Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6702

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-08-2017
Datum publicatie
07-08-2017
Zaaknummer
200.211.079/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WWZ. Opzegging arbeidsovereenkomst.

Heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst schriftelijk opgezegd, nadat haar loondoorbetalingsverplichting bij ziekte was geëindigd?

Het hof is van oordeel dat de brief waar de werkneemster zich daarvoor op beroept geen (duidelijke) opzegging van de arbeidsovereenkomst inhoudt.

In het licht van de feiten en omstandigheden van het geval had werkneemster de brief redelijkerwijs ook niet wél kunnen opvatten als een opzegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0997

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.211.079

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen 5406358 en 5406339 )

beschikking van 3 augustus 2017

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,
in eerste aanleg: verzoekster,

hierna: [verzoekster],

advocaat: mr. R.A. Severijn,

tegen

de stichting

Stichting COP,

gevestigd te Groningen,

verweerster in hoger beroep,
in eerste aanleg: verweerster,

hierna: COP,

advocaat: mr. J.M. de Nooij.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen) van 6 december 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- het beroepschrift met producties ter griffie ontvangen op 3 maart 2017;

- het verweerschrift met producties;

- de op 16 juni 2017 mondelinge behandeling, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

2.2

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof beschikking bepaald op

14 augustus 2017 of zoveel eerder als mogelijk is.

2.3

[verzoekster] heeft in haar hoger beroepschrift verzocht de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en bij beschikking,voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, COP te veroordelen tot hetgeen in het verzoekschrift in eerste aanleg is verzocht en COP te veroordelen in de kosten van het geding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

3 De feiten

In hoger beroep staan de volgende feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, vast.

3.1

COP is een stichting die zich bezighoudt met kinderopvang, kinderdagverblijven,

peuterspeelzalen en buitenschoolse opvang.

3.2

[verzoekster] , geboren [in] 1954, is [in] 1996 in dienst getreden bij COP, in

de functie van laatstelijk pedagogisch medewerker, met een salaris van € 1.730,00 bruto per

maand bij 24 uren per week.

3.3

Reeds bij indiensttreding ontving [verzoekster] een WAO-uitkering. Met ingang van 15 februari 2007 is deze uitkering vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidspercentage van
15-25%.

3.4

Per 7 augustus 2014 heeft [verzoekster] zich ziekgemeld. Zij is nadien onafgebroken ziek gebleven. COP heeft aan haar verplichtingen op grond van de Wet verbetering Poortwachter voldaan en gedurende de gehele periode van 104 weken arbeidsongeschiktheid (zelf) het volledige loon doorbetaald.

3.5

Op 4 november 2015 schrijft [verzoekster] in een e-mail aan COP dat zij

“toch nog weer even over de vakantiedagen” begint. In de mail schrijft zij dat ze niet inziet hoe zij haar vakantiedagen (ooit) nog op kan nemen en vraagt zij of “het handig en verstandig [is] om het te laten uit betalen, gedeeltelijk of geheel”.

COP, in de persoon van mevrouw [B] (hierna: [B] ), heeft daarop per e-mail het volgende bericht:
“Het is niet gebruikelijk om vakantiedagen uit te laten betalen als nog niet duidelijk is wat er gaat gebeuren. Het zou kunnen zijn dat je een gedeelte nog op kunt nemen. Vakantiedagen worden in de regel pas uitbetaald als duidelijk is dat deze niet meer opgenomen worden, bijvoorbeeld als een medewerker na twee jaar ziek uit dienst gaat. Dit is dus nog niet aan de orde”.
3.6 Het UWV heeft de WAO-uitkering van [verzoekster] per 4 augustus 2016 verhoogd en vastgesteld op 80-100%. Bericht hierover heeft COP begin juli 2016 van het UWV ontvangen.

3.7

Op 10 juli 2016 heeft [verzoekster] aan [B] per e-mail het volgende

gevraagd:

“Volgens het UWV hoefde ik nu niets meer te doen want de werkgever is aan zet?

Ik check het toch maar even of dit klopt en vervolgens wat gaat er dan gebeuren?

En moet ik bijv. de loonheffingskorting nu overhevelen naar de WAO en het

pensioenfonds inlichten?”

3.8

[B] heeft [verzoekster] bij e-mail van 12 juli 2016 het volgende geantwoord:

“Wij hebben bericht gekregen van het UWV dat je met ingang van 4 augustus een

verhoging van je WAO ontvangt van het UWV. Dit betekent dat wij vanaf 4 augustus

je loondoorbetaling stoppen en je een afrekening krijgt van je vakantiedagen en

vakantiegeld. Het is inderdaad zaak dat je de loonheffingskorting overhevelt naar

UWV. Het pensioenfonds wordt door ons ingelicht, wij geven dit door middels een

WAO formulier.”

3.9

Op 1 augustus 2016 heeft [verzoekster] [B] opnieuw gemaild:

“Ik had nog een vraag gestuurd en geen antwoord gekregen?
Het is zo 4 augustus en ik heb nog niets op schrift thuis gestuurd gehad over de afhandeling tussen COP en mij.”

3.10

Bij brief van 3 augustus 2016 heeft de heer [C] (hierna: [C] ), directeur van COP, in een brief met als onderwerp: “verhoging WAO-uitkering naar 80-100%”, het volgende aan [verzoekster] geschreven:

“Met ingang van 4 augustus 2016 wordt je WAO-uitkering verhoogd en gebaseerd op

een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Het re-integratietraject komt

hiermee te vervaÏlen. Wij verwachten dan geen inspanningen meer om weer terug

aan het werk te gaan.

Om alle financiële verplichtingen na te komen, zullen we een eindafrekening maken

van je tegoed aan vakantiedagen. Hierna hebben wij over en weer niets meer van

elkaar te vorderen en verlenen elkaar finale kwijting.


Wij verzoeken je eventuele bedrijfseigendommen aan ons te retourneren. Wanneer jij

zelf nog spullen op je locatie hebt liggen, kun je contact opnemen met je

leidinggevende om deze op te komen halen.

Wij wensen jou en je gezin het beste voor de toekomst.”

3.11

Het loon en de vakantiedagen zijn daarop aan [verzoekster] uitbetaald. Bij brief van

3 augustus 2016 is tevens de daarbij horende loonstrook aan haar toegezonden.

3.12

Op 26 augustus 2016 is -bij vergissing- het salaris over de volledige maand augustus

2016 aan [verzoekster] voldaan. [verzoekster] heeft daarover in september 2016 verschillende malen telefonisch en per e-mail contact gehad met de salarisadministrateur van COP, mevrouw [D] (hierna: [D] ). Naar aanleiding daarvan heeft [verzoekster] een bedrag van € 665,14 terugbetaald wegens teveel betaald salaris. [D] schrijft [verzoekster] na de ontvangst van die terugbetaling in een e-mail van 23 september 2016 onder meer het volgende:
“Zojuist heb ik van de afdeling boekhouding vernomen dat je het bedrag hebt teruggestort.
Bedankt voor je medewerking en uiteraard voor je oplettendheid bij deze fout.
Verder heb ik met onze salarisadministrateur gebeld of er niet een strook over de maand september zou moeten komen, maar aangezien je een “slapend dienstverband” hebt per september zal hier geen strook meer nodig zijn. (…)”

4 De verzoeken aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan

4.1

[verzoekster] heeft de kantonrechter verzocht om toekenning van:
a.) een billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 BW, omdat de opzegging is gedaan in strijd met artikel 7:671 BW;
b.) een transitievergoeding van € 27.403,20 bruto, op grond van artikel 7:673 BW, nu de arbeidsovereenkomst meer dan 24 maanden heeft geduurd en door de werkgever is beëindigd;
c.) een vergoeding van € 3.460,00 bruto wegens onregelmatige opzegging, omdat COP de arbeidsovereenkomst bij brief van 3 augustus 2016 per 4 augustus 2016 heeft opgezegd, terwijl een opzegtermijn van twee maanden (later beperkt tot 1 maand) geldt.

4.2

COP heeft afwijzing van de verzoeken bepleit.

4.3

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking de verzoeken afgewezen en de proceskosten gecompenseerd. De kantonrechter heeft overwogen dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet door COP is opgezegd, waarmee de verzoeken niet voor toewijzing in aanmerking komen.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1

[verzoekster] is van de bestreden beschikking in hoger beroep gekomen onder aanvoering van vijf gronden (genummerd I tot en met V en door [verzoekster] grieven genoemd, welke terminologie het hof zal volgen).
In de grieven I tot en met III keert [verzoekster] zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat geen opzegging heeft plaatsgevonden. Gief IV bouwt voort op de grieven I tot en met III en is gericht tegen de afwijzing door de kantonrechter van de verzoeken om toekenning van een transitievergoeding, een billijke vergoeding en een schadevergoeding wegens onregelmatig ontslag. Grief V tenslotte strekt tot veroordeling van COP in de proceskosten.

5.2

De grieven I tot en met III beogen de vraag of er een opzegging heeft plaatsgevonden door COP van de arbeidsovereenkomst tussen partijen in volle omvang aan het hof voor te leggen.

5.3

Bij de beantwoording van die vraag staat centraal de brief van COP aan [verzoekster] van 3 augustus 2016 (zie 3.10): heeft die brief te gelden als een opzegging?
Het hof stelt voorop dat een opzegging een eenzijdige wilsuiting is, gericht op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, die, om haar werking te kunnen hebben, de wederpartij bereikt moet hebben. Niet in geschil is dat de brief van COP van 3 augustus 2016 [verzoekster] heeft bereikt, zodat het er hier om gaat of die brief was gericht op de opzegging van de arbeidsovereenkomst.

COP heeft gemotiveerd betoogd dat haar wil daar niet op was gericht; volgens COP wilde zij alleen de vakantiedagen afrekenen en wilde zij voor het overige het dienstverband “slapend” houden.

[verzoekster] heeft daartegenover gemotiveerd betoogd dat zij de brief wel heeft opgevat als een opzegging.

5.4

Het hof stelt vast dat in de brief de woorden “opzegging” en/of “beëindiging”, althans equivalenten daarvan, niet voorkomen. Van een op de opzegging van de arbeidsovereenkomst gerichte (duidelijke) wilsuiting van COP is naar het oordeel van het hof aldus geen sprake geweest. Het hof is verder onvoldoende gebleken van aanknopingspunten om niettemin aan te nemen dat COP, anders dan zij zegt, met die brief wel heeft beoogd om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Daarmee komt het er op aan of [verzoekster] in de omstandigheden van het geval de brief redelijkerwijs wél heeft mogen opvatten als een opzegging. In dat geval kan zich de situatie voordoen dat COP zich er tegenover [verzoekster] niet op kan beroepen dat zij niet de wil heeft gehad om de arbeidsovereenkomst op te zeggen (vgl. artikel 3:35 BW).
Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. Het volgende wordt in dat verband overwogen.

5.5

[verzoekster] heeft bevestigd dat voorafgaand aan de brief noch in vervolg op de brief COP ooit aan haar heeft meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst zou worden beëindigd of was beëindigd. In de brief wordt ook niet een einddatum van de arbeidsovereenkomst genoemd. Ook de salarisstrook met de afrekening van de vakantiedagen vermeldt niet een datum van uitdiensttreding. De abusievelijke betaling van het loon over de maand augustus (zie 3.12) -de loondoorbetalingsverplichting van COP was op 4, althans
7 augustus 2016 geëindigd door de toekenning van een volledige WAO-uitkering, althans door het verstrijken van de 104 weken arbeidsongeschiktheid-, wijst er verder op dat het dienstverband door COP ook niet als beëindigd was geadministreerd.

5.6

[verzoekster] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat voordat zij de brief van 3 augustus 2016 en de afrekening van de vakantiedagen ontving, zij van het FNV had vernomen dat zij bij beëindiging van het dienstverband aanspraak had op een transitievergoeding en dat zij erop moest letten of in de afrekening ook de transitievergoeding zou zijn opgenomen. Vast staat dat in de afrekening geen transitievergoeding was opgenomen.

5.7

[verzoekster] heeft tijdens de zitting verklaard zij in de eerste of tweede week van augustus 2016 van de FNV had vernomen over het bestaan van “slapende” dienstverbanden.
In haar e-mail van 23 september 2016 (zie 3.12) schrijft [D] aan [verzoekster] naar aanleiding van de ontvangst van het teruggestorte salaris over de maand augustus dat haar dienstverband “slapend” is.

5.8

In het licht van deze feiten en omstandigheden, gevoegd bij het ontbreken in de brief van 3 augustus 2016 van woorden als “opzegging’ en/of “beëindiging”, is het hof van oordeel dat [verzoekster] de brief redelijkerwijs niet heeft kunnen opvatten als een opzegging, maar had kunnen begrijpen dat COP, nu haar loondoorbetalingsverplichting was geëindigd, met die brief alleen beoogde om te komen tot een afrekening van de vakantiedagen, zoals eerder door [verzoekster] ook was verzocht.

5.9

Aan dit oordeel doet niet af dat de brief van 3 augustus 2016 spreekt over “finale kwijting”. Die passage staat in de alinea over de afrekening van de vakantiedagen, zodat [verzoekster] , zonder nadere toelichting, die ontbreekt, redelijkerwijs niet had mogen begrijpen dat deze passage op meer zag dan op de afrekening van de vakantiedagen.
Ook doet daaraan niet af dat [verzoekster] het beste voor de toekomst wordt gewenst. Het lag op dat moment immers niet in de rede dat [verzoekster] haar werkzaamheden voor COP nog zou hervatten. Evenmin geeft aanleiding voor een ander oordeel dat COP in haar e-mail van 4 november 2015 (zie hiervoor onder 3.5) schrijft dat vakantiedagen pas worden uitbetaald “als duidelijk is dat deze niet meer opgenomen worden, bijvoorbeeld als een medewerker na twee jaar ziek uit dienst gaat”. Die e-mail dateert van bijna een jaar voor de brief van 3 augustus 2016. Verder is de inhoud van die e-mail ook niet zodanig toegesneden op de situatie per
3 augustus 2016 dat [verzoekster] de brief van 3 augustus 2016 redelijkerwijs nog mocht interpreteren aan de hand van die e-mail.
Tenslotte vormt de omstandigheid dat de inhoud van de brief van 3 augustus 2016 grotendeels overeenkomt met wat [verzoekster] eerder al per e-mail op 12 juli 2016 was bericht door [B] (zie 3.8), onvoldoende grond om, zoals [verzoekster] heeft bepleit, aan te nemen dat de brief van 3 augustus 2016 is bedoeld als een aanvulling die strekt tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

5.10

Dat COP in de periode waarin zij haar brief van 3 augustus 2016 aan [verzoekster] schreef ook van plan was het dienstverband slapend te houden, zoals zij ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft aangevoerd, maar dit niet met zoveel woorden in haar brief van 3 augustus 2016 heeft vermeld, betekent niet dat [verzoekster] deze brief op die grond als een opzegging mocht opvatten.
De grieven I tot en met III falen derhalve.

5.11

Het falen van de grieven I tot en met III impliceert tevens dat de daarop voortbouwende grieven IVen V eveneens falen. De verzoeken van [verzoekster] moeten worden afgewezen. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

5.12

Het hof zal [verzoekster] als de overwegend in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. COP heeft in randnummer 115 van haar verweerschrift vermeld dat de compensatie van de proceskosten in eerste aanleg door de kantonrechter juist is geweest.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van COP zullen tot aan deze beschikking worden vastgesteld op € 716,- voor griffierecht en op € 1.788,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten, tarief II in hoger beroep).

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen) van 6 december 2016;

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze beschikking aan de zijde van COP vastgesteld op € 716,- voor griffierecht en op € 1.788,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

wijst af wat meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. O.E. Mulder, P.L.R. Wefers Bettink en

E.B. Knottnerus en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
3 augustus 2017.