Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6485

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
200.218.222
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek toelating schuldsaneringsregeling. Schulden uit onderneming niet te goeder trouw ontstaan en onbetaald gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer 200.218.222

(rekestnummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: C/05/317444)

arrest van 27 juli 2017

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,
hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. J.A.A. van Buggenum.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 26 juni 2017 is het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar dat vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 27 juni 2017 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, haar verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling toe te wijzen.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met de daarbij behorende stukken, de brieven van mr. Ten Kortenaar namens [ex-werkgever] en [ex-werkgever] van
29 juni 2017 en van 30 juni 2017 met bijlage, de brief van mr. Van Buggenum van
14 juli 2017 met bijlagen en de e-mailberichten van mr. Van Buggenum van 19 juli 2017 met bijlagen.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 juli 2017, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Van Buggenum.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken. [appellant] , geboren op [geboortedatum] , is gehuwd in gemeenschap van goederen met de heer [partner] (hierna: [partner] ) van wie zij duurzaam gescheiden leeft. [appellant] heeft op 11 februari 2015 de winkel, waarin zij het voorafgaande jaar in loondienst werkzaam was, overgenomen van [ex-werkgever] en [ex-werkgever] (hierna: [ex-werkgever] ). Zij heeft de winkel voortgezet onder de naam [naam bedrijf] . In een overeenkomst van
12 juni 2015 is bepaald dat [ex-werkgever] (handelend onder de naam [voormalige bedrijfsnaam] ) de bedrijfsruimte aan [appellant] verhuurde voor € 650,- per maand en dat [appellant] de inventaris en voorraad van voorheen [voormalige bedrijfsnaam] kocht voor € 12.000,-, te voldoen in wekelijkse termijnen van € 100,-. Op 31 augustus 2016 is [appellant] feitelijk gestopt met de onderneming. De Kamer van Koophandel heeft op 3 oktober 2016 de onderneming ambtshalve doorgehaald wegens opheffing van onderneming. Thans ontvangt [appellant] een uitkering ingevolge de Participatiewet.

3.2

De schuldenlast van [appellant] bedraagt volgens de bij het inleidende verzoekschrift WSNP ex artikel 284 van de faillissementswet (hierna: Fw) gevoegde crediteurenlijst en de nagezonden stukken bij e-mailbericht van mr. Van Buggenum van 19 juli 2017 in totaal
€ 41.831,45. Tot deze schuldenlast behoren onder meer een schuld aan [voormalige bedrijfsnaam] van € 13.477,41 ontstaan in januari 2017 en een schuld aan Defam Credit B.V. (hierna: Defam) van € 25.492,41 ontstaan in januari 2000.

3.3

In eerste aanleg hebben [partner] en [appellant] verzocht beiden toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft het verzoek van [partner] toegewezen en het verzoek van [appellant] afgewezen. [appellant] heeft naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende aannemelijk gemaakt dat zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de afgelopen vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank legt aan dit oordeel ten grondslag dat [appellant] de winkel te lichtvaardig is begonnen en dat zij had moeten weten dat zij moest investeren om de winkel draaiende te houden en om de voorraad op niveau te krijgen. Voor die investeringen had [appellant] geen geld omdat al sprake was van een problematische schuldensituatie toen zij de winkel overnam.

3.4

Bij verzoekschrift van 27 juni 2017 heeft [appellant] het hof verzocht een voorlopige voorziening te treffen strekkende tot een verbod tot executie hangende het hoger beroep inzake de toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Bij beschikking van
27 juni 2017 heeft het hof verboden over te gaan tot verkoop van de in executoriaal beslag genomen roerende zaken, zoals vermeld in het proces-verbaal van 17 mei 2017, totdat in het op 27 juni 2017 ingediende beroep tegen de afwijzing tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling een eindbeslissing is genomen, met uitzondering van de in die beschikking genoemde roerende zaken.

3.5

Bij brief van 29 juni 2017 hebben [ex-werkgever] bezwaar gemaakt tegen het toelaten van [appellant] tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

3.6

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de uit de onderneming voortvloeiende schulden te goeder trouw is geweest en dat zij daarom niet kan worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het hof oordeelt daartoe als volgt.
Uit de stukken en hetgeen ter mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is gebleken dat [appellant] een aanzienlijke betalingsverplichting had lopen, vanwege het krediet bij Defam, toen zij met de winkel begon. Bij overname van de winkel had [partner] een WIA-uitkering en ontving [appellant] een salaris van € 700,-- per maand. Vanwege hun inkomenssituatie betaalden [partner] en [appellant] slechts rente en geen aflossing op de schuld aan Defam. [appellant] beschikte verder niet over financiële middelen bij het starten van de onderneming. Zoals zij ter zitting heeft verklaard, heeft zij wegens dit gebrek aan middelen ook geen advies ingewonnen bij en geen onderzoek laten verrichten door een accountant naar de levensvatbaarheid van de winkel. Zij is afgegaan op een handgeschreven ‘kladje’ van de vader van Van Leur met een berekening van de mogelijke wekelijkse winst. De beslissing om de onderneming aldus te starten zonder enig verder onderzoek te (laten) doen naar de levensvatbaarheid van de winkel acht het hof niet verantwoord. Daarnaast had [appellant] behoren te weten dat zij noodzakelijke uitgaven diende te doen om de voorraad van de winkel op peil te krijgen en zij in de winkel diende te investeren om deze draaiende te houden. Ten tijde van de overname van de winkel was slechts zeventig euro in kas en was de winkel half leeg. [appellant] had zich de vraag moeten stellen of zij de onderneming wel had moeten starten nu zij geen geld voor handen had en dus ook op geen enkele wijze voorbereid was op financiële tegenvallers. [appellant] heeft zich met de overname in een dermate kwetsbare financiële positie gemanoeuvreerd, dat zij bij de minste of geringste tegenslag in de problemen zou komen. Deze problemen hebben zich nadien ook verwezenlijkt, doordat zij al spoedig niet in staat bleek aan haar verplichtingen jegens [ex-werkgever] en leveranciers te voldoen.

Gelet op deze omstandigheden kan het oordeel niet anders zijn dan dat een substantieel deel van de schulden van [appellant] niet te goeder trouw is ontstaan en onbetaald is gebleven, hetgeen aan toelating van [appellant] tot de schuldsaneringsregeling in de weg staat. Het verzoek om toelating van [appellant] tot de schuldsanering is dan ook niet toewijsbaar op grond van artikel 288 lid 1, aanhef en onder b, Fw.

3.7

Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek van [appellant] op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch zou moeten worden toegewezen is niet gebleken. [appellant] heeft haar beroep hierop niet gemotiveerd. De slotsom is dat het hoger beroep faalt en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van
26 juni 2017.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, voorzitter, M.B. Beekhoven van den Boezem en S.M. Evers, bij afwezigheid van de voorzitter door de jongste raadsheer ondertekend en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2017.