Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6579

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
30-10-2017
Zaaknummer
200.189.005
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ambtshalve toetsing algemene voorwaarden in kredietovereenkomst. Tussenarrest. Vertragingsvergoedingsbeding in de algemene voorwaarden. Dit strekt ertoe dat de kredietnemer, nadat de volledige kredietsom opeisbaar is gesteld en hij in gebreke blijft met betaling daarvan, een contractuele vertragingsrente verschuldigd wordt. Dit beding is geen kernbeding en evenmin is dit oneerlijk. Wel is in dit beding niet ondubbelzinnig vastgelegd wat de relatie tussen is tussen het vertragingsvergoedingspercentage en het kredietvergoedingspercentage. Het beding is daarom (mogelijk) intransparant en (daarmee) mogelijk onredelijk bezwarend.

Voorts vloeit uit de algemene voorwaarden voort dat kredietgever het recht heeft de hoogte van de vertragingsrente te wijzigen. De desbetreffende bepaling houdt slechts in dat de kredietgever die rente kan wijzigen ‘met inachtneming van de krachtens de wet gestelde maxima’. Het hof vermoedt daarom dat desbetreffende algemene voorwaarde intransparant is. Het rentewijzigingsbeding kan naar het oordeel van het hof voorts oneerlijk zijn omdat de bepaling het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort in de zin van artikel 3 Richtlijn 93/13 waarbij verwezen wordt naar de indicatieve lijst bij die richtlijn (onder j in relatie tot punt 2 onder b van die lijst). Tevens wordt verwezen naar het RWE-arrest (HvJEU 21 maart 2013, ECLI:EU:C:2013:180).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5622
NTHR 2018, afl. 1, p. 60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.189.005

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 394901)

arrest van 1 augustus 2017

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Hoist Portfolio Holding Ltd.,

gevestigd te Jersey,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

advocaat: mr. H.A.P. Pijnacker,

tegen:

[geïntimeerde 1]

en

[geïntimeerde 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] , gemeente Utrecht,

geïntimeerden,

niet verschenen.

Appellante wordt hierna Hoist genoemd. Geïntimeerden worden hierna gezamenlijk [geïntimeerden] (mannelijk enkelvoud) genoemd.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 22 juli 2015 en van 16 september 2015 die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 9 oktober 2015,

- de memorie van grieven tevens houdende akte wijziging van eis,

- de pleitnota (schriftelijk pleidooi) van Hoist.

2.2.

Vervolgens heeft Hoist de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De feiten

3.1.

De rechtsvoorgangster van Hoist, Crediet Maatschappij ‘De IJssel’ B.V. (nader: De IJssel), heeft op 17 maart 2006 met [geïntimeerden] een geldleningsovereenkomst gesloten, in de vorm van een doorlopend krediet met een kredietlimiet van € 45.000,-- tegen een variabele rente (kredietvergoeding) van, op dat moment, 0,521% per maand, zijnde een effectieve rente van 6,4% per jaar. Op deze overeenkomst zijn van toepassing de Algemene Voorwaarden Doorlopend Krediet van 17 december 2014. De artikelen 3, 8 en 9 van deze algemene voorwaarden luiden onder meer als volgt:

Artikel 3 Kredietvergoeding

a) De kredietvergoeding wordt uitgedrukt in de effectieve rente op jaarbasis en omvat alle kosten van het krediet.

b) De kredietvergoeding wordt van dag tot dag berekend over het uitstaande saldo en kan door Kredietgever, met inachtneming van de krachtens de wet gestelde maxima, worden gewijzigd. Kredietgever zal Cliënt van iedere wijziging schriftelijk in kennis stellen.

c) Bij niet tijdige betaling van een of meer vervallen maandtermijnen wordt over het uitstaande saldo voor zover dit de kredietlimiet niet overschrijdt kredietvergoeding berekend conform het sub b gestelde.

Artikel 8. Vertragingsvergoeding

Ingeval van te late betaling van één of meer maandtermijnen waardoor de kredietlimiet overschreden wordt, is Cliënt vertragingsvergoeding verschuldigd over het deel van het uitstaand saldo dat de kredietlimiet te boven gaat, indien Cliënt na ontvangst van een ingebrekestelling niet alsnog binnen de in deze ingebrekestelling vermelde termijn betaalt.

De vertragingsvergoeding wordt in dagen nauwkeurig berekend op basis van het in het kader van de krediteurentransactie overeengekomen effectieve kredietvergoedingspercentage op jaarbasis en op de wijze als vermeld in Artikel 3.

De voornoemde vertragingsvergoeding wordt eveneens berekend over het bedrag dat door Kredietgever wordt opgeëist conform Artikel 9, voor zover Cliënt dit bedrag niet binnen de termijn als vermeld in de opeising heeft betaald.

Artikel 9. Opeisbaarheid

In de hierna sub a-f genoemde gevallen is Kredietgever gerechtigd betaling ineens te eisen van het krachtens deze overeenkomst verschuldigde, eventueel te vermeerderen met vertragingsvergoeding:

a) Cliënt meer dan twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen maandtermijn en na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichting; (…)

Artikel 14 Opzegging

Zowel Cliënt als Kredietgever zijn te allen tijde bevoegd deze overeenkomst schriftelijk op te zeggen. In geval van opzegging zal Cliënt geen verdere opnamen kunnen verrichten; overigens blijft het gestelde in de overeenkomst van kracht totdat het verschuldigde geheel zal zijn afgelost.

3.2.

Op basis van genoemde kredietovereenkomst heeft De IJssel een bedrag van € 45.000,-- aan [geïntimeerden] verstrekt.

3.3.

Bij brieven van 3 december 2013 en van 4 februari 2014 is [geïntimeerden] aangemaand om een betalingsachterstand van respectievelijk € 881,68 en € 1.771,79 te voldoen. In laatstgenoemde brief is aangekondigd dat, als niet aan de sommatie wordt voldaan, de overeenkomst wordt beëindigd en de totale vordering van € 46.738,80 ineens en vervroegd zal worden opgeëist. Bij brief van 17 februari 2014 is [geïntimeerden] in gebreke gesteld en verzocht de vordering (hoofdsom € 46.728,98) binnen vijf dagen te voldoen. Bij brief van 21 maart 2014 is de volledige hoofdsom bij [geïntimeerden] opgeëist.

3.4.

Een nadien tussen partijen getroffen betalingsregeling is door [geïntimeerden] niet nagekomen waarna, bij brief van 18 maart 2015 [geïntimeerden] in de gelegenheid is gesteld het openstaande totaal bedrag van € 48.975,18 te voldoen. [geïntimeerden] is daartoe niet overgegaan.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

Hoist heeft in eerste aanleg, na vermindering van de eis, in verband met een tweede deelbetaling van [geïntimeerden] van € 500,--, gevorderd dat van [geïntimeerden] . hoofdelijk wordt veroordeeld om aan Hoist te betalen € 48.936,37, te vermeerderen met de vertragingsvergoeding ad € 7,67% per jaar vanaf 1 juni 2015, met proceskosten.

Het bedrag van € 48.936,37 bestaat uit een hoofdsom van € 46.728,98 vermeerderd met rente/vertragingsvergoeding tot 1 juni 2015 ad € 4.704,22, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.503,17 (inclusief omzetbelasting) en verminderd met twee deelbetalingen ad totaal € 4.000,--. Hoist heeft deze vorderingen gegrond op de hiervoor genoemde kredietovereenkomst tussen [geïntimeerden] en De IJssel.

4.2.

Tegen [geïntimeerden] is verstek verleend.

4.3.

De rechtbank heeft de hoofdsom (€ 46.728,98 minus twee deelbetalingen ad totaal € 4.000,-- zijnde € 42.728,98) toegewezen maar de (vanaf 21 maart 2014) gevorderde vertragingsvergoeding en buitengerechtelijke incassokosten afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft artikel 8 (jo. 9) van de algemene voorwaarden te gelden als een oneerlijk beding in de zin van artikel 2 sub a jo. 3 lid 1 Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (nader: Richtlijn 93/13) en moet dit beding daarom op grond van artikel 3:40 en 6:233 onder a van het Burgerlijke Wetboek (BW) worden vernietigd. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat toepassing van genoemde artikelen ertoe leidt dat de consument wordt gehouden tot betaling van de overeengekomen rente terwijl hij geen gebruik meer kan maken van de kredietfaciliteiten en dat daarmee een onevenredig hoge schadevergoeding aan de consument wordt opgelegd nu het overeengekomen percentage ruimschoots boven de wettelijke rente ligt. Voorts overweegt de rechtbank dat de wijze waarop het percentage van 7,67% tot stand is gekomen intransparant is, hetgeen onder meer volgt uit het woord ‘eventueel’ in artikel 9 van de algemene voorwaarden.

5 De beoordeling in hoger beroep

internationale bevoegdheid en toepasselijk recht

5.1.

Uit de inleidende dagvaarding van 1 juni 2015 volgt dat Hoist gevestigd is te Jersey. In dit hoger beroep ligt daarom de vraag voor of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van Hoist. Dat is het geval: het geschil betreft een burgerlijke en handelszaak als bedoeld in artikel 1 van de ten deze toepasselijke herschikte EEX Verordening (Verordening EU nr. 1215/2012; hierna: EEX-Vo II).

Ingevolge artikel 4 lid 1 EEX-Vo II heeft de Nederlandse rechter derhalve rechtsmacht.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat hun rechtsverhouding wordt beheerst door Nederlands recht.

eiswijziging

5.3.

Hoist komt met drie grieven op tegen de afwijzing door de rechtbank van de vertragingsvergoeding van 7,67%. Zij vordert dat het hof het tussenvonnis van 22 juli 2015 alsmede het eindvonnis van 16 september 2015 zal vernietigen voor zover daarbij die vertragingsvergoeding is afgewezen en [geïntimeerden] (hoofdelijk) zal veroordelen om aan Hoist te betalen € 49.436,37, te vermeerderen primair met de thans geldende vertragingsvergoeding ad 7,67% per jaar en subsidiair de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten in beide instanties.

Hoist heeft daarmee haar eis in hoger beroep vermeerderd in die zin dat zij subsidiair betaling van wettelijke rente over de hierna te noemen hoofdsom vordert. Het gevorderde totaalbedrag van € 49.436,37 is tevens hoger dan in eerste aanleg (€ 48.936,37). Het hof gaat er vooralsnog van uit dat Hoist per abuis geen rekening heeft gehouden met de deelbetaling door van [geïntimeerden] van € 500,--.

5.4.

De vermeerdering van eis is niet op de voet van artikel 130 lid 3 Rv betekend aan de in hoger beroep niet verschenen geïntimeerde [geïntimeerden] Hoist zal, mede in verband met hetgeen hierna wordt overwogen, in de gelegenheid worden gesteld deze eiswijziging alsnog te betekenen.

richtlijn 93/13

5.5.

Vast staat dat [geïntimeerden] de kredietovereenkomst met De IJssel (hierna als Hoist aan te duiden) is aangegaan als consument. Dit brengt mee dat de overeenkomst tussen Hoist en [geïntimeerden] mede wordt beheerst door Richtlijn 93/13.

De nationale rechter is gehouden ambtshalve na te gaan of een contractueel beding valt onder Richtlijn 93/13 en, zo ja, te onderzoeken of dit oneerlijk is, indien hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt. Richtlijn 93/13 is niet rechtstreeks van toepassing in de Nederlandse rechtsorde. Een richtlijnconforme uitleg van het Nederlandse recht brengt echter mee dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 6:233 onder a BW gehouden is het hiervoor bedoelde onderzoek ambtshalve te verrichten ingeval Richtlijn 93/13 die verplichting meebrengt. Indien de rechter vaststelt dat een beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13, is hij gehouden het beding te vernietigen. Ook in verstekzaken zal de rechter dit onderzoek ambtshalve moeten verrichten, in dat geval in het kader van artikel 139 Rv. Dat onderzoek dient dan plaats te vinden aan de hand van de dagvaarding. De rechter zal in dat geval eventueel de instructiemaatregelen moeten nemen die nodig zijn om de volle werking van Richtlijn 93/13 te verzekeren. Voorts dient hij ook in dat geval het beginsel van hoor en wederhoor in acht te nemen en eiser in de gelegenheid te stellen zich terzake nader uit te laten en, zo nodig, zijn stellingen aan te passen (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, rov. 3.5.3, 3.7.1, 3.7.3 en 3.9.2).

5.6.

Op grond van artikel 3 lid 1 Richtlijn 93/13 wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Op grond van artikel 4 lid 1 Richtlijn 93/13 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst in aanmerking genomen alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft. Deze beoordeling dient plaats te vinden naar het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst, waarbij dient te worden bezien welke gevolgen het beding voor de consument kan hebben. Bij de richtlijn is opgenomen een indicatieve (niet-uitputtende) lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. In artikel 4 lid 2 Richtlijn 93/13 is geregeld dat beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen geen betrekking heeft op, kort gezegd, kernbedingen voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Artikel 5 Richtlijn 93/13 bepaalt vervolgens dat alle schriftelijke bedingen betreffende overeenkomsten steeds duidelijk en begrijpelijk moeten worden opgesteld. Dit wordt de eis van transparantie genoemd. Ingeval van twijfel over de betekenis van een beding, zo regelt artikel 5 voornoemd, prevaleert de voor de consument gunstigste interpretatie.

het vertragingsvergoedingsbeding van artikel 8 algemene voorwaarden

5.7.

Hoist betoogt met grief I dat het vertragingsvergoedingsbeding (artikel 8 algemene voorwaarden) niet valt onder het bereik van Richtlijn 93/13, omdat het een ‘kernbeding’ betreft in de zin van artikel 4 lid 2 van die richtlijn. Hoist voert daartoe aan dat het beding valt onder het begrip ‘eigenlijke voorwerp van de overeenkomst’ en een wezenlijk onderdeel van de prestatie van [geïntimeerden] is, te weten de terugbetaling van het door de kredietgever ter beschikking gestelde bedrag.

5.8.

Het hof overweegt als volgt. Kern van de tussen partijen (Hoist en [geïntimeerden] ) overeengekomen prestaties is dat Hoist een krediet aan [geïntimeerden] ter beschikking stelt en dat [geïntimeerden] , voor zover van dat krediet gebruik wordt gemaakt, daarvoor een rente (kredietvergoeding) betaalt aan Hoist. Artikel 8 van de algemene voorwaarden bevat een (contractueel) rentebeding in de zin van artikel 6:119 lid 3 BW. Deze rente (vertragingsvergoeding) is verschuldigd als de cliënt (kredietnemer) het openstaande krediet, nadat dit wegens ‘achterstalligheid’ in de maandtermijnen (op de voet van artikel 9 van de algemene voorwaarden) in zijn geheel opeisbaar is geworden, niet tijdig terugbetaalt. De verschuldigdheid van de vertragingsvergoeding is, anders dan die van de kredietvergoeding, niet opgenomen in het lichaam van de kredietovereenkomst, maar uitsluitend in de algemene voorwaarden.

Uit de opzet van de overeenkomst en de juridische context (vgl. HvJEU 30 april 2014, ECLI:EU:C:2014:282, hierna ook het Kásler-arrest, punt 51) volgt derhalve dat de bepalingen omtrent de verschuldigdheid van vertragingsvergoeding niet het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst betreffen. De omstandigheid dat sprake is van een kredietovereenkomst maakt dit, in weerwil van het betoog van Hoist, niet anders omdat daarmee het karakter van de vertragingsvergoeding, zijnde een contractuele vergoeding voor schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, niet verandert.

5.9.

Ook het betoog van Hoist dat de vertragingsrente moet worden beschouwd als tegenprestatie voor de te leveren goederen of te verrichten diensten in de zin van artikel 4 lid 2 Richtlijn 93/13 stuit hierop af. Het gaat hier niet om een prijs of vergoeding voor het verstrekken van krediet, maar om een vergoeding van de schade die Hoist lijdt doordat [geïntimeerden] niet voldoet aan haar verplichting tot terugbetaling van de kredietsom als bedoeld in artikel 6:119 BW.

5.10.

Het voorgaande voert tot de slotsom dat artikel 8 (juncto 9) niet kwalificeert als een kernbeding. Dat brengt het hof bij de vraag of het vertragingsvergoedingsbeding in artikel 8 van de algemene voorwaarden, waarop de vordering tot betaling van de vertragingsvergoeding is gebaseerd, onredelijk bezwarend is ex artikel 6:233 onder a BW.

5.11.

Artikel 8 strekt ertoe dat kredietnemer ( [geïntimeerden] ) aan de geldverstrekker, thans Hoist, nadat de volledige kredietsom opeisbaar is gesteld en de kredietnemer in gebreke blijft met betaling daarvan een contractuele vertragingsrente verschuldigd wordt. Op grond van artikel 8 heeft Hoist de hoogte van de vertragingsrente gelijk gesteld aan de (variabele) hoogte van de kredietvergoeding (genoemd in artikel 3 van de algemene voorwaarden). Als artikel 8 in de overeenkomst zou ontbreken, zou Hoist wettelijke rente (artikel 6:119 BW) hebben kunnen vorderen. Deze rente is thans 2% per jaar en was 4% per jaar ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. De ten tijde van de contractsluiting overeengekomen kredietvergoeding van 0,521% per maand (effectief 6,4 % per jaar) is hoger en dit percentage is nadien op grond van het eveneens in artikel 3 sub b opgenomen rentewijzigingsbeding, waarop hierna nog zal worden ingegaan, verhoogd tot het gevorderde percentage van 7,67%. Uit het voorgaande blijkt dat, hoewel het karakter van de rentevergoeding (kredietvergoeding tegenover schadevergoeding) van kleur verschiet, de hoogte van de verschuldigde rente gelijk blijft. Tegenover het in verhouding tot de wettelijke rente hogere percentage staat dat het krediet is opgeëist maar dat [geïntimeerden] nog steeds over het aan hem ter beschikking gestelde geld beschikt, althans dat niet terug betaalt. Dat verschilt niet van de situatie vóór opzegging toen hij een kredietvergoeding was verschuldigd. Van een onevenredige schadevergoeding in de zin van de indicatieve lijst is daarom, voor zover een vertragingsvergoeding is bedongen die gelijk is aan de overeengekomen kredietvergoeding, naar het oordeel van het hof geen sprake en ook anderszins is geen sprake van een oneerlijk beding. Daarbij laat artikel 6:119 lid 3 BW juist toe dat een bedongen rente die hoger is dan de wettelijke rente doorloopt nadat de schuldenaar in verzuim is hetgeen strookt met de strekking van de artikel 8. De conclusie is dat artikel 8 geen oneerlijk beding is. In zoverre slaagt grief I.

5.12.

Met grief II komt Hoist op tegen de overweging van de rechtbank, inhoudend dat de wijze waarop het percentage van 7,67% tot stand is gekomen intransparant is zoals geoordeeld door het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn uitspraak van 30 april 2014 (waarmee het zogeheten Kásler-arrest – ECLI:EU:C:2014:282 – zal zijn bedoeld) omdat enkel dat percentage [geïntimeerden] geen duidelijke en begrijpelijke criteria geeft die hem kunnen doen voorzien wat de economische gevolgen zijn die voor hem zijn verbonden aan onmiddellijke opeising en dat deze intransparantie voorts is gelegen in het woord ‘eventueel’ in artikel 9 van de geldende algemene voorwaarden.

5.13.

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 6:238 lid 2 BW dient een algemene voorwaarde duidelijk en begrijpelijk te zijn geformuleerd. Met dit artikel is beoogd het bepaalde in artikel 5 Richtlijn 93/13 in ons recht te implementeren zodat (ook) dit wetsartikel richtlijnconform dient te worden uitgelegd. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de transparantie-eis van artikel 5 Richtlijn 93/13 niet alleen inhoudt dat een contractsbepaling duidelijk en begrijpelijk moet zijn geformuleerd maar ook dat zij zodanig moet zijn opgesteld dat een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument (nader: de gemiddelde consument) op basis van de voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst verkregen informatie de economische gevolgen die er voor hem uit voortvloeien, kan voorzien en (daarmee) kan beslissen of hij daardoor gebonden wenst te worden. Hierbij is relevant dat de twintigste overweging van de considerans van Richtlijn 93/13 vermeldt dat de consument daadwerkelijk gelegenheid moet hebben om kennis te nemen van alle bedingen van de overeenkomst (vgl. ook HvJEU 21 maart 2013, ECLI:EU:C:2013:180, nader het RWE-arrest, punt 43, 44 en 52, het Kásler-arrest punt 69, 71 en 73 en het Matei-arrest punt 73), welke regel is neergelegd in artikel 6:233 sub b BW.

Wat betreft het door de rechtbank genoemde woord ‘eventueel’ is het hof met Hoist van oordeel dat dit woord in artikel 9 van de algemene voorwaarden ziet, zo vloeit uit tekst en context voort, op het geval dat de kredietnemer het krediet opeist en er op grond van artikel 8 (zie artikel 3 sub c en artikel 8, eerste zin) reeds een vertragingsvergoeding verschuldigd is, zodat artikel 9 in die zin derhalve niet intransparant is.

Artikel 8 van de algemene voorwaarden is mogelijk intransparant. In dit contractuele beding is vermeld dat de vertragingsvergoeding (bij te late betaling van één of meer maandtermijnen) wordt berekend ‘op basis van het in het kader van de krediettransactie overeengekomen effectieve kredietvergoedingspercentage op jaarbasis en op de wijze als vermeld in Artikel 3”. De woorden ‘op basis van het in het kader van’ acht het hof, vooralsnog, voor de gemiddelde consument niet duidelijk en begrijpelijk omdat daarmee niet ondubbelzinnig is vastgelegd wat de relatie tussen het vertragingsvergoedingspercentage en kredietvergoedingspercentage is. Indien het hof oordeelt dat het beding intransparant is in voornoemde zin dan komt aan de orde de vraag of het (daarmee) een onredelijk bezwarend beding in de zin van artikel 6:233 onder a BW is. Hoist wordt in de gelegenheid gesteld zich hierover nader uit te laten.

het rentewijzigingsbeding van artikel 8 juncto 3 algemene voorwaarden

5.14.

Uit artikel 8 vloeit ook voort het recht van Hoist om met toepassing van artikel 3 van de algemene voorwaarden de vertragingsrente te wijzigen. Het hof vermoedt dat ook dit onderdeel van artikel 8 intransparant is in de zin van artikel 6:238 lid 2 BW omdat noch in de overeenkomst noch in de algemene voorwaarden is bepaald wanneer en aan de hand van welke criteria de hoogte van de vertragingsvergoeding – kan worden gewijzigd. Artikel 8 juncto 3 van de algemene voorwaarden houdt slechts in dat de kredietgever de vertragingsrente kan wijzigen ‘met inachtneming van de krachtens de wet gestelde maxima’ waarmee kennelijk is bedoeld de maximale kredietvergoeding op grond van het ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst geldende artikel 35 Wet op het Consumentenkrediet, thans artikel 7:76 lid 2 BW. Artikel 3 bevat geen informatie over de omstandigheden die van belang (kunnen) zijn voor aanpassing van het vertragingsrentepercentage. Het hof wijst naar het Matei-arrest waarin onder punt 74 ten aanzien van een soortgelijk beding is overwogen dat ‘met het oog op de naleving van het vereiste van transparantie van wezenlijk belang is te weten of in de leningsovereenkomst de reden voor en de bijzonderheden van het aanpassingsmechanisme van de rente en de verhouding tussen dat beding en andere bedingen inzake de vergoeding van de kredietgever, transparant zijn gespecificeerd, zodat een geïnformeerde consument op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de economische gevolgen die er voor hem uit voortvloeien, kan voorzien’.

5.15.

Het hof is voorts van oordeel dat het rentewijzigingsbeding (ook) een oneerlijk beding kan zijn omdat het, afgezien van de mogelijke intransparantie ervan, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voorvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort in de zin van artikel 3 Richtlijn 93/13. Het hof wijst op het bepaalde in de indicatieve lijst bij Richtlijn 93/13, waarin onder j staat vermeld dat bedingen die tot doel of tot gevolg hebben de koper te machtigen om zonder geldige, in de overeenkomst vermelde reden eenzijdig de voorwaarden in de overeenkomst te wijzigen als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. Daaraan doet niet af dat bij punt 2, onder b, van die lijst is vermeld dat punt j niet in de weg staat aan bedingen waarbij de leverancier van financiële diensten – van een dergelijke dienst is hier sprake – zich het recht voorbehoudt de door of aan de consument te betalen rentevoet ‘bij geldige reden’ zonder opzegtermijn te wijzigen mits de verkoper verplicht wordt dit zo spoedig mogelijk ter kennis te brengen van – kort gezegd – de consument en deze vrij is de overeenkomst onmiddellijk op te zeggen. Weliswaar is aan deze laatste voorwaarde met artikel 14 van de algemene voorwaarden voldaan omdat daarin is bepaald dat de kredietnemer ( [geïntimeerden] de overeenkomst te allen tijde kan opzeggen. Daar staat echter tegenover dat het HvJEU in het RWE-arrest heeft geoordeeld dat bij de beoordeling van de ‘eerlijkheid’ van een beding om de (gas)prijs te wijzigen van belang is of de consument daadwerkelijk zijn opzeggingsrecht kan uitoefenen. Mede gezien de hoogte van het krediet, is niet duidelijk of aan die eis is voldaan. Het is voorts de vraag of is voldaan aan het bepaalde in punt 2 onder b van de indicatieve lijst waar vermeld is ‘bij geldige reden’ terwijl in artikel 3 van de algemene voorwaarden geen enkel criterium voor wijziging van de kredietvergoeding (en daarmee de vertragingsvergoeding van artikel 8) wordt gegeven. Hoist wordt in de gelegenheid gestelde zich hierover uit te laten.

6 Slot

Hoist wordt in de gelegenheid gesteld de vermeerdering van eis alsnog aan [geïntimeerden] te betekenen en voorts om zich uit te laten over hetgeen is overwogen ten aanzien de artikelen 8 (rov. 5.13) en artikel 3 (rov. 5.14. en 5.15.). Hiertoe wordt de zaak naar de hierna te noemen roldatum verwezen en wordt iedere verdere beslissing, ook ten aanzien van grief III, aangehouden.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de rol van 12 september 2017 teneinde Hoist in de gelegenheid te stellen het exploot van betekening van de wijziging van eis te overleggen en om bij akte te reageren op hetgeen onder rov. 5.13-5.15. is overwogen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M. Evers, I. Brand en B.J. Engberts is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2017.