Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6487

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
WAHV 200.173.859
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De gemachtigde voert aan dat de inleidende beschikking niet voldoet aan artikel 4 van de WAHV en dat hij in zijn belangen is geschaad doordat in de procedure bij de officier van justitie niet nader is gespecificeerd waar op de A12 de gedraging zou zijn geconstateerd. Gelet op het verweer en verzoek van de gemachtigde om nadere informatie had de officier van justitie de op de zaak betrekking hebbende stukken, te weten het zaakoverzicht en

eventueel een foto van de gedraging, aan de gemachtigde moeten zenden. Nu dat niet is gebeurd, had de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie niet in stand mogen laten. Er bestaat geen reden de inleidende beschikking te vernietigen. De inleidende beschikking voldoet aan de in artikel 4 van de WAHV gestelde vereisten. Niet aannemelijk is dat de gemachtigde - doordat niet op het eerste verzoek stukken zijn overgelegd - door het tijdsverloop niet meer in staat moet worden geacht inhoudelijk verweer te kunnen voeren. Het beroep tegen de inleidende beschikking wordt ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.173.859

27 juli 2017

CJIB 180878966

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland

van 1 juli 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [plaats] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] ,

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 249,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen met 28 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 15 april 2014 om 15.21 uur op de A12 te Doorn met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. Ten aanzien van de opgelegde administratieve sanctie voert de gemachtigde aan dat er geen exacte pleeglocatie in de inleidende beschikking staat vermeld en aldus niet wordt voldaan aan artikel 4, eerste lid, Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV). Op de inleidende beschikking stond enkel als pleeglocatie de A12 met de locatie van de handhavingsborden vermeld. Hierdoor kon de gemachtigde niet nagaan of hij inderdaad te hard gereden heeft en kon hij niet ter plekke beoordelen of de maximumsnelheid door middel van juiste bebording is aangegeven. De gemachtigde geeft aan in zijn administratief beroepschrift om een specifiekere plaatsaanduiding te hebben gevraagd. In reactie hierop ontving de gemachtigde een standaardbrief met de beslissing van de officier van justitie waarin niet wordt ingegaan op hetgeen in het administratief beroepschrift is gesteld. De gemachtigde is van mening dat de beslissing van de officier niet deugdelijk is gemotiveerd. Voorts geeft de gemachtigde aan dat hij in zijn verdedigingsbelang is geschaad doordat de gemachtigde pas een jaar na de pleegdatum voor de zitting van de kantonrechter het dossier in kon zien waarin de exacte pleeglocatie stond vermeld en daardoor niet meer de mogelijkheid heeft gehad tot controle van de juistheid van de opgelegde sanctie nu de situatie op de A12 in de tussenliggende periode gewijzigd kan zijn.

3. Artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorziet specifiek voor belanghebbenden in een recht om hangende administratief beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken op te vragen bij het beroepsorgaan. Het gaat daarbij om stukken die nodig zijn om een boete op basis daarvan aan te vechten (vgl. ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129). Naar het oordeel van het hof moet in een zaak als deze daaronder worden begrepen het zaakoverzicht en een eventuele foto van de gedraging (vgl. het arrest van dit hof van 28 september 2015, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2015:7246).

4. In het onderhavige geval heeft de gemachtigde in zijn administratief beroepschrift tegen de inleidende beschikking aangegeven dat hem niet duidelijk is waar de gedraging ter zake waarvan hem een sanctie was opgelegd precies zou zijn verricht. De gemachtigde heeft daartoe aangevoerd dat in de inleidende beschikking slechts de locatie van de handhavingsborden op de A12 staan vermeld. De A12 is echter een lange weg en hieruit valt niet te reconstrueren waar de gedraging zich precies zou kunnen hebben voorgedaan. De gemachtigde heeft de officier van justitie verzocht om hem informatie over de exacte pleeglocatie te doen toekomen.

5. Uit hetgeen de gemachtigde in zijn beroepschrift heeft aangevoerd blijkt dat de gemachtigde zonder de door hem gevraagde informatie niet in staat was om zijn bezwaren tegen de inleidende beschikking te formuleren. Gelet op artikel 7:18, vierde lid, van de Awb vereist een zorgvuldige beoordeling van het beroep door de officier van justitie dat hij de gemachtigde het zaakoverzicht en eventuele foto's van de gedraging doet toekomen.

6. Uit het dossier is echter niet af te leiden dat de officier van justitie vóór het geven van de beslissing op het beroep van de gemachtigde het zaakoverzicht en de foto's van de gedraging aan de gemachtigde heeft doen toekomen. Evenmin is uit het dossier af te leiden of de officier van justitie zich ervan heeft vergewist dat de gemachtigde inmiddels (via een andere weg) over de benodigde informatie beschikte en hem (vervolgens) in de gelegenheid heeft gesteld om zijn bezwaren tegen de inleidende beschikking te formuleren. Gelet hierop heeft de officier van justitie niet in overeenstemming met artikel 7:18, vierde lid, van de Awb gehandeld.

7. Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie ten onrechte in stand heeft gelaten. Het hof zal de bestreden beslissing dan ook vernietigen en, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, met gegrondverklaring van het beroep van de betrokkene, de beslissing van de officier van justitie vernietigen en het beroep van de betrokkene tegen de opgelegde sanctie beoordelen. Dit brengt mee dat de overige bezwaren tegen deze beslissingen geen bespreking meer behoeven. Thans staat het beroep tegen de inleidende beschikking ter beoordeling van het hof.

8. Met betrekking tot de stelling dat de inleidende beschikking geen voldoende specifieke pleeglocatie bevat overweegt het hof dat het uitgangspunt in WAHV-zaken is dat de inleidende beschikking ten aanzien van het kenteken van het voertuig, de aard, plaats en tijd van de gedraging voldoende gegevens bevat om de gedraging waarop de beschikking betrekking heeft te individualiseren (vergelijk onder meer Hof Leeuwarden 26 januari 2005, WAHV 04-00910, ECLI:NL:GHLEE:2005:AS8373, gepubliceerd op rechtspraak.nl). Dat brengt mee dat van een betrokkene mag worden verwacht dat deze op basis van de inleidende beschikking in staat is de bezwaren tegen die beschikking te formuleren. Anders dan de betrokkene heeft gesteld, voldoet de inleidende beschikking aan de in artikel 4 van de WAHV voornoemd gestelde vereisten en wordt geen aanleiding gezien om op die grond de inleidende beschikking te vernietigen.

9. Het hof stelt voorts vast dat de gemachtigde voor de zitting van de kantonrechter het dossier heeft ingezien waarin onder meer de exacte pleeglocatie stond opgenomen. Het hof is niet gebleken dat de betrokkene in enig rechtens te respecteren verdedigingsbelang is geschaad, enkel doordat bepaalde gegevens niet op zijn eerste verzoek zijn overgelegd. Meer in het bijzonder acht het hof niet aannemelijk geworden dat de betrokkene door tijdsverloop niet meer in staat is geweest inhoudelijk verweer te voeren.

10. Gelet op het voorgaande treffen de bezwaren van de gemachtigde tegen de inleidende beschikking geen doel. Voorts ziet het hof geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant dat de gedraging met het voertuig van de betrokkene is verricht. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking daarom ongegrond verklaren.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Stoop als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.