Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6802

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
WAHV 200.187.930
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De officier van justitie mocht niet voorbijgaan aan het verzoek om toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken en een nadere termijn voor het indienen van gronden, ook al heeft de gemachtigde dit verzoek gedaan tegen het einde van de termijn voor het aanvullen van gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 200.187.930

8 augustus 2017

CJIB 181639307

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant

van 22 december 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] ,

advocaat te [plaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft geoordeeld - kort weergegeven - dat de officier van justitie terecht voorbij is gegaan aan het verzoek van de gemachtigde van de betrokkene om de op de zaak betrekking hebbende stukken en - in het verlengde daarvan - dat de beslissing van de officier van justitie stand kan houden. De gemachtigde beklaagt zich in hoger beroep over dat oordeel.

2. Uit het dossier blijkt het volgende, voor zover hier van belang.

Bij inleidende beschikking van 31 mei 2014 is aan de betrokkene een administratieve sanctie opgelegd. De gemachtigde heeft daartegen tijdig beroep ingesteld, op nader aan te vullen gronden. Bij brief van 6 augustus 2014 heeft de officier van justitie de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van 4 weken de gronden van het beroep op te geven. Voor het verstrijken van die termijn heeft de gemachtigde, bij brief van 3 september 2014, aangevoerd dat de betrokkene uitdrukkelijk betwist de gedraging te hebben verricht en dat de betrokkene meent dat de sanctie ten onrechte is opgelegd. Voorts verzoekt de gemachtigde de officier van justitie om hem in het bezit te stellen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Daarbij merkt de gemachtigde op: "Na ontvangst daarvan ben ik in de gelegenheid deze te bestuderen en met cliënt te bespreken, waarna eventuele aanvullende gronden voor dit beroep aan u kenbaar worden gemaakt."

3. De gemachtigde heeft in zijn laatstgenoemde brief verzocht om de op de zaak betrekking hebbende stukken. Artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorziet specifiek voor belanghebbenden in een recht om hangende administratief beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken op te vragen bij het beroepsorgaan. Het gaat daarbij om stukken die nodig zijn om een boete op basis daarvan aan te vechten (vlg. ABRS 19 november 2014, ECLI:NL:RvS:2014:4129). Naar het oordeel van het hof moet in zaken als de onderhavige daaronder worden begrepen het zaakoverzicht en een eventuele foto van de gedraging (vgl. het arrest van dit hof van 28 september 2015, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2015:7246). De officier van justitie dient, ingeval de (gemachtigde van de) betrokkene in administratief beroep daarom verzoekt, deze stukken te verstrekken.

4. Uit het dossier blijkt dat de officier van justitie niet, alvorens op het administratief beroep te beslissen, een afschrift van het zaakoverzicht - een foto van de gedraging is in casu niet beschikbaar - aan de gemachtigde heeft verstrekt. Pas nadat de officier van justitie op het administratief beroep had beslist, heeft de officier van justitie, bij brief van 17 augustus 2015, nadere stukken die hij bij de beoordeling van het administratief beroep had gebruikt

- bestaande uit het brondocument - aan de gemachtigde verstrekt.

5. De officier van justitie heeft derhalve niet gehandeld in overeenstemming met artikel 7:18, vierde lid, van de Awb. Het standpunt van de advocaat-generaal, dat de gemachtigde onredelijk laat heeft verzocht om de op de zaak betrekking hebbende stukken, geeft het hof geen aanleiding tot een ander oordeel. De enkele omstandigheid dat het verzoek is gedaan aan het einde van de termijn, gegeven voor het aanvullen van gronden, brengt niet mee dat de officier van justitie daaraan voorbij mag gaan.

6. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter ten onrechte de beslissing van de officier van justitie in stand gelaten. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing eveneens vernietigen.

7. Vervolgens staat het beroep tegen de inleidende beschikking ter beoordeling van het hof.

8. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “als bestuurder de doorgetrokken streep overschrijden (verkeer in beide richtingen)”, welke gedraging zou zijn verricht op 17 mei 2014 om 20.14 uur op de Pekelingseweg te Aagtekerke.

9. De gemachtigde heeft aangevoerd dat de betrokkene uitdrukkelijk betwist deze gedraging te hebben verricht en dat deze sanctie ten onrechte is opgelegd.

10. In WAHV-zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

11. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in: “(…) Betrokkene haalde met hoge snelheid een voertuig in over dubbele doorgetrokken streep. Dit deed hij vlak voor een onoverzichtelijke bocht. (…)

Verklaring betrokkene: ik voelde mij opgejaagd.”

12. Door de gemachtigde is tegenover deze verklaring van de verbalisant niet meer gesteld dan een enkele, niet nader onderbouwde ontkenning dat de gedraging is verricht. Het hof ziet daarin geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Nu de betrokkene voor het overige geen voor deze zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant, terwijl uit het dossier evenmin zulke feiten en omstandigheden blijken, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

13. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking daarom ongegrond verklaren. De aan de betrokkene opgelegde sanctie blijft derhalve in stand.

14. Het hof acht termen aanwezig voor vergoeding van de door de betrokkene gemaakte kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor zover het betreft de procedure bij de kantonrechter en in hoger beroep. De vergoeding van dergelijke kosten is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende voor vergoeding in aanmerking komende proceshandelingen verricht: het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter, het indienen van het hoger beroepschrift en het indienen van de nadere toelichting op het hoger beroep. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend en aan het indienen van een nadere toelichting een halve punt. De waarde per punt bedraagt € 496,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 620,- (= 2,5 x € 496,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep, gericht tegen de beslissing van de officier van justitie, gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 16 september 2014;

verklaart het beroep, gericht tegen de inleidende beschikking, ongegrond;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 620,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Verdoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.