Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6599

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
WAHV 200.199.487
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hinderlijk parkeren. Doorgang ruim genoeg om de meeste voertuigen te laten passeren, maar bus kon niet ongehinderd passeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 200.199.487

1 augustus 2017

CJIB 193926729

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland

van 19 augustus 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

Van de advocaat-generaal is op 28 juni 2017 een verweerschrift ontvangen. Dit verweerschrift is ter kennisgeving aan de betrokkene toegezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van 18 juli 2017. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. M.F. Alting.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 140,- opgelegd ter zake van “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”, welke gedraging zou zijn verricht op 7 november 2015 om 14.50 uur op het Boterdiep te Groningen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De betrokkene bestrijdt dat er sprake was van hinder. De auto stond geparkeerd op het Boterdiep. Bij het verlaten van de auto heeft hij de inschatting gemaakt dat zijn auto niemand in de weg stond. De gelede bus had naar het oordeel van de betrokkene gemakkelijk kunnen passeren. Naar mening van de betrokkene is de buschauffeur onwillig geweest, omdat hij niet de moeite heeft genomen om twee voetstukken bestemd voor bebording van de rijbaan te halen waardoor hij waarschijnlijk wel de draai met de bus had kunnen maken.

3. De gedraging betreft een overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW1994), dat luidt: "Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.". Het hof merkt hierbij op dat bij de beoordeling van de vraag of er sprake was van gevaar of hinder moet worden uitgegaan van alle soorten verkeer, waaronder ook grote voertuigen, zoals in de onderhavige zaak aan de orde, een gelede bus.

4. In WAHV-zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

5. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in: “Ik zag een file op het Boterdiep in Groningen. Ik ben via de nieuwe Ebbingestraat naar de voorkant van de file gereden. Ik zag een gelede bus van Arriva stil staan. Ik zag dat de doorgang voor het verkeer door genoemd voertuig versperd werd. Eventuele foto is beschikbaar.”. De foto is opgevraagd door de officier van justitie en aan de stukken van het dossier toegevoegd.

6. Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of de betrokkene zijn voertuig zodanig op de weg heeft laten staan dat hinder is veroorzaakt dan wel kon worden veroorzaakt. Ter plaatse is geen parkeerverbodsbord aanwezig. Hieruit volgt dat parkeren derhalve in beginsel is toegestaan, mits niet wordt gehandeld in strijd met het algemene verbod van artikel 5 WVW 1994. Uit de ambtsedige verklaring van de verbalisant met bijgevoegde foto blijkt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat het neerzetten van de auto ter plaatse hinder voor het overige verkeer heeft opgeleverd. Het hof stelt vast dat de betrokkene zijn voertuig heeft geparkeerd langs de stoep, vlak na een gedeeltelijke afzetting van de andere kant van de rijbaan. Op zichzelf is de doorgang op de locatie waarop het voertuig stond ruim genoeg om de meeste voertuigen te laten passeren. Uit de foto blijkt echter dat de gelede bus de draai om de afzetting niet meer kon maken doordat het voertuig van de betrokkene vlak na de afzetting op de rijbaan geparkeerd stond. Van de buschauffeur hoefde in de onderhavige situatie niet te worden gevergd dat hij zou uitstappen om de voetstukken op de weg aan de kant te schuiven, om vervolgens alsnog te proberen de gelede bus om de afzetting te manoeuvreren. Naar de overtuiging van het hof is aldus komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

7. Het hof zal gelet op het voorgaande de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Stoop als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.