Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6721

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-08-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
WAHV 200.175.900
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof uit zijn zorgen over dat uit het zaakoverzicht niet blijkt dat de verbalisant een foto heeft gemaakt, hetgeen wel blijkt uit de bijlage bij het door de betrokkene overgelegde brondocument. Het zou de procesvoering ten goede komen indien te allen tijde in het zaakoverzicht de volledige in het brondocument opgenomen verklaring van de verbalisant wordt opgenomen en dat in voorkomende gevallen tevens wordt vermeld dat er een foto is

gemaakt.

Hinderlijk parkeren. Voor de betrokkene had duidelijk moeten zijn dat zij op de betreffende locatie niet mocht parkeren, maar niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene door aldus te parkeren redelijkerwijs hinder heeft kunnen veroorzaken. Het hof vernietigt de sanctiebeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 200.175.900

4 augustus 2017

CJIB 170750091

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland

van 19 juni 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] ,

kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard en het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 130,- opgelegd ter zake van “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”, welke gedraging zou zijn verricht op 14 maart 2013 om 10:54 uur op de Molenwal te Zaltbommel met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De kantonrechter heeft onder andere overwogen: "Onvoldoende is komen vast te staan of de situatie op de foto (toevoeging hof: van de betrokkene) was zoals die door de verbalisant op het pleegtijdstip is vastgesteld. De kantonrechter heeft dan ook onvoldoende reden om aan de op ambtsbelofte opgemaakte verklaring van de verbalisant te twijfelen. Het staat dan ook voldoende vast dat de gedraging is verricht. Er is terecht een sanctie opgelegd."

3. De gemachtigde van de betrokkene kan zich niet verenigen met de eerste zin van voormelde overweging van de kantonrechter. Ter onderbouwing dat de situatie op de foto van de betrokkene de door de verbalisant waargenomen situatie betrof, zijn in hoger beroep meer foto's van de betrokkene overgelegd alsmede de door de verbalisant gemaakte foto. Verder is het volgende aangevoerd. Op de parkeerplaats ontbreekt elk bord over hoe er geparkeerd dient te worden. Ook ontbreken gemarkeerde vakken en p-tegels. Ten tijde van het parkeren was het donker en lag er sneeuw. De betrokkene heeft ook daardoor geen parkeervakken kunnen onderscheiden. De plek waar de auto stond was ook niet voorzien van een wit kruis of de letters NP en was echt ruim genoeg voor haar wat kleinere auto. Later heeft de betrokkene wel ontdekt dat haar auto op andere bestrating geparkeerd stond dan de auto links en rechts van de hare. Betrokkene stond op voldoende afstand van de trap geparkeerd en heeft niet hinderlijk geparkeerd zodat de beschikking dient te worden vernietigd.

4. De onder 1 vermelde gedraging betreft een overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW1994), dat luidt:

"Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd."

5. In WAHV-zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

6. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“Gedragingsgegevens: ik verbalisant zag dit motorvoertuig geparkeerd stond op een doorgang dat voor voetgangers bedoeld was. Het motorvoertuig stond dusdanig geparkeerd dat het voor voetgangers zeer hinderlijk was hier langs te lopen.”

7. De gemachtigde van de betrokkene heeft in hoger beroep een kopie overgelegd van een brondocument, zijnde een op 14 maart 2013 om 10:56 uur door de verbalisant gemaakte foto van de gedraging. Het hof maakt zich er zorgen over dat uit het zaakoverzicht niet blijkt dat de verbalisant ook een foto van de gedraging heeft gemaakt. Het komt de procesvoering ten goede indien te allen tijde in het zaakoverzicht de volledige in het brondocument opgenomen verklaring van de verbalisant wordt opgenomen en dat in voorkomende gevallen tevens wordt vermeld dat er een foto is gemaakt. In deze zaak heeft de kantonrechter, en mogelijk ook de officier van justitie, bij de beoordeling van het beroep geen acht kunnen slaan op deze foto. Dat heeft geleid tot de hiervoor onder 2 vermelde overweging van de kantonrechter.

8. De foto's van de betrokkene en de foto van de verbalisant geven voor wat betreft de plaats waar de betrokkene haar auto had geparkeerd dezelfde situatie weer. Op deze foto's is het volgende te zien. Er staan auto's geparkeerd op twee in hoogte verschillende niveaus, die ten behoeve van voetgangers zijn verbonden met een brede trap met leuning. De auto van de betrokkene, een Opel Agila, staat op een rechthoekig vlak, bestraat met klinkers. Dit vlak is ongeveer net zo breed als de trap en loopt in de lengte van de onderste traptrede tot aan het met klinkers in visgraatmotief bestrate en voor rijdende voertuigen bestemde deel. Zowel links als rechts van deze rechthoek staat een auto geparkeerd op zogenaamde kinderkopjes. Op een van de foto's van de betrokkene is te zien dat de kinderkopjes links van haar auto een langere strook beslaan die parallel loopt aan het voor de rijdende voertuigen bestemde deel. Er is daar geen sprake van voor afzonderlijke voertuigen gemarkeerde parkeerplaatsen. Verder is op de foto van de verbalisant te zien dat de drie auto's met de voorzijde in de richting van de verhoging en trap geparkeerd staan en dat de Opel ongeveer één wiellengte verder naar achteren geparkeerd staat ten opzichte van de auto's aan weerszijden ervan. Ook is daarop te zien dat aan weerszijden tussen de auto van de betrokkene en de ernaast geparkeerde auto voldoende afstand over is voor een passerende voetganger, rechts wat meer dan links. Op de foto van de verbalisant staat de Opel voor de trap maar is niet te zien hoeveel ruimte zich tussen trap en de voorzijde van de auto bevindt. De verbalisant verklaart daarover ook niets. Op de door de betrokkene overgelegde foto is te zien dat die afstand ongeveer een meter bedraagt.

9. Vooropgesteld wordt dat van weggebruikers mag worden verwacht dat zij zich er eventueel na het parkeren van vergewissen of parkeren op de betreffende plaats voor hen toegestaan is. Dit kan meebrengen dat sneeuw moet worden verwijderd. Het hof is op grond van de foto's van oordeel dat nu het vlak waarop de auto van de betrokkene geparkeerd stond voor een trap ligt en afwijkend bestraat is, het voor de betrokkene, ook bij gebreke van enige nadere aanduiding hoe ter plaatse te parkeren, duidelijk had moeten zijn dat het hier geen parkeervak betreft en dat het dus niet de bedoeling is dat zij haar auto hier parkeert. In aanmerking genomen dat de ruimte die aan de zijkanten van de auto en de voorzijde bij de trap over bleef voldoende kan worden geacht voor voetgangers die de trap kunnen en willen gebruiken, kan naar het oordeel van het hof echter niet worden vastgesteld dat de betrokkene door aldus te parkeren redelijkerwijs hinder heeft kunnen veroorzaken.

10. Nu niet kan worden vastgesteld dat de betrokkene de gedraging heeft verricht, zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen, en met gegrondverklaring van het beroep daartegen, ook de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigen.

11. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Naar het oordeel van het hof komen de gevraagde kosten voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende voor vergoeding in aanmerking komende proceshandelingen verricht: het indienen van het administratief beroepschrift, het indienen van het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie en het indienen van het hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift dient telkens één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 490,- (hoger beroep ingesteld in 2015). Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 735,- (= 3 x € 490,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond en vernietigt de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 170750091 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de WAHV tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan haar wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 735,-, te betalen aan de gemachtigde door overboeking op bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [naam] te [plaats] .

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.