ik werd steeds bozer, waarop [D] zijn vrouw naar de auto stuurde. Dat vond ik

een zeer goed plan en dat zei ik ook.

(…)

Ik heb hem gezegd dat als je nou echt zoveel geld hebt, je op andere mooiere plekken het huis zou kunnen bouwen wat je zelf zou willen. Plus dat je wellicht vriendelijkere buren zou treffen, want dat zijn wij niet.

(…)

[D] geloofde niet dat wij geen vriendelijke mensen zijn en ik antwoordde dat hij dat dan maar zelf moest ondervinden. Wij kunnen niet meer vriendelijk zijn na een verzoek om maar even over onze historie met de grond moeten stappen. En ik vond in ieder geval dat zij recht hadden om te weten hoe wij tegenover een nieuwe bouwvergunningsaanvraag staan en hoe wij in de hele situatie ons voelen. Toen richtte [D] zich naar mijn man en sprak zijn hoop uit dat mijn man het anders zou zien. Maar mijn man antwoordde dat hij

geheel achter mijn verhaal stond en dat er geen ruimte is voor een onderhandeling voor een nieuwe bouwvergunning behalve de koop van ons huis.

Toen was ik wel klaar met de hele discussie die uiteindelijk tot een ruzie was uitgelopen."

2.15

Op 12 juni 2016 heeft een andere potentiële koper, de familie [F] , het perceel bezocht.

Bij e-mail van 13 juni 2016 heeft mevrouw [F] daarover aan [geïntimeerde] geschreven, voor zover van belang:

"Of wij de bouwtekeningen wel hebben ingezien, omdat er alleen een huis gebouwd mag worden van piepschuim

als wij daar een ander huis willen bouwen als op papier staat, moet er weer opnieuw een vergunning worden aangevraagd welke zij dan gaan aanvechten, wat zeker weer 10 jaar kan duren. Zij vertelde dat zij absoluut GEEN aardige buurvrouw wordt, wij kunnen alvast Natascha Froger gaan inschakelen, van ruzie met de buren.
waarom wij het huis ernaast niet kopen, veel mooier plekje en al helemaal klaar.

Als wij toch besluiten om hier een huis te bouwen, dan heb je zeker ruzie met alle buren".

2.16

Nadien is van de zijde van de familie [F] verklaard:

"Mede door de bedreigende uitlatingen van de fam. [appellanten] zijn wij niet verder gegaan met het eerder genoemde project en hebben elders een huis gekocht."

2.17

[appellante] heeft over deze ontmoeting het volgende verklaard.

"Ik was bezig met plantjes te planten in de tuin samen met mijn man en dochter. Ze

praatten hard met elkaar. Dit keer heb ik wel deze mensen benaderd. Ik vroeg hen of ze geïnteresseerd waren in dat stuk grond met huis van piepschuim. Ze waren verbaasd en zeiden dat het helemaal geen huis van piepschuim was. Ik was op mijn beurt weer verbaasd en vroeg hen of ze wel goed naar de bouwtekeningen hadden gekeken. Ze zeiden dat ze dat wel gedaan hebben. Maar het interesseerde hen niet, want ze wilden toch een ander huis bouwen. En dat mogen ze gewoon.

Ze waren vijandig, wat ik raar vond, want zo reageer je niet naar je toekomstige buren. Ik antwoordde dat ze dan een nieuwe bouwvergunningsaanvraag moeten indienen. En ook dat was voor hen nieuw, want dat ontkenden ze. Er ontstond een discussie waarbij wij zagen dat ze het gesprek vermoedelijk aan het opnemen waren. Ik had nog steeds last van de irritaties van de week daarvoor (het eerste bezoek van [D] , hof) en sloot de discussie af met de opmerking dat ze dan maar beter het programma 'Bonje met de Buren' kunnen inschakelen, want op zo'n voet kunnen we niet verder als toekomstige buren. Als zij nu al zo vijandig zijn, wat voor ruzie zouden we krijgen als ze erachter komen dat wij bezwaren zullen indienen tegen elke nieuwe bouwvergunningsaanvraag?"

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg kort gezegd gevorderd (a) [appellanten] c.s. te gelasten zich tot aan het moment dat het perceel van [geïntimeerde] is verkocht en geleverd, te onthouden van het in woord, geschrift, en/of gebaar met de potentiële kopers te verstaan c.q. met hen in contact (proberen) te treden, (b) [appellanten] c.s. te verbieden zich in woord, geschrift en/of gebaar onrechtmatig uit te laten over [geïntimeerde] , het bouwproject, dan wel op andersoortige wijze te trachten de verkoop van het perceel te frustreren, bemoeilijken of nadelig te beïnvloeden door onrechtmatig te handelen en (c) [appellanten] c.s. te verbieden het perceel van [geïntimeerde] te betreden - e.e.a. op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.2

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis [appellanten] c.s. verboden om, tot aan het moment dat het perceel van [geïntimeerde] is verkocht en geleverd of totdat een termijn van twee jaar na dit vonnis verstreken is - welke van deze twee gevallen zich het eerst voordoet - met de potentiële kopers in contact te treden door woord, geschrift, en/of gebaar, daaronder begrepen digitale communicatiemiddelen, onder de voorwaarde dat [geïntimeerde] bij schriftelijk bericht, door [appellanten] c.s. minimaal acht dagen voor de dag van de bezichtiging te ontvangen, bekend maakt op welke dag en welk tijdstip de bezichtiging plaatsvindt - e.e.a. op straffe van dwangsom van € 20.000,- per overtreding met een maximum van € 100.000,-. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

In het principaal appel

4.1

[appellanten] c.s. richten zich met hun grieven II en III tegen de overwegingen die de voorzieningenrechter ten grondslag heeft gelegd aan de beslissing om - met name - [appellante] te verbieden met potentiële kopers van [geïntimeerde] in contact te treden. Volgens [appellanten] c.s. hebben zij de lezing die haar gesprekspartners van de gebeurtenissen hebben gegeven ( [geïntimeerde] , [C] en [F] ) gedetailleerd en gemotiveerd betwist. Bovendien zijn naast het (betwiste) optreden van [appellante] meerdere redenen aan te wijzen die het afhaken van potentiele kopers kunnen verklaren.

4.2

Het hof leest in deze grieven en in de daarop gegeven toelichtingen in essentie geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank in rechtsoverweging 4.6 en 4.7 van het bestreden vonnis gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over, met dien verstande dat [appellante] in hoger beroep - anders dan in eerste aanleg - wel uitgebreid en gedetailleerd verslag heeft gedaan van de woordenwisselingen ten tijde van het bezoek van zowel van [D] als [F] . Dat feit kan echter niet afdoen aan de overtuiging die ook het hof heeft van de onbetamelijkheid van haar optreden: niet alleen [geïntimeerde] zelf, maar met name ook de door hem ingeschakelde makelaar en [D] zijn uitgesproken over de onbehouwen, beledigende en agressieve manier waarop zij door [appellante] zijn benaderd, kennelijk met geen ander doel dan elke geïnteresseerde partij van de koop van het buurperceel af te houden. De verklaringen van [C] en [F] staan los van elkaar, maar getuigen van dezelfde grensoverschrijdende botheid. Om die reden overtuigen deze verklaringen, en maken ze de door [geïntimeerde] bij zijn aangifte geschetste gang van zaken aannemelijk. De verklaring van [appellante] leest in dat licht eerder als een gladgestreken bevestiging van dit alles dan als een gemotiveerde betwisting ervan. Ook [appellante] schetst immers een toestand waarin zij steeds kwader werd (en bleef), zonder dat het gedrag van haar gesprekspartners daar aanleiding toe leek te geven: zij beschrijft een uit de hand lopend gesprek waaruit blijkt dat zij en haar man niets meer te verliezen menen te hebben en bovendien dat zij, die nooit vriendelijke buren zouden worden, tot hun dood tegen elke bouwvergunning zouden blijven strijden. Zelfs als wordt afgegaan op haar eigen verklaring, heeft [appellante] de grenzen van het betamelijke overschreden door tegen [D] te zeggen dat de grond [geïntimeerde] ongeluk heeft gebracht doordat zijn vrouw is overleden en hij twee keer failliet is gegaan.

4.3

[C] (doelend op [D] ) en [F] hebben beide verklaard dat het gedrag van [appellante] ervoor heeft gezorgd dat zij zijn afgehaakt. Het hof acht dat voorshands voldoende aannemelijk. Het feit dat ook andere redenen te bedenken zijn om van de koop van de kavel af te zien, kan daaraan uiteraard niet afdoen.

4.4

Grief IV keert zich tegen de beslissing om behalve [appellante] ook [appellant] te verbieden met de potentiële kopers van [geïntimeerde] in contact te treden. De grief komt erop neer dat [appellant] op 6 juni 2016 op geen enkel moment aan de conversatie tussen zijn vrouw en de gegadigden heeft deelgenomen en na afloop desgevraagd slechts zijn mening heeft gegeven over de zakelijke inhoud van het gesprek dat hij heeft waargenomen.

4.5

Het hof leest ook in deze grief en in de daarop gegeven toelichting in essentie geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft andermaal hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering weer over. Ter toelichting voegt het hof daar nog het volgende aan toe.

4.6

De hoofdelijke aansprakelijkheid van de tot een groep behorende personen die artikel 6:166 lid 1 BW in het leven roept, leidt ertoe dat de benadeelde die ten gevolge van een gedraging in groepsverband schade heeft geleden ter verkrijging van vergoeding daarvan meerdere van de tot de desbetreffende groep behorende personen kan aanspreken, ook degene van wie vaststaat dat hij de schade niet rechtstreeks heeft toebracht (vgl. Hoge Raad 2 oktober 2015 ECLI;NL:HR:2015;2914).

4.7

[appellant] en zijn vrouw hebben jarenlang gezamenlijk opgetrokken in hun strijd tegen vermeend onrecht en hebben zich in die strijd ook als eenheid gepresenteerd aan de familie [D] . De onrechtmatigheid van het gedrag dat [appellante] daarbij ten toon heeft gespreid, schuilt er niet in dat zij voor haar rechten is opgekomen, maar in de aard en toon van haar uitlatingen en de bedoelingen die zij daarmee kennelijk heeft gehad. Dat zij hierbij de grenzen van het toelaatbare overschreed (en dat de gesprekspartners hem en [appellante] als een twee-eenheid hebben ervaren), moet voor [appellant] duidelijk zijn geweest. Hij heeft echter (ook desgevraagd) geen afstand genomen van de manier waarop zijn vrouw zich uitte. Daarmee is hij met [appellante] hoofdelijk aansprakelijk voor de gevolgen van dit onrechtmatige gedrag van zijn vrouw.

4.8

Grief V ziet op de opgelegde dwangsom. [appellanten] c.s. voeren aan dat dwangsommen van € 20.000,- per overtreding met een maximum van € 100.000,-, onnodig en buitenproportioneel zijn: onnodig, omdat er geen aanwijzing voor bestaat dat zij een uitspraak van de rechter niet zouden respecteren; buitenproportioneel omdat uit de stukken blijkt dat [geïntimeerde] met de verkoop van het stukje grond een winst tracht te genereren van maximaal € 378.000,-. Er is volgens [appellanten] c.s. geen enkele aanleiding om een veelvoud van dat bedrag als dwangsom op te leggen.

4.9

Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt het gedrag van [appellanten] c.s. wel degelijk de oplegging van een dwangsom. Gelet op de afschrikkende werking die daarvan moet uitgaan, acht het hof de hoogte van de opgelegde dwangsom bovendien in overeenstemming met de ernst van de verweten gedragingen. Ook deze grief faalt dus.

4.10

De grieven VI en VII delen het lot van de hiervoor besproken grieven.

In het incidenteel appel

4.11

De vordering zoals die is vermeerderd, strekt ertoe (i) [appellanten] c.s. te dwingen af te zien van het gebruik van de website www. [a-straat] .nl (of een site met vergelijkbare inhoud), (ii) hen te gelasten een rectificatie op Facebook te plaatsen en (iii) [appellanten] c.s. op te dragen twee op hun eigen woning bevestigde borden te verwijderen. De grieven I en III strekken tot toewijzing van deze vorderingen.

4.12

Deze grieven kunnen geen doel treffen. De genoemde site (waarvan de inhoud door [appellanten] c.s. sinds het vonnis in eerste aanleg is aangepast) heeft als strekking dat nieuwe bewoners van het huis van [appellanten] c.s. aan de [a-straat] 32B zich geen zorgen hoeven te maken over het braakliggend buurterrein. De site zoals die is aangepast bevat daaromtrent weliswaar eenzijdige informatie, maar daarmee is deze nog niet onrechtmatig. Het hof ziet ook overigens niet in dat met het in de lucht houden van deze of een vergelijkbare site in enig opzicht tegenover [geïntimeerde] onrechtmatig wordt gehandeld. Hetzelfde geldt voor de twee borden die [appellanten] c.s. op hun gevel hebben geplaatst, en waarop naast een verwijzing naar de genoemde site en een telefoonnummer de tekst "interesse in deze kavel?" staat. Het enkele feit dat die borden door geïnteresseerden in het perceel van [geïntimeerde] kunnen worden opgevat als een verwijzing naar dat perceel, en dat de mededelingen die op deze site worden gedaan voor die personen als een waarschuwing kan worden opgevat, maakt dat niet anders. Het staat [appellanten] c.s. in beginsel immers vrij zich daaromtrent op internetfora negatief te uiten en een gekleurd beeld van de ontstane situatie te schetsen - ook als zij eigenlijk niet van plan zijn hun eigen huis te verkopen, zoals [geïntimeerde] stelt. Dat zij daarbij op dit moment de grenzen van het toelaatbare overschrijden, is niet aannemelijk geworden. Voor de aan de gevorderde verklaring op Facebook ten grondslag gelegde onrechtmatige uitlatingen ten slotte, ontbreekt elke onderbouwing.

4.13

Grief II is gericht tegen de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsom en de maximering daarvan tot een bedrag van € 100.000,--. Het hof is echter met de rechtbank van oordeel dat de opgelegde dwangsom en de beperking daarvan in dit geval passend en geboden is.

5 De slotsom

5.1

De grieven falen, zowel in het principaal als in het incidenteel appel, zodat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellanten] c.s. in het principaal appel in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze kosten aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 97,31

- griffierecht € 313,-

subtotaal verschotten € 410,31

- salaris advocaat € 1.341,- (1,5 punten x tarief II)

Totaal € 1.751,31

5.3

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in het incidenteel appel in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze kosten aan de zijde van [appellanten] c.s. zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € -

- griffierecht € -

subtotaal verschotten € -

- salaris advocaat € 447,- (0,5 punten x tarief II)

Totaal € 447,-

5.4

Als niet weersproken zal het hof ook de door [geïntimeerde] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

De beslissing

In het principaal en het incidenteel appel

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van 18 januari 2017 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad;

veroordeelt [appellanten] c.s. in de kosten van het principaal appel, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 410,31 voor verschotten en op € 1.341,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] c.s. vastgesteld op nihil voor verschotten en op € 447,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. K.M. Makkinga en mr. J. Smit en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

8 augustus 2017.