Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6763

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
28-08-2017
Zaaknummer
200.207.294/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezagsbeëindiging. Aanvaardbare termijn, waarbinnen minderjarige in onzekerheid mag verkeren over de plek waar hij zal opgroeien, is verstreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.207.294/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/417212 / FL RK 16-1171)

beschikking van 1 augustus 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S.J. Nijhof te Apeldoorn,

en

de raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Utrecht,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.


Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Gelderland,

gevestigd te Arnhem,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI,

en

[de pleegouders] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de pleegouders.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 12 oktober 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 10 januari 2017;

- een brief van de raad van 20 februari 2017 inhoudende dat de raad ter zitting verweer zal voeren;

- een journaalbericht van mr. Nijhof van 20 februari 2017 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 26 juni 2017 plaatsgevonden. De moeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad is de heer [C] verschenen. Namens de GI is verschenen mevrouw [D] (jeugdbeschermer). De pleegouders zijn opgeroepen maar niet verschenen.

De heer [C] heeft pleitaantekeningen overgelegd.

2.3

De moeder heeft voor aanvang van de behandeling gevraagd of haar vriend bij de behandeling ter zitting aanwezig mag zijn. Het hof heeft dat verzoek afgewezen. Artikel 803 Rv gaat namelijk bij zaken betreffende het personen- en familierecht in beginsel uit van een behandeling ter zitting met gesloten deuren, hetgeen betekent dat uitsluitend partijen en belanghebbenden daarbij aanwezig mogen zijn, en de vriend van de moeder is geen partij of belanghebbende in deze zaak.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de moeder is geboren [in] 2012 [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ). Tot aan de bestreden beschikking was de moeder belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

3.2

[de minderjarige] staat sinds 31 januari 2013 onder toezicht van de GI. De maatregel is laatstelijk verlengd tot 31 januari 2017. Sinds 1 juli 2013 woont [de minderjarige] in een pleeggezin. De machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg is laatstelijk verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.3

Toen [de minderjarige] zeven maanden oud was is ze tijdelijk geplaatst in het gezin van de pleegouders voor vijf maanden. Van december 2013 tot 7 juni 2016 heeft [de minderjarige] in een ander pleeggezin gewoond, en verbleef ze in de weekenden bij de pleegouders. Daarna is [de minderjarige] weer bij de pleegouders gaan wonen.

3.4

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de moeder over [de minderjarige] beëindigd.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is in hoger beroep gekomen van deze beschikking. De moeder verzoekt het hof de beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het inleidend verzoek van de raad af te wijzen, althans indien het hof zich onvoldoende geïnformeerd acht op grond van artikel 810a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een nader deskundigenonderzoek te gelasten, dan wel een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

4.2

De raad heeft ter zitting verweer gevoerd en verzocht het verzoek in hoger beroep af te wijzen met bekrachtiging van de beschikking.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2

Het hof is op basis van de stukken en het ter zitting verhandelde van oordeel dat aan deze wettelijke vereisten is voldaan, zodat het gezag van de moeder over [de minderjarige] moet worden beëindigd, en overweegt daartoe als volgt.

5.3

Gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind dienen bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop te staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

5.4

In deze zaak ligt het opvoedingsperspectief niet meer bij de moeder. Een thuisplaatsing van [de minderjarige] binnen een voor haar aanvaardbare termijn behoort, hoe graag de moeder dit ook zou willen, niet meer tot de mogelijkheden.

5.5

Er bestaan grote zorgen over [de minderjarige] . Zij vertoont ernstig probleemgedrag. Haar draagkracht is beperkt, omdat zij door gebeurtenissen in de eerste maanden van haar leven beschadigd is. Uit onderzoek van Karakter blijkt dat [de minderjarige] een hechtingsstoornis heeft. Er zijn voorts zorgen om het in toenemende mate externaliserende gedrag van [de minderjarige] . Ze is erg zelfbepalend, overalert en onvoorspelbaar. Speltherapie is in januari 2016 gestart, maar heeft [de minderjarige] niet voldoende geholpen.

Zij heeft traumatherapie nodig. Haar gedrag was vorig jaar dusdanig moeilijk, veeleisend en negatief, dat zij niet langer in het vorige pleeggezin kon blijven. In het huidige pleeggezin gaat ze eens per maand een weekend naar de opvang om het pleeggezin te ontlasten. Uit het vorenstaande blijkt dat [de minderjarige] verzorgers nodig heeft met bovengemiddelde opvoedingsvaardigheden. De moeder kan haar dit niet bieden.

5.6

Het leven van de moeder is instabiel verlopen. De moeder heeft een belast verleden, waardoor hechtingsproblematiek bij haar is ontstaan. Zij heeft een IQ van 75. Er is bij de moeder sprake van psychische instabiliteit en emotieregulatieproblematiek. Moeder kan onvoorspelbaar zijn en heeft stemmingswisselingen. De moeder en [de minderjarige] hebben na de geboorte van [de minderjarige] een half jaar in een moeder-kindhuis verbleven waar de moeder intensief werd ondersteund, maar desondanks kon de moeder de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] niet aan.

5.7

De moeder heeft verklaard dat zij in het kader van het reclasseringscontact dat haar was opgelegd therapie heeft gevolgd en dat haar therapeut heeft aangegeven dat zij geen therapie meer nodig heeft. Bovendien stelt zij dat het opvoedingsklimaat bij haar sterk is verbeterd. Zij heeft een stabiele relatie en haar zoontje [E] , geboren [in] 2016, groeit bij haar thuis op. Het beschermingsbewind van de moeder is sinds september 2015 opgeheven, ze is nog steeds schuldenvrij, gebruikt geen drugs en ze heeft stabiele huisvesting.
Hoe positief het hof deze ontwikkelingen ook acht, zij veranderen niets aan het oordeel dat moeder niet beschikt over de specifieke opvoedingsvaardigheden die [de minderjarige] , met haar ernstige problematiek, vraagt. Overigens is het de vraag of de huidige situatie bij de moeder wel zo stabiel en veilig is als zij stelt, omdat er in 2016 meermalen incidenten van huiselijk geweld zijn geweest. Tot in elk geval drie à vier maanden voor de mondelinge behandeling heeft nog huiselijk geweld tussen de moeder en haar partner plaatsgevonden. Verder is jeugdzorg betrokken geraakt bij [E] .

5.8

De moeder heeft gesteld dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar haar opvoedvaardigheden en wat zij nodig heeft om weer voor [de minderjarige] te kunnen gaan zorgen. Volgens haar is daarom het verzoek tot gezagsbeëindiging prematuur. Het hof stelt vast dat uit de opname in het moeder-kindhuis is gebleken dat moeder over onvoldoende opvoedingsvaardigheden beschikte. Later zou er een gezinsopname in [F] plaatsvinden maar deze opname is niet doorgegaan omdat de moeder haar persoonlijk leven nog niet op orde had gebracht en er nog te weinig stabiliteit was om een thuisplaatsing te kunnen gaan overwegen. In verband met de omgangsregeling tussen de moeder en [de minderjarige] is ook gekeken naar de opvoedvaardigheden van de moeder en daaruit is gebleken dat de moeder weinig gestructureerd, beschikbaar en bereikbaar is.

5.9

Voor zover de moeder heeft willen aangeven dat zij voldoende bereid is om [de minderjarige] in het kader van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing in het pleeggezin waar zij geplaatst is te laten opgroeien, overweegt het hof als volgt.
Indien een ouder blijk geeft van duurzame bereidheid van de ouder(s) om het kind in het pleeggezin waar het verblijft te laten opgroeien dient dat in de beoordeling te worden betrokken, maar staat dat – gelet op het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie – niet (zonder meer) in de weg aan beëindiging van het gezag. [de minderjarige] heeft een bovengemiddelde behoefte aan stabiliteit, voorspelbaarheid en veiligheid, zo blijkt uit het raadsrapport. Uit de ambivalente houding naar haar moeder leidt de raad af dat de rol van de moeder van [de minderjarige] in haar leven voor [de minderjarige] onvoldoende duidelijk is en zij daarover meer duidelijkheid nodig heeft. Het belang van [de minderjarige] bij zekerheid en continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces weegt onder deze omstandigheden naar het oordeel van het hof zwaarder dan het belang bij behoud van het gezag van de moeder.

Daar komt bij dat het hof er niet van overtuigd is dat de moeder daadwerkelijk duurzaam bereid is [de minderjarige] te laten opgroeien bij de pleegouders. De moeder heeft immers de hoop en de wens dat ze zelf weer voor [de minderjarige] kan zorgen en dat [de minderjarige] weer thuis kan komen wonen, ook al hoeft dat voor de moeder niet onmiddellijk. Het belang van [de minderjarige] bij duidelijkheid is gelet op de wens van de moeder des te groter.

5.10

Al met al is de aanvaardbare termijn, waarbinnen [de minderjarige] in onzekerheid mag verkeren over de plek waar zij zal opgroeien, verstreken. Weliswaar heeft de verhuizing van [de minderjarige] een jaar geleden naar het huidige pleeggezin een doorbreking van de hechting met het vorige pleeggezin betekend en voor onrust en onduidelijkheid gezorgd, maar dat verandert niets aan de vaststelling dat zij niet in het gezin van haar moeder zal kunnen opgroeien. Wanneer [de minderjarige] niet verder zou mogen opgroeien in het huidige pleeggezin maar (op termijn) bij haar moeder zou worden geplaatst, zou dat haar hechtingsproces en ontwikkeling (opnieuw) verstoren en daardoor zeer schadelijk voor haar zijn.

5.11

Met betrekking tot het verzoek van de moeder om op grond van artikel 810 a lid 2 Rv een nader onderzoek te gelasten overweegt het hof het volgende.

Art. 810a lid 2 Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.

5.12

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen ziet het hof geen aanleiding voor een nader onderzoek zoals de moeder verzoekt. De uitkomst daarvan kan namelijk niet mede tot beslissing van de zaak leiden. Zelfs al zou uit nader onderzoek naar voren komen dat de moeder (op termijn) in staat is zelf de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen, dan geldt nog dat de voor [de minderjarige] , gelet op haar persoon en haar ontwikkeling, aanvaardbaar te achten termijn als bedoeld in artikel 1:266 lid 1, onder a, BW voorbij is. Hierbij is van belang dat zij viereneenhalf jaar oud is en bijna haar hele leven uit huis geplaatst is en inmiddels alweer één jaar woont bij een gezin dat zij al vier jaar kent en waar ze al die tijd regelmatig verbleven heeft.

5.13

Het voorgaande betekent dat het hof evenals de rechtbank van oordeel is dat het gezag van de moeder over [de minderjarige] dient te worden beëindigd.

5.14

Ten overvloede overweegt het hof dat de beëindiging van het gezag van de moeder niet betekent dat de band tussen [de minderjarige] en de moeder wordt verbroken of dat de moeder geen rol van betekenis meer in het leven van [de minderjarige] heeft. Zij blijft recht hebben op informatie over haar ontwikkeling en recht op contact voor zover het belang van [de minderjarige] zich hiertegen niet verzet.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 12 oktober 2016;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.M. Dölle, E.B.E.M. Rikaart- Gerard en I.A. Vermeulen, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 1 augustus 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.