Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6888

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
10-08-2017
Zaaknummer
200.170.573/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepsfout notarissen: schending van de zogenoemde Belehrungspflicht uit artikel 43 lid 1 Wna. Beantwoording van de vraag of uit die fout schade is voortgevloeid. Het hof acht niet aannemelijk dat de transacties waarop de geschonden waarschuwingsplicht ziet onder de gegeven omstandigheden onder andere, minder risicovolle voorwaarden zouden zijn aangegaan. Aan dat oordeel draagt bij dat de wederpartij werd vertegenwoordigd door personen in wie (de vertegenwoordiger van) de rechtsvoorganger van eisers op dat moment veel vertrouwen had en die hij ondanks waarschuwingen - onder meer van een andere notaris - als adviseurs aanhield. Dit, terwijl diezelfde personen er volgens hem op uit blijken te zijn geweest hem te benadelen. De omkeringsregel is niet van toepassing. Aan toepassing van de leer van de proportionele aansprakelijkheid komt het hof niet toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.170.573/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/111671 / HA ZA 11-286)

arrest van 8 augustus 2017

in de zaak van

1 [appellant] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellant],

2. [appellante] ,

wonende te [B] ,

hierna: [appellante] ,

hierna tezamen: [appellanten 1 + 2] c.s.,

3. mr. Rinke Marten Goudberg q.q.,

wonende te Heerenveen,

hierna: de curator,

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers,

hierna alle drie gezamenlijk te noemen: de curator c.s.,

advocaat: mr. R. Verdonk, kantoorhoudend te Heerenveen,

tegen

1 Notarispraktijk Detmar & Troost,

gevestigd te Bolsward,

hierna: de maatschap,

2. Sângaast B.V.,

gevestigd te Langweer,

hierna: Sângaast,

3. [geïntimeerde3] ,

wonende te [C] ,

hierna: [geïntimeerde3],

4. Sparrenburg Beheer B.V.,

gevestigd te Bolsward,

hierna: Sparrenburg Beheer,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: de maatschap c.s.,

advocaat: mr. C.J.J.C. Arnouts, kantoorhoudend te Amsterdam.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Ten aanzien van het procesverloop tot 31 mei 2016 verwijst het hof naar zijn arrest van die datum.

1.2

Partijen hebben het hof te kennen gegeven af te willen zien van een comparitie van partijen. Vervolgens hebben zij de stukken opnieuw voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.3

De curator c.s. vorderen in het principaal hoger beroep kort gezegd dat het hof hun vorderingen alsnog zal toewijzen. De maatschap c.s. vorderen in het incidenteel hoger beroep het tussenvonnis van 8 januari 2014 (gedeeltelijk) te vernietigen 'en onder verbetering en aanvulling van de gronden waarop het incidentele appel berust (ook voor wat betreft het Eindvonnis)'.

2 De vaststaande feiten in het principaal en het incidenteel appel

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals die zijn beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.27 van het tussenvonnis van 8 januari 2014, behoudens voor zover die feiten in dit hoger beroep niet langer vaststaan. Voor zover de bezwaren tegen de feitenvaststelling van de rechtbank voor de verdere beoordeling van belang is, zal dat hierna blijken.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellanten 1 + 2] c.s. hebben in eerste aanleg kort gezegd gevorderd dat de maatschap c.s. hoofdelijk worden veroordeeld om aan hen € 527.000,- te voldoen, te vermeerderen met rente. De curator heeft gevorderd de maatschap c.s. hoofdelijk te veroordelen om aan hem € 750.000,- te voldoen, eveneens te vermeerderen met rente. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank aan de maatschap c.s. in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren. Bij eindvonnis van 18 februari 2015 zijn deze vorderingen afgewezen en heeft de rechtbank de proceskosten gecompenseerd.

4 De beoordeling van de grieven en de vorderingen (het principaal appel)

4.1

Het gaat in dit geschil om het volgende.

[appellanten 1 + 2] zijn de zwager en schoonzus van [D] (hierna: [D] ). Deze [D] heeft aan [appellanten 1 + 2] c.s. een vordering verpand die hij op de maatschap c.s. zegt te hebben. De vordering van [D] ligt aan dit geschil ten grondslag, tezamen met een daarmee nauw samenhangende vordering van het gefailleerde Veenstra's Bouwbedrijf BV. (hierna: Veenstra BV of kortweg de BV te noemen). Aan de basis van beide vorderingen ligt de stelling dat de notarissen L.A. Detmar en R.E. Troost (toenmalige maten; hierna de notarissen te noemen) in 2007 de in artikel 43 lid 1 Wna geregelde Belehrungspflicht hebben geschonden door zowel [D] privé alsook [D] in zijn hoedanigheid van directeur en enig aandeelhouder van Veenstra BV niet te wijzen op de gevolgen die voor deze partijen konden voortvloeien uit de inhoud van enkele notariële akten die op 31 juli 2017 zijn verleden. Over die gevolgen komt het hof hierna nog te spreken. Kort gezegd komen deze erop neer dat diverse onroerende zaken in eigendom aan derden zijn overgedragen waarvoor ten tijde van de levering en ook daarna geen betaling is ontvangen, terwijl voor die betaling ook geen zekerheid was bedongen of een verplichting tot retro-overdracht (een zogenaamde Groninger akte).

De bewuste transacties hadden de volgende achtergrond.

4.2

In 2003 heeft [D] van de gemeente Littenseradiel een aantal bouwkavels in het plangebied De Boomgaard gekocht (welke kavels hierna kortweg als 'De Boomgaard' zullen worden aangeduid) waarop hij woningen wilde realiseren door middel van een aan Veenstra BV te verstrekken bouwopdracht. De gemeente zou het bouw- en woonrijp maken van het desbetreffende plangebied voor haar rekening nemen, tegen vergoeding door [D] van de daaraan verbonden kosten. [D] en de BV zijn in de loop van 2006 echter in financiële problemen komen te verkeren. Dat heeft geleid tot de verkoop van de aandelen van zijn BV en van zaken die in eigendom aan die BV toekwamen (hierna aan te duiden als de zaken A/F), alsmede tot de verkoop van De Boomgaard door [D] persoonlijk. Al deze zakenrechtelijke transacties vonden plaats op 31 juli 2007, op basis van notariële volmachten die [D] op 20 juli dat jaar had verstrekt.

4.3

Het moet er in dit geschil voor worden gehouden dat de koopsommen noch aan [D] noch aan Veenstra BV zijn of alsnog zullen worden betaald, en dat het voor deze partijen niet mogelijk is de geleverde eigendommen te revindiceren. [appellanten 1 + 2] c.s. en de curator beschouwen dat als de verwezenlijking van een risico waarvoor de notarissen hadden moeten waarschuwen. De vorderingen betreffen de schade die daardoor is geleden.

4.4

Na het horen van getuigen heeft de rechtbank geconcludeerd dat de notarissen tegenover [D] en Veenstra BV inderdaad zijn tekortgeschoten in de op hen rustende Belehrungspflicht. De vorderingen zijn desalniettemin integraal afgewezen, omdat het niet aannemelijk werd geacht c.q. onvoldoende was onderbouwd dat de feitelijk belanghebbenden van de koper, [E] en [F] , zouden hebben ingestemd met transacties onder condities die voor [D] en Veenstra BV gunstiger zouden zijn geweest, en omdat ook onvoldoende was onderbouwd dat [D] en Veenstra BV de transacties in het geheel niet zouden zijn aangegaan als de notarissen aan hun Belehrungspflicht hadden voldaan.

4.5

Dat laatste - de mogelijkheid van het geheel uitblijven van enige transactie - is in hoger beroep niet langer aan de orde. In de toelichting op de zesde grief van de curator c.s. wordt namelijk vooropgesteld dat Veenstra c.s. slechts hebben aangevoerd dat [D] en of Veenstra BV de betreffende transacties niet onder dezelfde voorwaarden zouden zijn aangegaan indien de notarissen aan hun Belehrungspflicht hadden voldaan. Het oordeel van de rechtbank dat ook deze stelling onvoldoende is onderbouwd, wordt met de grieven in het principaal appel vanuit diverse invalshoeken aangevallen. Die grieven lenen zich daarmee voor gezamenlijke behandeling.

4.6

Het hof acht het van belang bij de verdere beoordeling onderscheid te maken tussen enerzijds de positie die [D] bij dit geheel aan transacties en overdrachten innam, en anderzijds de positie van Veenstra BV daarbij.

De vordering van [D] ter zake van De Boomgaard ( [appellanten 1 + 2] c.s.)

4.7

[D] in privé heeft de met hypotheken bezwaarde kavels 'De Boomgaard' voor een koopsom van € 6.000,- verkocht en geleverd aan Pekago Onroerend Goed B.V. (kortweg Pekago te noemen; thans Pegasus geheten). De koopprijs is daarbij omgezet in een geldlening. Bovendien heeft [D] bij wijze van contractsoverneming als bedoeld in artikel 6:159 BW aan Pekago overgedragen de overeenkomst met de gemeente inzake de ontwikkeling van plan De Boomgaard. Artikel 7 van de leveringsakte bepaalt daaromtrent: "Verkoper en koper verklaarden ermee bekend te zijn dat de contractsoverneming eerst tot stand komt zodra de Gemeente Littenseradiel aan deze contractsoverneming haar medewerking verleent en kennisgeving van de contractsoverneming aan de gemeente Littenseradiel heeft plaatsgevonden." Die medewerking - die op grond van artikel 6:159 BW is vereist - had de gemeente ten tijde van de levering nog niet verleend.

4.8

Op deze levering zijn dezelfde dag doorleveringen van De Boomgaard gevolgd aan vennootschappen die tot hetzelfde concern behoren als Pekago: eerst aan Arenberg Vastgoed II B.V. (Arenberg), en daarna aan Westzijde Vastgoed B.V. (Westzijde). In dat laatste geval is de verplichting tot contractsoverneming niet mee overgedragen.

4.9

De geldlening van € 6.000,- is nooit voldaan. Bovendien heeft de gemeente de in artikel 7 bedoelde medewerking geweigerd. De schuld aan de gemeente van € 435.754,92 bleef daardoor op [D] rusten. Hij stelt zich op het standpunt dat de notarissen hem erop hadden moeten wijzen dat deze risico's waren verbonden aan de eerste levering aan Pekago en de ter zake gemaakte afspraken: de leveringsakte bevatte geen kettingbeding met betrekking tot de contractsoverneming, en er was geen zekerheid voor de voldoening van de koopprijs. Ook een verplichting tot retro-overdracht ingeval van het onbetaald blijven van de koopprijs was niet overeengekomen. Deze risico's hebben zich verwezenlijkt, aldus [D] .

4.10

Het hof constateert ten aanzien van de contractsoverneming dat het ten tijde van de eerste transactie van De Boomgaard (de levering aan Pekago) voor [D] duidelijk was - althans duidelijk had moeten zijn - dat hij het risico liep dat zijn schuld aan de gemeente niet op Pekago (of eventuele rechtsopvolgers) zou overgaan. Hij heeft immers uitdrukkelijk verklaard ermee bekend te zijn dat de contractsoverneming pas tot stand zou komen zodra de gemeente Littenseradiel daaraan haar medewerking zou verlenen. Het risico dat de gemeente dat niet zou doen, heeft hij dan ook bewust genomen. Voor dat risico hebben de notarissen hem blijkens zijn eigen verklaring gewaarschuwd. Het feit dat dit risico zich uiteindelijk heeft verwezenlijkt, kan hij daarom niet op de notarissen verhalen. Daaraan kan niet afdoen dat de verplichting tot contractsoverneming bij de laatste transactie niet door Westzijde is overgenomen. Ook als Westzijde dat wel had gedaan, zou [D] immers zijn geconfronteerd met de weigering van de gemeente om daarmee in te stemmen.

4.11

Ten aanzien van de niet betaalde koopsom (althans de lening) van € 6.000,- oordeelt het hof op gelijke wijze als hierna onder 4.2 en verder, ten aanzien van de koopprijs van de zaken A/F.

De vordering van Veenstra BV ten aanzien van de zaken A/F (de curator)

4.12

Ook de aandelen van Veenstra BV zijn verkocht en op 31 juli 2007 geleverd aan Pekago. Dat gebeurde tegen de symbolische prijs van € 1,-. Op diezelfde dag zijn de zaken A/F, belast met hypotheken en beslagen, eveneens aan die partij geleverd. Net als bij De Boomgaard, is de koopprijs (in dit geval € 750.000,-) bij deze transactie in een geldlening omgezet.

4.13

Ook op deze leveringen zijn dezelfde dag doorleveringen van de zaken A/F gevolgd aan vennootschappen die tot hetzelfde concern behoren als Pekago: eveneens eerst aan Arenberg en daarna aan Westzijde - in dat laatste geval voor een koopprijs van € 2.500.000,-.

4.14

De redenering van de curator is vergelijkbaar met die van [appellanten 1 + 2] c.s.: de schuld uit de geldlening is nooit voldaan. Per saldo heeft de gang van zaken er dus toe geleid dat Veenstra BV is benadeeld - in het geval van de zaken A/F: tot een bedrag dat gelijk is aan de overwaarde daarvan. Ook de curator stelt zich op het standpunt dat de notarissen de BV (dat wil zeggen: haar directeur en enig aandeelhouder, [D] ) erop hadden moeten wijzen dat die mogelijkheid bestond bij de eerste levering aan Pekago. Er was immers geen zekerheid voor de voldoening van de koopprijs (de lening) of een verplichting tot retro-overdracht bedongen.

4.15

Bij de beoordeling van deze vorderingen - zoals gezegd: ook die van [D] in privé, ten aanzien van de koopprijs van De Boomgaard - dient zich als eerste een causaliteitsvraag aan: moet er rechtens van worden uitgegaan dat, zoals de curator en [appellanten 1 + 2] c.s. beide beweren, waarschuwingen van de notarissen ertoe zouden hebben geleid dat de onroerendgoedtransacties vergezeld zouden zijn gegaan van zekerheidstellingen voor het onbetaald laten van de koopsommen (leningen) en (of) zouden voor dat geval verplichtingen tot retro-overdracht met Pekago zijn overeengekomen? Voor een bevestigend antwoord op die vragen zijn twee dingen vereist, te weten (i) dat Veenstra (BV) dergelijke voorwaarden zou hebben gesteld en (ii) dat Pekago die zou hebben aanvaard.

4.16

De stelplicht en bewijslast ten aanzien van het bestaan van dit causale verband rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv op de curator en [appellanten 1 + 2] c.s. (vgl. HR 20 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2611). Zij menen echter dat in dit bijzondere geval de zogenaamde omkeringsregel moet worden toegepast, waardoor de bewijslast naar de maatschap c.s. wordt verschoven. Het hof volgt hen daarin niet. De door het notariskantoor geschonden verplichting om Veenstra (BV) te wijzen op het ontbreken van de genoemde zekerheden strekt er immers toe [D] te informeren over de risico’s van de door hem persoonlijk en de Veenstra BV aangegane overeenkomsten, en hem te beschermen tegen gevaren die zijn verbonden aan eigenzinnigheid, gevoelens van emotionele verbondenheid met zijn onderneming en gebrek aan inzicht bij de te maken keuzes. Dat laatste neemt niet weg dat de verplichting niet strekt tot bescherming van [D] of de BV tegen de verwezenlijking van de aan de voorgenomen transacties verbonden risico’s - te weten dat hun eigendommen op derden zijn overgegaan en de daartegenover staande koopprijs c.q. leningen niet worden terugbetaald; zoals gezegd, is de strekking slechts dat deze partijen in staat worden gesteld goed geïnformeerd te beslissen over de vraag of zij die risico's wensen aan te gaan (vgl. Hoge Raad 2 februari 2007, LJN: AZ4564). Om die reden ziet het hof geen aanleiding op grond van de zogenoemde omkeringsregel de maatschap c.s. met enig bewijs te belasten.

4.17

De rechtbank heeft geconcludeerd dat de curator c.s. in het licht van het verweer van de maatschap c.s. onvoldoende gemotiveerd hebben onderbouwd dat [D] en Veenstra BV de transacties onder andere voorwaarden zouden zijn aangegaan indien de notarissen niet in hun Belehrungspflicht waren tekortgeschoten. De grieven strekken er in belangrijke mate toe deze onderbouwing alsnog te geven (zie met name grieven onder 81, eerste alinea). Naar het oordeel van het hof is dat afdoende gebeurd. De mogelijkheid om te onderbouwen dat de toekomst er anders had uitgezien indien de notarissen geen beroepsfout hadden gemaakt, is immers beperkt door de onzekerheid die aan die misgelopen toekomst is verbonden. Dat betekent dat aan de stelplicht ter zake geen hoge eisen kunnen worden gesteld. Met deze constatering wordt van belang of (en in hoeverre) rechtens van de gestelde causaliteit kan worden uitgegaan. Het hof oordeelt daarover als volgt.

4.18

In eerste instantie, op 19 maart 2007, heeft Veenstra BV de zaken A/F verkocht aan Trusta Rentmeesterskantoor BV. In een brief van 30 mei 2007 hebben deze partijen zich vervolgens tot de maatschap gewend met de vraag om, in afwijking daarvan, deze onroerende zaken met behoud van de hypothecaire inschrijvingen en gelegde beslagen aan Pekago te leveren. Ten aanzien van de eerste overeenkomst was notaris Brouns als instrumenterend notaris aangezocht. Hij heeft zijn ministerie echter moeten weigeren omdat op de dag van het voorgenomen transport de koopsom niet was gestort. Vervolgens is notaris Harmsma aangezocht. Ook deze notaris heeft zijn ministerie geweigerd; hij heeft [D] op 23 mei 2007 geschreven dat hij zijn medewerking aan de transactie weigerde, omdat hij meende dat [D] daarmee geen goede zaken deed, nu een uitgestelde betaling van 10 jaar was overeengekomen. Notaris Harmsma ging zelfs zo ver [D] expliciet te adviseren een goede adviseur in de arm te nemen. De adviseurs van [D] waren op dat moment [F] en [E] ( [F] c.s.), bijgestaan door een accountant. Deze twee personen waren de feitelijke bestuurders en eigenaren van de Trusta Groep, waartoe behalve het genoemde rentmeesterskantoor ook de latere kopers Pekago, Arenberg en Westzijde behoren. Niet bestreden is, dat [D] een blind vertrouwen in hen had en dat hij meende met hun hulp het in financiële nood verkerende bouwbedrijf voor een faillissement te kunnen behoeden. Het zijn echter tegelijkertijd ook degenen die hem zijn blijven adviseren en die hem daarbij naar eigen zeggen met de gekozen constructie hebben opgelicht. Hier komt bij dat er volgens de curator c.s. geen alternatief bestond voor het te gelde maken van de activa van de BV, en dat [D] naar hun zeggen zelf ook in grote financiële nood verkeerde.

4.19

Ondanks de expliciete en schriftelijke waarschuwing van notaris Harmsma ten aanzien van de genoemde adviseurs en de in eerste instantie voorgestelde constructie (verkoop van onroerende zaken tegen uitgestelde betaling) heeft [D] in privé en als directeur van de BV kort na dat dringende advies ervoor gekozen andere notarissen dan Harmsma te verzoeken hem te assisteren bij leveringen waaraan precies diezelfde gevaren kleefden, zonder advies in te winnen van anderen dan de direct belanghebbende [F] c.s. Gelet op dit alles acht het hof hoogst onaannemelijk dat herhaalde waarschuwingen, dit keer van Detmar en [geïntimeerde3] , zo kort na die eerdere waarschuwing, tot enig protest van Veenstra (BV) of enig voorbehoud van zijn kant zouden hebben geleid.

4.20

De curatoren c.s. voeren nog aan dat [D] door zijn verslechterde fysieke gesteldheid niet meer in staat was helder te denken. Dat gegeven maakt het onder de geschetste omstandigheden eerder onaannemelijk dan aannemelijk dat hij een nadere waarschuwing van de notarissen zou hebben opgevolgd.

4.21

Indien Veenstra (BV) al het initiatief zou hebben genomen om alsnog zekerheden in te bouwen, dan nog valt niet in te zien dat (en onder welke voorwaarden) Pekago daar gevolg aan zou hebben gegeven. De kern van het probleem is in de ogen van de curator en [appellanten 1 + 2] c.s. immers dat [D] door 'de malafide praktijken' van de 'geslepen oplichters' [F] c.s. (de bestuurders van het Trustaconcern waar Pekago deel van uitmaakte) is benadeeld met een constructie die er op was toegesneden dat Veenstra (BV) schade zou lijden.

4.22

Aan de hiervoor getrokken conclusie kan niet afdoen dat na de levering aan Pekago ten gunste van een derde partij (Nederborg) nog wel een hypotheekrecht op de zaken A/F is gevestigd. Anders dan de curator c.s. bepleiten, rechtvaardigt dat enkele feit niet de conclusie dat [F] c.s. een dergelijke zekerheid in de overeenkomst met Veenstra BV had kunnen bedingen, juist omdat deze personen op benadeling van Veenstra BV uit waren. Evenmin volstaat ter onderbouwing van het beroep dat de curator c.s. doen op het feit dat in de brief van het Trustaconcern aan de notarissen van 30 mei 2007 nog werd gesproken over een uiterste betaaltijdstip van de koopsom van € 750.000,- (31 december 2007) en teruglevering van de onroerende zaken voor zover die op dat moment nog niet zouden zijn betaald. De gang van zaken nadien bevestigt immers juist dat [F] c.s. een dergelijke zekerheid uiteindelijk niet hebben willen overeenkomen. Ten slotte: de suggestie dat de door het Trustaconcern beoogde fiscale voordelen zo groot waren dat [F] c.s. met nadere voorwaarden akkoord zouden zijn gegaan, is niet onderbouwd.

4.23

De curator c.s. hebben bewijs aangeboden van de stelling dat [D] en/of Veenstra BV niet onder dezelfde voorwaarden zouden hebben ingestemd met een overdracht van de diverse activa indien de notarissen aan de op hen rustende Belehrungspflicht hadden voldaan. Dat bewijsaanbod strandt op hetgeen hiervoor is overwogen: indien dat al zou kunnen worden bewezen, is nog steeds onaannemelijk dat de kopers met nadere voorwaarden zouden hebben ingestemd. Voor een goed begrip voegt het hof daar nog dit aan toe: de curator c.s. hebben gerefereerd aan de opmerking in de inleidende dagvaarding dat [D] (in privé) nimmer met een onvoorwaardelijke overdracht van zijn percelen tegen een koopsom van € 6.000,- zou hebben ingestemd als hij indertijd 'had geweten/beseft' dat hij jegens de gemeente volledig aansprakelijk bleef als zou komen vast te staan dat de gemeente niet met de contractsoverneming wilde instemmen. Dat standpunt is zonder nadere toelichting - die ontbreekt - onbegrijpelijk in het licht van de vaststaande verklaring van [D] dat hij ermee bekend was dat de contractsoverneming pas tot stand zou komen zodra de gemeente Littenseradiel daaraan haar medewerking zou verlenen en kennisgeving van de contractsoverneming aan die gemeente zou hebben plaatsgevonden.

De conclusie

4.24

Op grond van hetgeen is aangevoerd, en met inachtneming van al hetgeen dat vaststaat, moet de kans zeer klein worden geacht dat waarschuwingen van de zijde van de notarissen ertoe zouden hebben geleid dat Veenstra (BV) met Pekago nadere voorwaarden zou(den) zijn overeengekomen waardoor de uiteindelijk door hen geleden vermogensschade zou zijn voorkomen. Daarom kan niet worden toegekomen aan de toepassing van de in het arrest Nefalit/Karamus geformuleerde rechtsregel (de zogenoemde proportionele aansprakelijkheid; vgl HR 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1799).

4.25

Omdat het voorgaande tot de conclusie dwingt dat het bestreden eindvonnis moet worden bekrachtigd, bestaat geen aanleiding tot bespreking van hetgeen partijen voor het overige verdeeld houdt - meer in bijzonder: hetgeen in incidenteel appel aan de orde wordt gesteld.

5 Het incidenteel appel

5.1

In het incidenteel appel blijft een kostenveroordeling achterwege nu dat strekte tot handhaving van verweren, en het hof daarover ook zonder incidenteel appel had behoren te beslissen vanwege de devolutieve werking van het principaal appel (vaste jurisprudentie: ECLI:NL:HR:2008:BD7478).

6 De slotsom

6.1

De grieven van [appellanten 1 + 2] c.s. falen, zodat - zo begrijpt het hof het petitum - het bestreden eindvonnis moeten worden bekrachtigd.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partijen zal het hof [appellanten 1 + 2] c.s. in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

6.3

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de maatschap c.s. zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten €

- griffierecht € 5.160,-

subtotaal verschotten €

- salaris advocaat € 4.580,- (1 punt x tarief VIII)

Totaal € 9.740,-

6.4

Als niet weersproken zal het hof ook de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

De beslissing

In het principaal en het incidenteel appel

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 8 januari 2014 en 18 februari 2015;

veroordeelt de curator c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de maatschap c.s. vastgesteld op € 5.160,- voor verschotten en op € 4.580,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt de notaris c.s. in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,-- in geval de curator c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak hebben voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. D.H. de Witte en mr. W.A. Zondag en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

8 augustus 2017.