Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6785

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-08-2017
Datum publicatie
18-08-2017
Zaaknummer
13/00694
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:3019, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan de door Luxemburg afgegeven E101-verklaring komt voor belanghebbende als rijnvarende, die in Nederland woont, geen bindende werking toe. Belanghebbende is verplicht verzekerd en premieplichtig voor de Nederlandse volksverzekeringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-08-2017
FutD 2017-2135
V-N 2017/55.1.3
V-N Vandaag 2017/1955
mr. J.D. Schouten annotatie in NTFR 2017/2309
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummer 13/00694

uitspraakdatum: 15 augustus 2017

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 mei 2013, nummer AWB LEE 11/2228, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Rotterdam (hierna: de Inspecteur)

en

de Staat der Nederlanden (Minister van Veiligheid en Justitie; hierna: de Staat)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij beschikking is heffingsrente berekend.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie EU van 9 september 2015, X en T.A. van Dijk, gevoegde zaken C-72/14 en C-197/14, ECLI:EU:C:2015:564 (hierna: X en T.A. van Dijk) en het arrest van de Hoge Raad van 22 januari 2016, nr. 12/03718, ECLI:NL:HR: 2016:82 heeft belanghebbende bij brief van 17 oktober 2016 en de Inspecteur bij brief van 11 november 2016 nader gereageerd.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2017. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende, geboren [in] 1951, heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in 2006 in Nederland.

2.2.

Belanghebbende heeft gedurende het hele jaar 2006 als kapitein in loondienst werkzaamheden verricht op een binnenvaartschip, het motortankschip (mts) [A] . Het schip is voorzien van een certificaat als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte van 17 oktober 1868 (Herziene Rijnvaartakte). Het schip is in eigendom bij [B] V.O.F., gevestigd in Nederland.

2.3

Belanghebbende was gedurende het hele jaar 2006 in dienst bij [C] (hierna: [C] ), gevestigd te Luxemburg.

2.4.

De winst- en verliesrekening van [B] V.O.F. over het jaar 2006 vermeldt onder meer het volgende:

Opbrengsten

netto omzet

782.726

Personeelskosten

Overige personeelskosten

270.523

Op de balans is een kostenegalisatiereserve vermeld van € 20.000.

2.5.

Voor het mts [A] is op 1 september 1999 aan [B] V.O.F als eigenaar van dit schip een verklaring afgegeven als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet vervoer binnenvaart, dat het schip behoort tot de Rijnvaart in de zin van artikel 2, derde lid, van de Herziene Rijnvaartakte (hierna: Rijnvaartverklaring). Op deze verklaring is geen exploitant vermeld.

2.6.

Voor het mts [A] is op 10 augustus 2007 aan [B] V.O.F als eigenaar van dit schip een (nieuwe) Rijnvaartverklaring afgegeven. Op deze verklaring is [C] als exploitant vermeld.

2.7.

Op 25 augustus 2006 is voor het mts [A] een "Certificat d'exploitant" afgegeven, waarop [C] als exploitant vermeld staat.

2.8.

De Luxemburgse autoriteiten hebben aan belanghebbende met dagtekening 24 maart 2006 een E101-verklaring afgegeven. In deze verklaring is vermeld: "L'assuré reste soumis à la législation du pays L du 12.10.2005 au indéterminé."

2.9.

Op 16 juni 2010 heeft het Tribunal administratif du Grand-Duché de Luxembourg geoordeeld dat [C] niet als exploitant van binnenschepen aangemerkt kan worden.

2.10.

Naar aanleiding van de onder 2.9 bedoelde uitspraak is bij brief van 3 oktober 2011 medegedeeld dat alle afgegeven Certificaten d’exploitant ten name van [C] per direct zijn ingetrokken.

2.11.

Belanghebbende heeft aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2006 gedaan, waarin hij heeft verzocht om vrijstelling van premieheffing volksverzekeringen en om aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. De onderhavige aanslag is met dagtekening 15 oktober 2009 opgelegd, waarbij de gevraagde vrijstelling en aftrek niet zijn verleend.

2.12.

Belanghebbende is tegen deze aanslag in bezwaar gekomen op 25 november 2009. Bij uitspraak op bezwaar van 8 augustus 2011 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. Belanghebbende is hiertegen bij de Rechtbank in beroep gekomen op 16 september 2011.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende in het jaar 2006 in Nederland verzekerd en premieplichtig was voor de volksverzekeringen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2.

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraken van de Inspecteur, en tot vermindering van de aanslag tot een aanslag waarin geen premie volksverzekeringen is begrepen. In hoger beroep verzoekt belanghebbende tevens om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

3.4.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Bevoegdheid

4.1.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur niet bevoegd is af te wijken van de door hem ingediende aangifte door hem voor 2006 verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen te verklaren. Belanghebbende voert daartoe aan dat tot vaststelling van het toepasselijke sociale verzekeringsrecht onder het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden, aangenomen door de Regeringsconferentie belast met de herziening van het Verdrag van 13 februari 1961 betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden, ondertekend te Genève op 30 november 1979 (hierna: het Rijnvarendenverdrag) de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Minister), als de voor Nederland bevoegde autoriteit, is aangewezen. Van enige mandatering aan de Belastingdienst is volgens belanghebbende geen sprake. Bovendien wijst belanghebbende erop dat het Rijnvarendenverdrag boven nationale bepalingen gaat (artikel 94 van de Grondwet). Het Hof overweegt dienaangaande dat de premie voor de volksverzekeringen ingevolge artikel 57 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) wordt geheven door de rijksbelastingdienst. De premie voor de volksverzekeringen wordt ingevolge artikel 58 van de Wfsv bij wege van aanslag geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regels. Artikel 11, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt dat de aanslag door de inspecteur wordt vastgesteld. De Inspecteur heeft derhalve gelet op de voorgaande wettelijke regeling de bevoegdheid premie volksverzekeringen te heffen. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur in het onderhavige geval overeenkomstig deze wettelijke regeling zijn heffingsbevoegdheid uitgeoefend. Daaraan doet niet af dat de Minister is aan te merken als de voor Nederland bevoegde autoriteit om op grond van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag een zogenoemde regularisatieprocedure te starten, die kan uitmonden in het maken van uitzonderingen op de toepassing van de aanwijsregels van artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag. Deze overlegprocedure staat immers los van de onderhavige rechterlijke procedure over de ingevolge de aanwijsregels toe te passen wetgeving en de daarbij van belang geachte feiten en omstandigheden.

Premieplicht

4.2.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, letter a, van de Algemene Ouderdomswet (hierna: de Wet) en gelijkluidende bepalingen in de overige volksverzekeringswetten is een ingezetene van Nederland van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen. In afwijking van artikel 6 van de Wet wordt op grond van artikel 6a van de Wet als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie en wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.

4.3.

Vaststaat dat belanghebbende in 2006 in Nederland woonde en nog niet de leeftijd van 65 jaar had bereikt. Gelet hierop is belanghebbende voor het jaar 2006 aan te merken als een Nederlandse ingezetene en is hij op grond van het Nederlandse nationale recht in beginsel van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen.

4.4.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij in het onderhavige jaar niet in Nederland maar in Luxemburg verzekerd en premieplichtig is voor de volksverzekeringen. Het Hof overweegt dat nu belanghebbende zich beroept op afwijking van de onder 4.3 vermelde hoofdregel dat een Nederlandse ingezetene in Nederland is verzekerd voor de volksverzekeringen, op hem de last rust de daarvoor van belang zijnde feiten te stellen en – in geval van gemotiveerde betwisting door de Inspecteur – aannemelijk te maken (vgl. HR 24 oktober 2014, nr. 14/01601, ECLI:NL:2014:3016). Voor zover belanghebbende in hoger beroep nog betoogt dat een andere bewijslastverdeling geldt, faalt dit betoog.

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in het onderhavige jaar voldoet aan de criteria om als rijnvarende in de zin van artikel 1, letter m, van het Rijnvarendenverdrag te worden aangemerkt. Het Hof ziet geen aanleiding hiervan af te wijken. Hieruit volgt dat belanghebbende binnen de sfeer van het Rijnvarendenverdrag valt, en niet binnen die van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: de Verordening), zodat de vaststelling van de wettelijke regeling die op het gebied van de sociale zekerheid op hem moet worden toegepast, geschiedt overeenkomstig het Rijnvarendenverdrag, en niet overeenkomstig de Verordening.

4.6.

Het voorgaande brengt mee dat een zogenaamde E101-verklaring niet de gevolgen teweegbrengt die eigen zijn aan een dergelijke verklaring, waartoe ook behoort de bindende werking ten opzichte van organen van de andere lidstaten, dan de lidstaat waartoe het orgaan dat een dergelijke verklaring heeft afgegeven, behoort (vgl. het hiervoor onder 1.5 genoemde arrest van het HvJ EU in de zaak X en T.A. van Dijk).

4.7.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de E101-verklaring toch dient te worden gerespecteerd, daarbij verwijzend naar r.o. 50 van het arrest X en T.A. van Dijk, primair op grond van het Rijnvarendenverdrag en subsidiair op grond van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, zowel onder het Rijnvarendenverdrag als onder de Verordening. Voor zijn primaire standpunt voert belanghebbende – samengevat – aan dat het E101-formulier op grond van Besluit nr. 4 van het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de rijnvarenden van 27 maart 1990 (hierna: Besluit nr. 4) de onderlinge verhouding tussen Nederland en Luxemburg, als verdragsstaten die tevens lidstaat zijn, bepaalt. De in – onder meer – het arrest Fitzwilliam Executive Search (HvJ 10 februari 2000, nr. C-202/97, BNB 2000/219) geformuleerde uitgangspunten gelden ook voor het Rijnvarendenverdrag. Belanghebbende ziet verder een bevestiging voor zijn standpunt in artikel 6, tweede lid, van de Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van de verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004 (hierna: de Rijnvarendenovereenkomst), waarin is bepaald dat de verklaringen over de toepasselijke wetgeving overeenkomstig het Rijnvarendenverdrag de in die verklaring vermelde geldigheidsduur behouden. Voor zijn subsidiaire standpunt heeft belanghebbende aangevoerd dat toetsing aan het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel binnen de werkingssfeer van het Rijnvarendenverdrag ertoe dient te leiden dat hij mag afgaan op de inhoud van de E101-verklaring. Hij mocht erop vertrouwen dat de E101-verklaring is afgegeven onder toepassing van het Rijnvarendenverdrag. Daarnaast dient de afgifte van de E101-verklaring ook te worden getoetst aan het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel in het kader van de Verordening. In dit kader acht belanghebbende tevens van belang dat de EU, of enige lidstaten van de EU, er nooit bezwaar tegen hebben gemaakt dat conform Besluit nr. 4 is besloten dat verdragsstaten bij het Rijnvarendenverdrag, die tevens lid zijn van de EU, in het kader van het Rijnvarendenverdrag de formulieren van de EU gebruiken in hun onderlinge verhouding.

4.8.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat aan de E101-verklaring geen bindende werking toekomt. Daartoe heeft de Inspecteur – samengevat – aangevoerd dat uit niets blijkt dat het betreffende E101-formulier door de betreffende bevoegde autoriteit in Luxemburg is afgegeven op grond van het Rijnvarendenverdrag. In het formulier is op geen enkele wijze verwezen naar de artikelen van het Rijnvarendenverdrag. De E101-verklaring kan ook niet zijn afgegeven ter vervanging van een vergelijkbaar model voor het Rijnvarendenverdrag, omdat dit niet bestaat. De E101-verklaring is volgens de Inspecteur in dit geval, blijkens een verklaring dat namens het bevoegde orgaan in Luxemburg is afgegeven, louter afgegeven om aan te tonen dat belanghebbende is aangemeld bij de Luxemburgse Kas en dat er geen sprake is van zwart werken. Belanghebbende kan ook geen vertrouwen en rechtszekerheid ontlenen aan een besluit van het Luxemburgse orgaan, omdat een dergelijk besluit de Belastingdienst, die de verklaring immers niet heeft afgegeven, niet bindt, aldus de Inspecteur.

4.9.

Naar het oordeel van het Hof slaagt het primaire standpunt van belanghebbende niet, omdat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aan hem afgegeven E101-verklaring is verstrekt in het kader van het Rijnvarendenverdrag. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat in de betreffende verklaring niet wordt verwezen naar (bepalingen uit) het Rijnvarendenverdrag. Dat op grond van het Besluit nr. 4 lidstaten onderling EU-standaardformulieren kunnen gebruiken, maakt dat niet anders. Belanghebbendes beroep op de uitgangspunten in – onder meer – het arrest Fitzwilliam Executive Search, waaronder het beginsel van de loyale samenwerking, kan hem gelet op het voorgaande – zie met name 4.6 – niet baten, de verwijzing naar artikel 6, tweede lid, van de Rijnvarendenovereenkomst evenmin.

4.10.

Het Hof volgt belanghebbende evenmin in zijn subsidiaire standpunt dat hij zich op de E101-verklaring kan beroepen op grond van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel in het kader van het Rijnvarendenverdrag en het Gemeenschapsrecht (de Verordening). Het Hof stelt hierbij voorop dat de Inspecteur, beoordeeld naar Nederlands nationaal recht, in een geval als het onderhavige in beginsel niet op grond van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, gebonden is aan een besluit van een Luxemburgs orgaan. Omstandigheden op grond waarvan – in afwijking van dit uitgangspunt – dient te worden geconcludeerd dat het besluit van het Luxemburgse orgaan de Inspecteur bindt, zijn gesteld noch aannemelijk gemaakt. De omstandigheid dat belanghebbende onder de werkingssfeer van het Rijnvarendenverdrag valt, brengt een dergelijke binding niet met zich, reeds omdat belanghebbende, zoals hiervoor is overwogen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aan hem afgegeven E101-verklaring is verstrekt in het kader van het Rijnvarendenverdrag en evenmin feiten en omstandigheden heeft gesteld of aannemelijk heeft gemaakt die tot de conclusie leiden dat hij daarvan uit mocht gaan. De enkele verwijzing naar het Besluit nr. 4 is daartoe onvoldoende. Naar het oordeel van het Hof brengt hetgeen is overwogen onder 4.5 en 4.6 mee dat ook een beroep op het communautaire vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel niet kan leiden tot de door belanghebbende voorgestane bindende werking ten opzichte van de Inspecteur. Hetgeen belanghebbende in dit verband nog heeft aangevoerd, namelijk dat de EU-lidstaten geen bezwaar hebben gemaakt tegen het gebruik van standaardformulieren op grond van het Besluit nr. 4, alsmede de verwijzing naar het handelen van het betreffende Luxemburgse orgaan, kan hem – wat daar verder van zij – reeds daarom niet baten. Op het voorgaande stuit – voor zover belanghebbende daar in dit verband een beroep op heeft gedaan – ook het beroep van belanghebbende op strijdigheid met de verdragsrechtelijke grondbeginselen af.

4.11.

In artikel 11, eerste lid, van het Rijnvarendenverdrag is bepaald dat op de rijnvarende slechts de wetgeving van één enkele Verdragsluitende Partij van toepassing is. In het tweede lid is bepaald dat op de rijnvarende de wetgeving van toepassing is van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming, waartoe het in artikel 1, sub m bedoelde schip, aan boord waarvan deze rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht, behoort. Het Administratief Centrum heeft op de voet van artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Rijnvarendenverdrag bij Besluit nr. 5 van 27 maart 1990 – onder meer – bepaald dat als ‘onderneming waartoe het schip behoort’ in de zin van artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag in beginsel geldt de onderneming die het desbetreffende schip exploiteert, ongeacht of deze onderneming eigenaar is van het schip en dat voor de toepassing van dit Besluit de gegevens, vermeld op de Rijnvaartverklaring, maatgevend zijn.

4.12.

Tussen partijen is niet in geschil dat in het onderhavige jaar de Rijnvaartverklaring uit 1999 (zie 2.5) van toepassing is. Het staat vast dat op deze verklaring geen exploitant is vermeld. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat aan het op 25 augustus 2006 afgegeven Certificat d'exploitant (zie 2.7), waarin [C] als exploitant is vermeld, dezelfde betekenis moet worden toegekend als aan de Rijnvaartverklaring. Belanghebbende voert daarvoor aan dat het Certificat d’exploitant de basis vormt voor de af te geven Rijnvaartverklaring. Naar het oordeel van het Hof komt aan het Certificat d’exploitant voor het onderhavige jaar niet een dergelijke betekenis toe. Het betreffende Certificat d’exploitant heeft immers niet de basis gevormd voor de in het onderhavige jaar geldende Rijnvaartverklaring uit 1999 en gelet op de hiervoor onder 4.11 genoemde regelgeving zijn slechts de gegevens op de Rijnvaartverklaring maatgevend. Het voorgaande brengt mee dat materieel moet worden beoordeeld waar de zetel van de onderneming als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag zich bevindt. Ter zitting van het Hof is tussen partijen voor dat geval komen vast te staan dat [B] V.O.F. de onderneming drijft waartoe het schip in voormelde zin behoort en dat [B] V.O.F. in Nederland is gevestigd.

4.13.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat op belanghebbende in het onderhavige jaar de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing is.

4.14.

Belanghebbende beroept zich voorts op het zorgvuldigheidsbeginsel. Samengevat komt dit beroep erop neer dat een zorgvuldige voorbereiding van het besluit van de Inspecteur om premie volksverzekeringen te heffen had meegebracht dat de Inspecteur – teneinde dubbele heffing te voorkomen – (i) contact met de Luxemburgse autoriteiten zou hebben opgenomen of (ii) met de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB), die de mogelijkheid heeft op grond van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag in overleg te treden met de Luxemburgse autoriteiten, en (iii) bovendien op de voet van artikel 72 van het Rijnvarendenverdrag een interpretatieve vraag aan het Administratief Centrum zou hebben voorgelegd. De Inspecteur bestrijdt de stellingen van belanghebbende gemotiveerd.

4.15.

Nog daargelaten of bij het slagen van dit beroep van belanghebbende het door belanghebbende voorgestane rechtsgevolg – dat de heffing niet in stand kan blijven – intreedt, faalt belanghebbendes beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel. Geen rechtsregel verplicht de Inspecteur vóór het opleggen van de aanslag contact op te nemen met de Luxemburgse autoriteiten. De Inspecteur is niet bevoegd in overleg te treden met de Luxemburgse autoriteiten om op grond van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag een regularisatieprocedure te starten en geen rechtsregel verplicht de Inspecteur om in alle gevallen waarin mogelijk sprake is van dubbele heffing met de voor Nederland wel bevoegde autoriteit, de Minister dan wel de SVB, als vertegenwoordiger van de Minister, contact op te nemen. Hetzelfde heeft te gelden voor belanghebbendes grief dat geen interpretatieve vraag is voorgelegd aan het Administratief Centrum. Omstandigheden die in het onderhavige geval voor een dergelijk contact aanleiding zouden geven, zijn niet aannemelijk geworden. Naar het oordeel van het Hof mocht de Inspecteur gelet op het voorgaande in redelijkheid het standpunt innemen dat (slechts) de wetgeving van Nederland van toepassing was. Voor zover belanghebbende in dit verband met het in hoger beroep overleggen van het SVB Pensioenoverzicht ten name van belanghebbende van 6 februari 2009 heeft beoogd te stellen dat de SVB op enig moment het standpunt heeft ingenomen dat belanghebbende in het onderhavige jaar niet in Nederland verzekerd was, overweegt het Hof dat belanghebbende dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Onweersproken heeft de Inspecteur ter zitting van het Hof namelijk verklaard dat dit overzicht is gebaseerd op de door belanghebbende zelf verstrekte gegevens, die niet door de SVB gecontroleerd zijn, en dat dit overzicht bovendien geen beschikking tot vaststelling van verzekeringsplicht is, maar enkel op verzoek van belanghebbende is verstrekt. De stelling van belanghebbende dat door de Inspecteur onvoldoende rekening is gehouden met zijn belang, door tot heffing over te gaan zonder de E101-verklaring te respecteren en zonder voorafgaande vaststelling van de toepasselijke sociale verzekeringswetgeving – zo nodig met toepassing van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag – door de bevoegde autoriteit, stuit reeds af op hetgeen hiervoor onder respectievelijk 4.6 en 4.1 is overwogen.

4.16.

Gelet op het voorgaande is het gelijk aan de Inspecteur. Het Hof zal dan ook de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.

Heffingsrente

4.17.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.

Vergoeding immateriële schade

4.18.

Belanghebbende heeft – voor het eerst in hoger beroep – verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van de onderhavige zaak.

4.19.

Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is derhalve de duur van de bezwaarfase inbegrepen. De in dit verband in aanmerking te nemen termijn begint als regel te lopen op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de hoofdzaak. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het gerechtshof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld. Het Hof verwijst naar het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252.

4.20.

In het onderhavige geval heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van de uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen. Een voortvarende behandeling van het hoger beroep kan in een zodanig geval dan ook ertoe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan en/of de rechtbank wordt gecompenseerd (vgl. HR 12 december 2014, nr. 14/00797, ECLI:NL:HR:2014:3562).

4.21.

Het tijdsverloop tussen de ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur (op 25 november 2009) en de uitspraak van het Hof (15 augustus 2017) bedraagt bijna 7 jaar en 9 maanden, hetgeen gelet op het hiervoor vermelde uitgangspunt voor de totale procedure van vier jaar een overschrijding van de redelijke termijn voor de beslechting van het geschil meebrengt van bijna 3 jaar en 9 maanden. Er is evenwel een bijzondere omstandigheid die een langere behandelduur van de zaak in hoger beroep dan genoemde twee jaar rechtvaardigt. De onderhavige zaak is namelijk aangehouden in afwachting van de beslissing van het HvJ EU in de eerdergenoemde zaak X en T.A. van Dijk. Het aanhouden van een zaak in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen in een vergelijkbare zaak vormt een omstandigheid die de redelijke termijn verlengt, indien het afwachten van die beslissing redelijk is. Naar het oordeel van het Hof is daarvan in het onderhavige geval sprake. De betreffende prejudiciële vragen zijn gesteld bij tussenuitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch van 7 februari 2014 (de zaak X) en bij arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2014 (de zaak T.A. van Dijk). Het arrest is door het HvJ EU gewezen op 9 september 2015. Gelet hierop acht het Hof het redelijk de behandelduur in hoger beroep van twee jaar te verlengen met de periode die is verstreken tussen 8 februari 2014 (dag na verzending van de tussenuitspraak) en 9 september 2015 (de dag van de openbaarmaking van de prejudiciële beslissing), derhalve met 1 jaar en 7 maanden. Nu de betreffende prejudiciële vragen niet zijn gesteld na 1 april 2014, geldt niet de eis dat partijen schriftelijk in kennis moeten zijn gesteld van de aanhouding (vgl. HR 21 maart 2014, nr. 13/00478, ECLI:NL:HR:2014:636).

4.22.

Gelet op het voorgaande is de redelijke termijn voor de totale procedure overschreden met 2 jaar en bijna 2 maanden (26 maanden). Als uitgangspunt voor de schadevergoeding dient een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Het Hof ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 2.500. Deze vergoeding dient als volgt te worden toegerekend aan de Inspecteur en de Staat.

4.23.

Het Hof stelt vast dat na de ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur (op 25 november 2009) tot de datum van de uitspraak van de Rechtbank op 16 mei 2013 3 jaar en bijna 6 maanden zijn verstreken. Bijzondere omstandigheden die een langere behandelduur dan voormelde twee jaar zouden rechtvaardigen, zijn niet gebleken. Hieruit volgt dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep is overschreden met 1 jaar en bijna 6 maanden. Bij de toerekening aan de Inspecteur respectievelijk de Staat heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt, en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Het Hof stelt vast dat tussen de ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur op 25 november 2009 en de uitspraak op bezwaar op 8 augustus 2011 1 jaar en bijna 9 maanden zijn verstreken, zodat de overschrijding in de bezwaarfase 1 jaar en bijna 3 maanden (afgerond 15 maanden) bedraagt. Nu de redelijke termijnen in beroep en hoger beroep eveneens zijn overschreden, is er geen sprake van compensatie binnen de termijn van twee jaar in eerste aanleg noch van een compensatie als bedoeld in 4.20. Aan de beroeps- en hogerberoepsfase dient gelet op al het voorgaande een overschrijding van in totaal (26 minus 15=) 11 maanden te worden toegerekend.

4.24.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat van de vergoeding van immateriële schade van € 2.500, de Inspecteur 15/26 deel (€ 1.442) voor zijn rekening dient te nemen en de Staat 11/26 deel (€ 1.058). Omdat het bedrag van de schadevergoeding minder dan € 5.000 beloopt, behoeft de Minister van Veiligheid en Justitie, gelet op zijn beleidsregel van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, nr. 20210, niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop schriftelijk of mondeling verweer te voeren.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep op zichzelf beschouwd ongegrond acht, maar in hoger beroep wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toekent, is er aanleiding het griffierecht in hoger beroep aan belanghebbende te laten vergoeden en een veroordeling uit te spreken in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep. Omdat de overschrijding zowel aan de Inspecteur als aan de rechter is toe te rekenen, dient om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid in hoger beroep te worden uitgegaan van een verdeling waarbij ieder van hen de helft betaalt (vgl. HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252).

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.237,50 ((hogerberoepschrift en bijwonen zitting maal 1 punt; nadere reactie belanghebbende maal 0,5 punt)  wegingsfactor 1  € 495). Het Hof zal de Inspecteur en de Staat elk voor de helft van deze proceskosten veroordelen, dus elk voor € 618,75.

6 Beslissing

Het Hof:

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 618,75,

– veroordeelt de Staat in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 618,75,

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende de helft van het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 118 vergoedt, ofwel € 59,

– gelast dat de Staat aan belanghebbende de helft van het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 118 vergoedt, ofwel € 59,

– veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade ten bedrage van € 1.442,

– veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade ten bedrage van € 1.058.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. J.W. baron van Knobelsdorff en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 15 augustus 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma) (G.B.A. Brummer)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 16 augustus 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.