Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6703

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-08-2017
Datum publicatie
24-08-2017
Zaaknummer
200.215.712
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.

Door ontbreken inzicht in inkomsten- en uitgavenpatroon tijdens vijfjaarstermijn niet na te gaan of de ten behoeve van eigen onderneming en onderneming van vader gepleegde investeringen te goeder trouw zijn aangegaan. Geen toelating tot de schuldsaneringsregeling op grond van de hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.215.712

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 198257)

arrest van 3 augustus 2017

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,
hierna: [appellant] ,

advocaat: aanvankelijk mr. S.T.V. Le, thans mr. Y.L. Chan.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van 8 mei 2017 heeft de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar dat vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 12 mei 2017 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, haar toe te laten tot de wettelijke schuldsanerings-regeling.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met één bijlage, alsmede van de met de door mr. Le op 15 juni 2017 en mr. Chan op 20 juli 2017 ingediende V6 formulieren meegezonden producties.

2.3

De mondelinge behandeling die aanvankelijk was vastgesteld op 26 juni 2017, maar op verzoek van [appellant] is aangehouden, heeft plaatsgevonden op 27 juli 2017, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Chan.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken.
[appellant] , geboren op [geboortedatum] , heeft een opleiding gevolgd tot pedagogisch medewerker niveau 3, welke opleiding zij in juni 2014 heeft afgerond.
Nadat zij ongeveer anderhalf jaar in de horeca werkzaam was geweest, heeft zij enige tijd in de te Lichtenvoorde gevestigde onderneming van haar vader gewerkt. Op 1 januari 2014 heeft [appellant] deze onderneming overgenomen. In mei 2014 is [appellant] betrokken geweest bij een auto-ongeval. [appellant] heeft haar onderneming medio juni 2014 beëindigd.
Na de beëindiging van haar onderneming lukte het [appellant] naar eigen zeggen niet (direct) om aan betaald werk te komen. Zij heeft in die periode overwogen om een onderneming in Apeldoorn te gaan exploiteren. Volgens de verklaring van [appellant] heeft zij na een gesprek met haar boekhouder daarvan afgezien en heeft geen inschrijving van deze onderneming in de Kamer van Koophandel plaatsgevonden, terwijl zij wel reeds een huurcontract en een overnamecontract had getekend. Vervolgens is haar vader deze onderneming gestart en is [appellant] in de onderneming van haar vader gaan werken. Het met [naam verhuurder] (hierna: [verhuurder] ) ten behoeve van die onderneming afgesloten huurcontract is zowel op naam van [appellant] als op naam van haar vader gesteld. [verhuurder] heeft na de beëindiging van de onderneming van haar vader [appellant] aangesproken op nakoming van de uit dat contract voortvloeiende (betalings-)verplichtingen.
Na het volgen van een opleiding op 26 en 27 juni 2017 bij een uitzendbureau ( [naam uitzendbureau] ), hebben [appellant] en [naam uitzendbureau] met ingang van 28 juni 2017 een arbeidsovereenkomst gesloten, waarbij [appellant] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (drie maanden, tot
28 september 2017) gedurende tenminste 20 uur per week en ten hoogste 40 uur per week werkzaam zal zijn.

3.2

De schuldenlast van [appellant] bedraagt volgens de bij de Verzoekschrift Wsnp ex art. 284 Fw van 15 februari 2017 gevoegde crediteurenlijst in totaal € 82.183,69. In het op bladzijde 1 onder het kopje ‘De beoordeling’ van het vonnis van de rechtbank wordt bij punt 3 vermeld dat uit een nader door [appellant] overgelegd schuldenoverzicht is gebleken van een totale schuldenlast van € 103.606,13.
Uitgaande van laatstgenoemd schuldenoverzicht, dat in afwijking van hetgeen de rechtbank in haar vonnis heeft vastgesteld op een hoger schuldbedrag sluit, namelijk op € 125.413,43, heeft [appellant] onder meer de volgende schulden:
- een schuld aan ING Bank van € 33.826,21 (ontstaan op 1 augustus 2013);
- een schuld aan M.A. Chaudry van € 27.922,73 (ontstaan op 25 juli 2014);
- een schuld aan Wehkamp van € 4.827,05 (ontstaan op 1 januari 2013);
- een schuld aan [verhuurder] van € 14.750,32 (ontstaan op 1 januari 2016);
- een schuld aan Tele2 van € 2.649,- (ontstaan op 1 januari 2016) en
- een schuld aan DUO van € 22.956,31 (ontstaan op 1 januari 2011).

3.3

De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat niet aannemelijk is geworden dat [appellant] in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest bij het doen ontstaan van een groot deel van haar schuldenlast. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

De ter zitting door [appellant] afgelegde verklaring was onsamenhangend en onduidelijk en komt in ieder geval niet overeen met de door [appellant] bij haar verzoekschrift overgelegde schriftelijke verklaring over het ontstaan van haar schulden. In die schriftelijke verklaring wordt de vader van [appellant] in het geheel niet genoemd, terwijl uit de verklaring ter zitting van [appellant] naar voren komt dat een zeer groot deel van de schuldenlast bestaat uit leningen die zij ten behoeve van - en betalingsverplichtingen die zij samen met haar vader is aangegaan. In dit verband heeft de rechtbank gewezen op de schulden aan ING en Wehkamp, die naar [appellant] thans heeft verklaard, leningen betreffen die zij in 2013 ten behoeve van haar vader is aangegaan. Ook de perikelen rond de aanschaf van de onderneming te Apeldoorn, die (uiteindelijk) door haar vader is gedreven, komt niet in de schriftelijke verklaring van [appellant] voor, terwijl ter zitting is gebleken dat een aanzienlijk aandeel van de schuldenlast ook op die aanschaf betrekking heeft.
Daarbij heeft de rechtbank nog opgemerkt dat onduidelijk is gebleven of de schuld aan Chaudry betrekking heeft op de onderneming te Lichtenvoorde of op de onderneming te Apeldoorn.

Gelet op de wijze waarop de schuldenlast tot stand is gekomen, heeft de rechtbank de overtuiging gekregen dat [appellant] zeer onzorgvuldig met de belangen van schuldeisers is omgegaan, hetgeen haar te kwader trouw maakt bij het ontstaan van haar schulden. Dat [appellant] na korte tijd met de onderneming in Lichtenvoorde is gestopt om, zoals zij stelt, de schulden niet te laten oplopen, maakt dit niet anders omdat [appellant] daarna opnieuw forse betalingsverplichtingen is aangegaan voor de Apeldoornse onderneming, aldus de rechtbank.

Ten slotte heeft de rechtbank ambtshalve overwogen dat [appellant] indien zij een beroep zou hebben gedaan op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 288 lid 3 van de Faillissementswet (hierna: Fw) zij op grond daarvan niet tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zou zijn toegelaten.
3.4 Het hof stelt voorop dat het op grond van het bepaalde in artikel 288 lid 1 onder b Fw aan [appellant] is aannemelijk te maken dat zij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop haar verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. [appellant] dient om die reden aan de hand van stukken inzichtelijk te maken welke schulden er zijn, aan wie deze zijn verschuldigd, hoe hoog deze schulden (exact) zijn, wanneer deze zijn ontstaan en wat de ontstaansredenen van die schulden zijn. Meer in het bijzonder geldt hier dat bij de beoordeling van het onderhavige verzoek (dat op 15 februari 2017 door [appellant] is voorzien van haar handtekening) de verantwoordelijkheid voor een in alle opzichten correcte en actuele schuldenlijst op de schuldenaar rust. Indien deze lijst, zoals in het onderhavige geval, de nodige vragen oproept, is het aan de schuldenaar om daar helderheid over te verschaffen.

3.5

Om haar goede trouw aannemelijk te maken is tenminste nodig dat [appellant] het hof inzicht geeft in haar inkomsten- en uitgavenpatroon gedurende - in elk geval - de laatste vijf jaren voorafgaand aan haar verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. [appellant] heeft dit inzicht niet, althans volstrekt onvoldoende, gegeven. Hierbij neemt het hof allereerst in aanmerking dat [appellant] geen aangiften (en aanslagen) inkomstenbelasting heeft overgelegd. Met betrekking tot de (kortdurende) door haar gedreven onderneming te Lichtenvoorde en de te Apeldoorn gevestigde onderneming van haar vader, in welke laatste onderneming zij substantiële bedragen heeft geïnvesteerd, heeft [appellant] voorts nagelaten het hof te voorzien van jaarstukken of andere verifieerbare gegevens zoals een ondernemingsplan en een kosten-batenanalyse. Dergelijke gegevens zijn naar het oordeel van het hof essentieel om te kunnen beoordelen of de door [appellant] ter ondersteuning van de volgens haar zeggen met achterstanden kampende onderneming van haar vader aangegane betalingsverplichtingen bij onder meer ING Bank en Wehkamp verantwoord zijn geweest. Dat geldt met name ook omdat sommige schulden ruim voor de start van de onderneming in Lichtenvoorde zijn aangegaan en [appellant] daarvoor geen afdoende verklaring had, anders dan dat haar vader een periode haar maandelijks een deel heeft proberen terug te betalen.
De enkele in dit kader door [appellant] geponeerde stelling dat zij ten tijde van de door haar gemaakte keuzes maandelijks ongeveer € 1.400,- à € 1.500,- netto verdiende en daarmee in staat was de aan het krediet bij ING Bank verbonden maandlast van € 500,- te voldoen, kan zonder bevestigende documentatie daarvan niet slagen. Bovendien neemt dat niet weg het gegeven dat deze schuld ook thans nog zeer omvangrijk is. Ook blijkt uit de wel overgelegde stukken dat een substantieel deel van de door [appellant] (toen nog student) afgesloten lening bij ING Bank gebruikt is voor het aflossen van een schuld aan een familielid in Turkije.

Ondanks de reeds zeer substantiële schuldenpositie heeft [appellant] opnieuw substantiële schulden laten ontstaan bij respectievelijk Chaudry en [verhuurder] in verband met de voorgenomen overname van de onderneming in Apeldoorn. Ook hierbij kan worden geconcludeerd dat [appellant] onvoldoende inzicht had in de financiële consequenties van de keuzes die zij maakte, terwijl hiervoor reeds alle aanleiding was.

3.6

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat inzicht in de goede trouw van [appellant] bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden, in het bijzonder de schulden die verband houden met haar eigen onderneming en de onderneming van haar vader, geheel ontbreekt. Hierdoor kan het hof de toets van de schulden van [appellant] aan het bepaalde in artikel 288 lid 1, aanhef en onder b Fw niet uitvoeren. Reeds daarom heeft [appellant] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. Het hof komt gelet hierop niet toe aan de beoordeling van het beroep dat [appellant] in haar beroepschrift heeft gedaan op de in lid 3 van artikel 288 Fw bedoelde hardheidsclausule, omdat voor deze beoordeling onder meer moet kunnen worden vastgesteld op welk(e) moment(en) en onder invloed van welke omstandigheden de schulden zijn ontstaan. Hieraan heeft het in hoger beroep, zoals reeds is overwogen, ontbroken.

3.7

Het hoger beroep faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 8 mei 2017.

Dit arrest is gewezen door mrs. H. Wammes, L.M. Croes en Ch.E. Bethlem, en is op
3 augustus 2017 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.