Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6571

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-07-2017
Datum publicatie
01-08-2017
Zaaknummer
21-004500-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:4495, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:977, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk opzet op voorbereidingshandelingen door 505 kilo APAAN voorhanden te hebben. Gevangenisstraf 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Geen noemenswaardige documentatie, relatief oud feit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004500-16

Uitspraak d.d.: 31 juli 2017

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 11 augustus 2016 met parketnummer 05-720307-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1984] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 juli 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M.P.J.C. Heuvelmans, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 oktober 2014 te Ochten, gemeente Neder-Betuwe, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of een andere stof genoemd op lijst I van de Opiumwet, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of een andere stof genoemd op lijst I van de Opiumwet, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen 505 kilo Alfa-fenylAcetoAcetoNitril (APAAN), voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs 1

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij met de rechtbank in het bijzonder het volgende.

Op 16 oktober 2014 bevond verdachte zich in zijn bestelauto in Ochten. In de bestelbus van verdachte stonden 19 vaten met in totaal 505 kilo Alfa-fenylAcetoAcetoNitril (APAAN), een stof met behulp waarvan amfetamine kan worden geproduceerd.2

Voor de strafbaarheid van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a Opiumwet is vereist dat de dader daadwerkelijk wetenschap heeft gehad van de omstandigheid dat hij met zijn handelingen de productie van harddrugs bevorderde. Dit opzet, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis en de vaste rechtspraak over artikel 10a Opiumwet, omvat ook voorwaardelijk opzet, waarvan sprake is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de genoemde omstandigheid zich zal voordoen.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg als ook in hoger beroep verklaard dat hij een koeriersbedrijf had en dat hij van de opdrachtgever, wiens naam hij niet wenst te noemen, de opdracht heeft gekregen om de lading die in zijn bestelbus is aangetroffen, te bezorgen op een voor hem op dat moment nog onbekend adres. Hij zou voor die klus 300 euro ontvangen. Met betrekking tot de omstandigheden van die klus heeft verdachte het volgende verklaard:

  • -

    Hij moest op 15 oktober 2014 zijn bestelbus in Ochten bij een bedrijf neerzetten. Daar werd de bus geladen.

  • -

    De dag erna zou de bus voor hem klaarstaan op de carpoolplaats in Ochten. De sleutel lag op het linker voorwiel.

  • -

    De lading bestond uit tonnen met scheikundige namen.

  • -

    Hem was verteld dat hij naar Eindhoven moest rijden, maar hij zou pas onderweg horen naar welk adres.

  • -

    Er zaten geen vrachtbrieven bij de lading.

  • -

    Dat hij door voornoemde omstandigheden misschien ook wel wist dat het foute boel was.3

Verder heeft verbalisant [verbalisant 1] verklaard dat verdachte, nadat hij oogcontact had gehad met de verbalisant die in een opvallend surveillancevoertuig de carpoolplaats opreed waar verdachte met zijn bestelbus stond, wegreed naar de achterzijde van de carpoolplaats, hetgeen een omweg is om bij de uitgang van de carpoolplaats te komen.4

Evenals de rechtbank weegt het hof ten slotte mee dat het door de uitgebreide media-aandacht voor drugscriminaliteit (in de zin van het aantreffen van productielaboratoria en/of chemisch productieafval) in Noord-Brabant een feit van algemene bekendheid is dat aldaar regelmatig synthetische drugs worden geproduceerd. Verdachte heeft bovendien hierover ter terechtzitting in hoger beroep zelf verklaard dat hij uit de media wist dat in Noord-Brabant veel laboratoria zijn waar men synthetische drugs produceert.

Anders dan in het arrest dat door de raadsman is aangehaald (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 15 mei 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:2102)) had verdachte in het onderhavige geval, gelet onder meer de chemische benamingen en de wijze van verpakken in vaten, en de ongebruikelijke omstandigheden waaronder het transport plaats vond een ernstige reden te vermoeden dat de materialen die hij vervoerde in verband stonden met het productieproces van dergelijke synthetische drugs.

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het verdachte duidelijk moet zijn geweest dat de vracht die hij vervoerde niet uit legale goederen bestond en dat verdachte op zijn minst ernstige redenen heeft gehad om te vermoeden dat de inhoud van de tonnen, die hij in de bus vervoerde, bestemd was voor de bereiding van amfetamine of andere synthetische drugs als vermeld op lijst I van de Opiumwet.

Het hof is op grond van dezelfde feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het vervoer van deze tonnen een belangrijke schakel betreft in het productieproces van harddrugs. Verdachte heeft hiermee in voorwaardelijke zin opzet gehad op de door hem gepleegde voorbereidingshandelingen gericht op het vervaardigen van amfetamine of andere verdovende middelen als vermeld op lijst I van de Opiumwet.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 16 oktober 2014 te Ochten, gemeente Neder-Betuwe, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of een andere stof genoemd op lijst I van de Opiumwet, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of een andere stof genoemd op lijst I van de Opiumwet, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen 505 kilo Alfa-fenylAcetoAcetoNitril (APAAN), voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs door het voorhanden hebben van 505 kilo APAAN. Met een dergelijke hoeveelheid kan immers een grote hoeveelheid amfetamine worden geproduceerd. Harddrugs vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en de productie daarvan draagt bij aan het ontstaan van verslaving en de instandhouding daarvan. Gelet op de criminaliteit die gepaard gaat met (het produceren van) synthetische drugs, acht het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, passend en geboden.

In het voordeel van de verdachte overweegt het hof dat verdachte geen noemenswaardige documentatie heeft en dat het een relatief oud feit betreft. Gelet hierop ziet het hof aanleiding een deel van de hierna genoemde straf voorwaardelijk op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 10a van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. R. de Groot, voorzitter,

mr. C. Caminada en mr. E. Venekatte, raadsheren,

in tegenwoordigheid van K. Elema, griffier,

en op 31 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 31 juli 2017.

Tegenwoordig:

mr. R. de Groot, voorzitter,

mr. E.C.A.M. Langenhorst, advocaat-generaal,

G. Heeres, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De veroordeelde is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] , brigadier van de politie Landelijke Eenheid, Dienst Spoorwegpolitie, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL2600-2014044597-6, gesloten en getekend op 25 oktober 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 27-28; proces-verbaal LFO, p. 30-32; verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 28 juli 2016; NFI-rapport indicatie van drugs en precursoren d.d. 27 oktober 2014.

3 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 28 juli 2016 en 17 juli 2017.

4 Verklaring van [verbalisant 1] ter terechtzitting d.d. 28 juli 2016.