Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6555

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
15-11-2017
Zaaknummer
200.186.788/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Concept echtscheidingsconvenant is geen overeenkomst. Behoefte, behoeftigheid en draagkracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.186.788/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/102308 / FA RK 13-3204)

beschikking van 25 juli 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J. Dam-de Haan te Emmen,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] (Duitsland),

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaten: mr. T.M. Subelack en mr. B. van den Anker te 's-Hertogenbosch.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 9 december 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 4 maart 2016;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met productie(s);

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;

- een brief van mr. Dam-de Haan van 7 maart 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Dam-de Haan van 27 september 2016 met productie(s);

- een journaalbericht namens mr. Subelack van 29 september 2016 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 11 oktober 2016 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten (mr. Van den Anker voor de man).

Mr. Dam-de Haan heeft pleitnotities overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van [C] , geboren [in] 1995, en

[D] , geboren [in] 1998. Beiden wonen op zichzelf.

3.3

Uit de relatie van de man en zijn nieuwe partner mevrouw [E] is [in] 2014 [F] geboren.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie). De rechtbank heeft in de bestreden beschikking die bijdrage met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking vastgesteld op € 2.941,- bruto per maand.

4.2

De vrouw is met negen grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

9 december 2015. Grief I ziet op de overeenstemming tussen partijen en de motivering van de bestreden beschikking. De grieven II tot en met V en VIII zien op haar behoefte en behoeftigheid. Grief VI en VII zien op de draagkracht van de man. Grief IX is een veeggrief en ziet op de hoogte van het door de rechtbank opgelegde bedrag aan partneralimentatie.

De vrouw verzoekt de beschikking van 9 december 2015 te vernietigen wat betreft de partneralimentatie en in zoverre opnieuw recht doende, waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair te bepalen dat - kort gezegd - partijen reeds overeenstemming hebben bereikt over de partneralimentatie conform het bepaalde in het echtscheidingsconvenant overgelegd bij schrijven van mr. Dam-de Haan van 30 oktober 2015 en dat de man gehouden is deze afspraken na te komen en subsidiair dat de man met ingang van 4 februari 2016 als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen een bedrag ad € 10.000,- per maand, althans een zodanig hoger bedrag dan € 2.941,- per maand, als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

4.3

De man is op zijn beurt met vier grieven in incidenteel hoger beroep gekomen.

Grief I ziet op de behoeftigheid van de vrouw. De grieven II tot en met IV zien op de draagkracht van de man. De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (het hof begrijpt: onder vernietiging van de beschikking van 9 december 2015 wat betreft de partneralimentatie) het verzoek van de vrouw alsnog af te wijzen.

4.4

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken. Grief IX van de vrouw mist zelfstandige betekenis en zal daarom niet afzonderlijk besproken worden.

5 De motivering van de beslissing

Motiveringsgebrek

5.1

Het hoger beroep dient er mede toe omissies in eerste aanleg begaan te herstellen. Nu de vrouw in hoger beroep in de gelegenheid is gesteld haar inhoudelijke bezwaren tegen de beschikking van 9 december 2015 kenbaar te maken heeft zij geen belang bij bespreking van haar eerste grief voor zover deze inhoudt dat de rechtbank die beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd en/of in strijd heeft gehandeld met het beginsel van hoor- en wederhoor.

Overeenstemming/bewijsaanbod

5.2

Partijen hebben in een eerder stadium van de procedure getracht om in onderling overleg tot afspraken te komen over de alimentatie (en de verdeling). De man werd tijdens die onderhandelingen bijgestaan door zijn voormalige advocaat mr. C.M. de Jonge te Emmen en de vrouw door mr. Dam-de Haan. Wat betreft de bijdragen voor [C] en [D] is het partijen gelukt om tot overeenstemming te komen. Volgens de vrouw is dat ook gelukt voor de partneralimentatie. Ter onderbouwing van die stelling heeft zij een door mr. Dam-de Haan opgemaakt en door partijen niet ondertekend concept-echtscheidingsconvenant van

18 februari 2015 overgelegd. De man betwist dat partijen tot overeenstemming zijn gekomen over de partneralimentatie. In het door de advocaat van de vrouw opgestelde concept convenant ontbraken een aantal belangrijke elementen en hij is om die reden nooit tot ondertekening van het concept-echtscheidingsconvenant overgegaan. De vrouw biedt getuigenbewijs aan in de persoon van zichzelf en van mr. Dam-de Haan.

5.3

Het hof stelt vast dat uit het stuk dat door mr. Dam-de Haan is overgelegd evident blijkt dat sprake is van een concept echtscheidingsconvenant, nu dit convenant op elke pagina is voorzien van een paginabrede stempel met de tekst "concept 18 februari 2015" en dit concept door de man, noch door de vrouw noch door één van hun advocaten is ondertekend. Het concept is gedateerd op een datum na indiening van het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank en op een datum voordat de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken. In het licht van deze omstandigheden acht het hof de stelling van de vrouw dat sprake is van een (mondelinge) overeenkomst niet aannemelijk geworden nu deze stelling door de man gemotiveerd wordt betwist en vaststaat dat partijen in onderhandeling waren met elkaar met als doel schriftelijk tot overeenstemming te komen. Het hof passeert het bewijsaanbod van de vrouw bij gebrek aan voldoende concrete onderbouwing van de stellingen waarop het aanbod betrekking heeft.

Hoogte van de behoefte vrouw

5.4

Niet ter discussie staat dat de vrouw behoefte heeft. De man stelt echter de hoogte van de behoefte van de vrouw ter discussie. Hij stelt dat de vrouw haar behoefte niet voldoende heeft onderbouwd. De vrouw betwist dat en stelt dat de zogeheten 60%-norm als uitgangspunt kan dienen ter vaststelling van haar behoefte, te weten € 7.248,- netto per maand. Zij baseert zich daarbij op een netto besteedbaar inkomen van € 13.530,- per maand, uitgaande van een in 2012 genoten winst van € 273.166,- met de huisartsenpraktijk van partijen in de vorm van een man-vrouw-maatschap. Haar in hoger beroep overgelegde behoeftelijst ten bedrage van € 4.156,- netto per maand, te vermeerderen met hypotheek- en spaarlasten, bevestigt dit bedrag, aldus de vrouw. De vrouw is van mening dat haar minimale behoefte € 4.300,- netto per maand bedraagt, afgeleid van het inkomen dat zij tijdens het huwelijk met de man genoot uit hun maatschap.

5.5

Het hof stelt het volgende voorop. De hoogte van behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten - en gelet op de welstand redelijke - kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald.

5.6

Door bij de berekening van de hoogte van haar behoefte enkel uit te gaan van 60% van het gezamenlijk gezinsinkomen dat partijen aan het einde van het huwelijk verdienden, miskent de vrouw dat zij haar welstand gerelateerde behoefte dient te stellen en bij betwisting te onderbouwen.

5.7

Een belangrijk discussiepunt tussen partijen is in hoeverre de omstandigheid dat partijen tijdens hun huwelijk veel hebben gespaard van invloed is op de huidige behoefte van de vrouw. De vrouw vindt dat dat behoefte verhogend werkt, omdat zij dit spaargedrag wil en met het oog op de toekomst ook moet voortzetten (omgerekend stelt zij tijdens het huwelijk voor zichzelf circa € 4.000,- per maand te hebben gespaard). De man is van mening dat met vermogensvorming geen rekening moet worden gehouden, omdat partijen samen altijd veel hebben gespaard om eerder van hun oude dag te kunnen genieten. De vrouw kan het haar toekomende deel van het opgebouwde vermogen (welk vermogen € 1.461.534,- per 31 december 2014 bedroeg), tezamen met het door partijen opgebouwde pensioen en de AOW, in zijn ogen evengoed voor dit doel gebruiken. Aanvullend sparen is daarvoor redelijkerwijs niet nodig, aldus de man.

5.8

Onder het mom van gelijke monniken, gelijke kappen, zal het hof, anders dan de vrouw betoogt, ter vaststelling van de behoefte van de vrouw geen rekening houden met een component voor sparen. In de draagkrachtberekening van de man wordt daar aan de lastenkant immers evenmin rekening mee gehouden. De (financiële) gevolgen van hun echtscheiding dienen partijen in hun onderlinge verhouding als ex-echtelieden redelijkerwijs zoveel mogelijk gelijk te dragen.

5.9

De man heeft de behoeftelijst van de vrouw op bijna alle punten gemotiveerd weersproken. Naar het oordeel van het hof is dat grotendeels terecht, aangezien het door de vrouw gestelde netto bedrag van € 4.156,- per maand een groot aantal dubbeltellingen behelst. De man stelt (subsidiair) dat de behoefte van de vrouw na de nodige correcties op haar lijst € 1.907,50 netto per maand bedraagt te vermeerderen met de vooralsnog onbekende hypotheeklasten. De man heeft weliswaar gesteld dat de vrouw woonlasten kan uitsparen door haar vermogen in een woning te steken, maar in dit verband geldt hetzelfde als in voorgaande overweging is opgenomen. In de draagkrachtberekening van de man wordt namelijk evengoed rekening gehouden met woonlasten. Als de man niet geacht wordt zijn woonlasten vanuit zijn vermogen te bekostigen, hoeft de vrouw dat redelijkerwijs ook niet.

5.10

Het hof constateert dat partijen elkaar in processuele zin over en weer beschuldigen van hetgeen zij zelf ook doen en/of nalaten en acht dat illustratief in deze zaak. Het hof ziet daarin aanleiding om voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw aansluiting te zoeken bij de door mr. Subelack in zijn brief van 29 oktober 2015 aan de rechtbank gehanteerde berekening, welke ter zitting aan de orde is gesteld. Het hof acht de daarbij op basis van de 60%-norm op € 2.787,60 netto per maand becijferde behoefte van de vrouw het meest indicatief voor de welstand waarin partijen tijdens de laatste jaren van hun huwelijk hebben geleefd. In het verschil met de door de man aan de hand van de behoeftelijst in hoger beroep tot € 1.907,50 netto per maand gereduceerde feitelijke behoefte van de vrouw kan in ieder geval een redelijke woonlast verdisconteerd worden geacht.

5.11

Partijen zijn in 2012 feitelijk uit elkaar gegaan, zodat genoemde behoefte na indexering per 4 februari 2016 afgerond € 2.921,- netto per maand bedraagt.

Behoeftigheid

5.12

De vrouw stelt dat zij niet in die behoefte kan voorzien. Zij stelt dat zij door haar beperkte werkervaring en achterhaalde opleiding ook niet op korte termijn de door de rechtbank aangenomen verdiencapaciteit van € 500,- netto per maand kan realiseren. Zij kan alleen maar terecht in de schoonmaakbranche en haar achtergrond spreekt in haar nadeel om haar aan een dergelijk laaggekwalificeerde baan te helpen, aldus de vrouw. De man betwist dat en voert aan dat zij beschikt over een goede opleiding, relevante werkervaring en kan gaan werken. Haar verdiencapaciteit bedraagt € 1.900,- netto per maand, aldus de man. De man is daarnaast van mening dat de vrouw in haar resterende behoefte kan voorzien door in te teren op haar vermogen. De vrouw bestrijdt de redelijkheid van dit laatste.

5.13

Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft tot haar levensonderhoud, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven.

5.14

De vrouw, geboren [in] 1964, heeft op dit moment geen eigen inkomsten uit arbeid. Gedurende hun huwelijk en tot 1 januari 2015 vormden partijen een maatschap ter uitvoering van de huisartsenpraktijk van de man. De vrouw deed de administratie van de praktijk en verrichtte incidenteel nog andere werkzaamheden. Voor het huwelijk en de maatschap heeft de vrouw een Schoevers-opleiding en als directiesecretaresse bij [G] gewerkt. Partijen zijn ruim 25 jaar getrouwd geweest.

5.15

De vrouw is alleenstaand. [C] en [D] zijn meerderjarig en wonen op kamers, [D] sinds 1 september 2016. Voordien woonde zij bij de vrouw.

5.16

Gezien de leeftijd van de vrouw (thans 53 jaar) en de situatie op de arbeidsmarkt, is naar het oordeel van het hof niet te verwachten dat zij binnen afzienbare tijd in staat is zich in redelijkheid voldoende inkomsten uit arbeid te verwerven om te voorzien in haar (gehele) behoefte. De vrouw heeft de afgelopen decennia feitelijk altijd gewerkt. Dit op zich zal van positieve invloed zijn op haar kansen op de arbeidsmarkt. Daar staat echter tegenover dat het arbeidsverleden van de vrouw in die zin beperkt is dat zij voornamelijk werkzaam is geweest in hoofdzakelijk een administratieve functie in de voormalige huisartsenpraktijk van partijen. Desalniettemin is het hof met de man van oordeel dat de vrouw niet heeft aangetoond dat zij vooralsnog, althans tot de bestreden beschikking, genoegzaam aan haar inspannings-verplichtingen heeft voldaan. Ook al heeft de vrouw nog tot (ver) in 2015, zoals zij stelt, afrondende (administratieve) werkzaamheden voor de per 1 januari 2015 ontbonden maatschap van partijen verricht, dan nog kon van haar worden verwacht, nu daartoe beletselen anderszins zijn gesteld noch gebleken, dat zij in de periode van ruim anderhalf jaar tussen het definitief uit elkaar gaan van partijen (maart 2013) en haar eerste (in het dossier aanwezige) sollicitatiebrief van 22 december 2015, mede gelet op de leeftijd van de kinderen, meer actief was geweest in het zoeken naar een vervangende bron van inkomsten. Zo blijkt bijvoorbeeld niet dat de vrouw überhaupt heeft geprobeerd in de schoonmaak-branche aan het werk te komen. Zij gaat er kennelijk op voorhand vanuit dat zij daar vanwege haar achtergrond niet voor in aanmerking komt. Haar sollicitaties, zoals gezegd aantoonbaar eerst daterend vanaf 22 december 2015, richten zich louter op (medisch) secretarieel/administratief werk. Het hof betrekt bij dit oordeel mede ook de vacatures die door de man zijn overgelegd en die ook het hof op voorhand als passend beoordeeld. Positief is overigens wel dat de vrouw om haar kansen op de arbeidsmarkt te vergroten zich heeft ingeschreven voor de opleiding medisch secretaresse 1 en blijkens de brief van 12 september 2016 van [H] , studiecentrum te [A] , de vrouw ook is opgeroepen voor deelname aan en start van de opleiding in de periode november 2016 tot en met juni 2017.

5.17

Op grond van het vorenstaande is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat de vrouw op dit moment in staat moet worden geacht zich in redelijkheid inkomsten uit arbeid tot een bedrag van € 500,- netto per maand te kunnen verwerven om gedeeltelijk te voorzien in haar behoefte. Aldus wordt recht gedaan aan de lastige positie van de vrouw op de arbeidsmarkt en haar inspanningsplicht om haar verdiencapaciteit optimaal te benutten.

5.18

Anders dan de man is het hof van oordeel dat de vrouw redelijkerwijs niet in haar resterende behoefte hoeft te voorzien door in te teren op haar vermogen. In een ander - hem passend - verband, zo volgt uit rechtsoverweging 5.7, heeft de man immers juist betoogd dat de vrouw het haar toekomende deel van het opgebouwde vermogen dient aan te wenden als (aanvullende) oudedagsvoorziening zoals partijen samen altijd voor ogen hebben gehad.

Uitgaande van een maximale alimentatietermijn van twaalf jaren, is de vrouw bijna 65 jaar na afloop van de onderhoudsverplichting van de man. Aldus dient de vrouw in ieder geval nog een ruime periode te overbruggen totdat haar AOW ingaat. Of zij tegen die tijd voldoende inkomen uit arbeid geniet om in haar gehele behoefte te voorzien, zoals de man betoogd, acht het hof een te onzekere toekomstige omstandigheid om thans vanuit te gaan. Bovendien geldt ook hier genoemd adagium van gelijke monniken, gelijke kappen in die zin dat niet van de vrouw verwacht mag worden dat zij haar vermogen (ten koste van haar oude dag) nu reeds moet aanwenden voor haar levensonderhoud, terwijl de man ditzelfde vermogen verder kan laten groeien (ten behoeve van zijn oude dag).

5.19

Anders dan de man ziet het hof evenmin aanleiding bij de berekening van de behoeftigheid van de vrouw rekening te houden met inkomen uit vermogen. Bij de berekening van de draagkracht van de man wordt, afgezien van de huurinkomsten van de voormalig echtelijke woning, immers evenmin rekening gehouden met inkomen uit vermogen. Ook hier geldt genoemd adagium van gelijke monniken, gelijke kappen en zal het hof net zoals bij de man is gebeurd en waartegen niet is gegriefd geen rekening houden met een inkomen uit vermogen.

5. 20 Gelet op de mogelijkheid waarin de vrouw in staat kan worden geacht zich in redelijkheid inkomsten te kunnen verwerven om in het eigen levensonderhoud te voorzien, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage van de man van (€ 2.921,- minus € 500,- = afgerond) € 2.421,- netto per maand, zijnde (naar de tarieven 2016-1) € 4.242,- bruto per maand.

Draagkracht van de man

5.21

Partijen stellen dat de draagkracht van de man door de rechtbank op onderdelen onjuist is berekend.

Inkomen

5.22

De man, geboren op 23 juni 1961, voert een huisartsenpraktijk in de vorm van een eenmanszaak. Tot 1 januari 2015 oefenden partijen de praktijk samen uit in de vorm van een maatschap.

5.23

De rechtbank is voor het inkomen van de man uitgegaan van 75% van het gemiddelde van de resultaten van de huisartsenpraktijk over de jaren 2012, 2013 en 2014 van

€ 266.646,-, te weten € 199.985,-. De vrouw vindt dat van 100% van dit bedrag moet worden uitgegaan. Volgens de man zijn de jaren 2012, 2013 en 2014 niet representatief voor zijn huidige inkomen, omdat de vrouw sindsdien niet meer werkzaam is in de voormalige maatschap. Ter vervanging van haar werkzaamheden zijn de personeelskosten vanaf de tweede helft van 2014 behoorlijk gestegen, aldus de man. Ook stelt hij dat de omzet/winst van de praktijk sinds 2014 is afgenomen wegens een minder groot patiëntenbestand (als gevolg van hun toenemende zorgvraag) en omdat voor de praktijkpopulatie (vergrijzing, achterstandswijk, allochtonen) relevante declaratie-tarieven zijn gedaald. Tot slot stelt de man gezien zijn toenemende leeftijd niet meer in staat te zijn om, zoals hij eerder (tijdens het huwelijk met de vrouw) wel deed, werkweken van 80 uur te maken. De man vindt daarom dat het resultaat van 2015 en de prognose voor 2016 voor zijn inkomen als uitgangspunt moeten dienen, te weten gemiddeld € 205.740,-. Het hof is van oordeel dat de man zijn stelling voldoende heeft onderbouwd. Bij genoemd journaalbericht van 29 september 2016, bijlagen 16 en 17, heeft hij een uitgebreide toelichting op de sinds 2014 afnemende omzet van zijn huisartsenpraktijk overgelegd.

Anders dan de vrouw ziet het hof geen aanleiding het resultaat van 2015 zoals dat naar voren komt uit de concept jaarstukken te corrigeren. De door de vrouw opgeworpen vragen over de gestegen personeels- en kantoorkosten, de dubieuze debiteuren en de post waarneming zijn door de man overtuigend beantwoord. Uit genoemde toelichting van de man blijkt dat zijn huisartsenpraktijk, ondanks de toegenomen kosten, niet in - voor de vrouw - negatieve zin afwijkt van de zogeheten normpraktijk. Met de man is het hof van oordeel dat de man in de bedrijfsvoering van zijn praktijk vrij dient te zijn voor zover hij daarbij binnen de richtlijnen van de normpraktijk blijft. Ondanks de afname van de omzet en de toename van de kosten blijkt dat de man zijn praktijk ten opzichte van de normpraktijk bovengemiddeld draait. In dat opzicht acht het hof het redelijk om de toekomstgerichte draagkracht van de man te berekenen op basis van de gemiddelde (geprognosticeerde) winst over 2015 en 2016 van

€ 205.740,- bruto per jaar. Bovendien ligt dat resultaat in (positieve) lijn met het aandeel van de man in de gemiddelde winst over de drie voorgaande jaren waar de rechtbank van is uitgegaan.

Behoefte [F]

5.24

Tussen partijen is niet langer in geschil dat de behoefte van [F] - conform de rechtbank - gelijk gesteld kan worden met die van [D] tot 1 september 2016, te weten

€ 725,- per maand en dat dit bedrag ten laste van de draagkracht van de man kan worden gebracht.

Bijdrage voor [C] en [D]

5.25

Niet ter discussie staat dat in de draagkrachtberekening van de man tot 1 september 2016 rekening gehouden kan worden met een bijdrage van € 1.050,- per maand voor [C] en € 725,- per maand voor [D] . Niet ter discussie staat verder dat [C] tot 1 september 2016 naast genoemde bijdrage een basisbeurs van ongeveer € 290,- per maand ontving en dat zij daar per die datum, evenals [D] , geen aanspraak (meer) op kan maken. Vaststaat dat de man vanaf 1 september 2016 zowel voor [C] als voor [D] (€ 1.050,- + € 290,- =)

€ 1.340,- per maand betaalt. Anders dan de vrouw acht het hof het redelijk deze (gehele) bijdrage ten laste van de draagkracht van de man te laten komen. De vrouw is het er immers wel mee eens dat de kinderen genoemde bedragen krijgen van de man, zodat zij niet hoeven te lenen en dus geen studieschuld opbouwen. Zij is echter van mening dat de aanvullende bijdrage van € 290,- per kind per maand niet ten koste van haar partneralimentatie mag gaan. Nu het om partijen gezamenlijke kinderen gaat ziet het hof in deze en mede ook in het licht van de levensstandaard zoals partijen die gewoon waren geen reden waarom de man deze door hem feitelijk gemaakte kosten uit zijn vrije ruimte zou moeten voldoen.

Woonlasten

5.26

Niet langer in geschil is dat rekening gehouden kan worden met een bijdrage van de man in de gezamenlijke woonlasten van hem en zijn partner [E] van € 233,- per maand. Het hof zal dit bedrag in de draagkrachtberekening van de man opnemen.

Tuinonderhoud

5.27

De rechtbank heeft geen rekening gehouden met kosten voor tuinonderhoud van de verhuurde voormalig echtelijke woning. De man stelt dat de hovenier hem tot juli 2016

€ 112,- per maand heeft gekost. Hij schat deze kosten per 1 augustus 2016 op € 50,- per maand. De man stelt dat hij deze kosten niet ten laste van de praktijk kan brengen, omdat het privé uitgaven zijn. De vrouw betwist dit.

5.28

Gelet op de wettelijke verplichting van de man om bij te dragen in het levensonderhoud van zijn gewezen echtgenote, acht het hof het niet redelijk om deze kosten, voor zover al voldoende onderbouwd, ten laste te brengen van zijn daarvoor beschikbare draagkracht.

Conclusie

5.29

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties hiervan, alsmede de niet betwiste onderdelen van de draagkrachtberekening zoals door de rechtbank opgesteld, heeft de man met ingang van 4 februari 2016 (tarieven 2016-1) draagkracht voor een partneralimentatie van € 3.164,- bruto per maand en met ingang van 1 september 2016 (tarieven 2016-2) van € 1.275,- bruto per maand. Vergelijking van ieders draagkracht brengt mee dat de vrouw met genoemde bijdragen niet meer vrij te besteden overhoudt dan de man. Het hof zal daarom deze - niet behoefte overstijgende - bijdragen vaststellen.

6 De slotsom

in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als hierna te melden.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

7 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft berekeningen van de draagkracht van de man en de zogeheten jus gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 9 december 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 4 februari 2016 en tot 1 september 2016 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 3.164,- bruto per maand zal betalen en dan vanaf 1 september 2016 € 1.275,- bruto per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.W. Beversluis, M.P. den Hollander en

I.A. Vermeulen, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 25 juli 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.