Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6784

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-08-2017
Datum publicatie
18-08-2017
Zaaknummer
16/00463
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2016:744, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende maakt gestelde hogere inhouding van loonheffing niet aannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1951
V-N 2017/57.11.7
Viditax (FutD), 18-08-2017
FutD 2017-2072
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummer 16/00463

uitspraakdatum: 15 augustus 2017

Uitspraak van de zesde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 februari 2016, nummer LEE 15/2070, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij beschikking is heffingsrente berekend.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2017. Daarbij is verschenen en gehoord mr. [A] namens de Inspecteur. Belanghebbende is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Hij is uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van het hoger beroep bij aangetekende brief van 23 mei 2017 aan het adres [a-straat] 31, [Z] . Blijkens informatie op de website van post.nl is de uitnodiging op 23 juni 2017 door belanghebbende in ontvangst genomen.

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 12 april 2012 zijn aangifte in de IB/PVV voor 2011 ingediend. Als inkomsten uit tegenwoordige arbeid heeft belanghebbende onder meer ingevuld:

12 Loon of uitkering Ziektewet

Naam werkgever(s)

Ingehouden loonheffing

Loon

Loon, uitkering ZW en andere inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking

[B] UK LIMITED

20.677

24.230

2.2.

De Inspecteur heeft bij brief van 23 mei 2014 aan belanghebbende bericht dat het voornemen bestond om van de aangifte af te wijken. De Inspecteur heeft hierbij laten weten dat uit informatie blijkt dat belanghebbende € 11.677 aan looninkomsten heeft gehad bij [B] UK Limited en dat € 4.283 aan loonheffing is ingehouden, terwijl belanghebbende in de aangifte bedragen van € 24.230, respectievelijk € 20.677 had vermeld.

2.3.

Bij het vaststellen van de aanslag in de IB/PVV voor 2011 heeft de Inspecteur de volgende correcties toegepast:

Belastbaar inkomen uit werk en woning

Het berekende inkomen uit werk en woning volgens de aangifte € 83.303

Totaalbedrag van de afwijking(en) € 12.553 -/-

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 70.750

Te verrekenen voorheffingen

Te verrekenen voorheffingen volgens de aangifte € 55.865

Totaalbedrag van de afwijking(en) € 16.394 -/-

Vastgesteld bedrag van de te verrekenen voorheffingen € 39.471

2.4.

Nadat belanghebbende tegen de aanslag bezwaar had gemaakt, heeft de Inspecteur bij brief van 23 oktober 2014 aan belanghebbende verzocht om de volgende informatie toe te sturen: de jaaropgaaf van [B] UK Limited, een vermelding van het soort inkomen, bijvoorbeeld loon, pensioen of uitkering, en een opgave van de reden waarom een ander bedrag is aangegeven. Nadat belanghebbende had laten weten in verband met een verblijf in het buitenland de gevraagde informatie pas later te kunnen toesturen, heeft de Inspecteur dit verzoek herhaald bij brief van 9 december 2014.

2.5.

Belanghebbende heeft bij brief van 18 december 2014 aan de Inspecteur geschreven dat hij bij brief van 21 november 2014 de gevraagde informatie reeds naar hem had verzonden en dat hij deze informatie bij de brief van 18 december 2014 nogmaals verzond.

2.6.

De Inspecteur heeft bij brief van 27 januari 2015 aan belanghebbende kenbaar gemaakt de informatie van belanghebbende opnieuw niet te hebben ontvangen. Onder de mededeling dat het bezwaarschrift behandeld zou worden op basis van de aanwezige gegevens indien de informatie niet voor 11 februari 2015 zou worden ontvangen, is belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld de informatie aan de Inspecteur toe te zenden. Namens belanghebbende is daarop bij brief, bij de Inspecteur binnengekomen op 10 februari 2015, kenbaar gemaakt dat belanghebbende in het buitenland verblijft en op 16 februari 2015 terug zou zijn en in staat zou zijn om te antwoorden. Vervolgens heeft de Inspecteur op 10 maart 2015 een vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar gedaan, waarin gevraagd is om een schriftelijke reactie voor 25 maart 2015. Omdat de Inspecteur geen reactie heeft ontvangen, heeft hij vervolgens uitspraak op bezwaar gedaan.

2.7.

Op een uitdraai van de "Fiscale Loon Gegevens - Overzicht inkomstenverhoudingen per jaar" van de Belastingdienst is voor het belastingjaar 2011 onder andere het volgende vermeld:

Naam inhoudingsplichtige

Tijdvak

Loonheffing

Loon

Berichtgever

[B] UK LTD

01-01 t/m 31-12

4.283

11.677

UWV

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de Inspecteur bij de aanslagregeling het juiste bedrag aan ingehouden loonheffing heeft verrekend, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

3.2.

Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de bewijslast inzake de hoogte van de ingehouden loonheffing op belanghebbende rust, aangezien deze - naar hij stelt - de bewijsstukken reeds meer dan eens aan de Inspecteur had gezonden.

3.3.

De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd betwist.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de bewijslast ter zake van de door belanghebbende gestelde hogere inhouding van loonheffing op belanghebbende rust. Dat betekent dat belanghebbende tegenover de betwisting door de Inspecteur in beroep en in hoger beroep zijn stelling inzake de hogere loonheffing voor de rechter aannemelijk dient te maken. De rechter beschikt niet over stukken die belanghebbende stelt naar de Inspecteur te hebben gezonden en waarvan de Inspecteur ontkent die te hebben ontvangen. Het lag op de weg van belanghebbende die stukken bij de Rechtbank of bij het Hof in het geding te brengen. Indien wordt uitgegaan van de juistheid van belanghebbendes stelling dat hij de betreffende stukken herhaaldelijk aan de Inspecteur heeft gezonden, moet het ervoor worden gehouden dat hij kopieën van die stukken heeft gemaakt en dat hij, nu hij niet heeft gesteld dat hij niet langer over de originele stukken of kopieën daarvan beschikt, in de gelegenheid was de stukken in het geding te brengen, hetgeen hij echter heeft nagelaten.

4.2.

Belanghebbende heeft noch door overlegging van de beweerdelijk aan de Inspecteur gezonden stukken, noch anderszins aan zijn bewijslast voldaan. Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de onder de feiten weergegeven uitdraai van de "Fiscale Loon Gegevens - Overzicht inkomstenverhoudingen per jaar" van de Belastingdienst. Dit brengt mee dat de Inspecteur bij de aanslagregeling het juiste bedrag aan ingehouden loonheffing heeft verrekend.

4.3.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 15 augustus 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong) (J.W. van Knobelsdorff)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 16 augustus 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.