Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6466

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
03-08-2017
Zaaknummer
200.179.008/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest; curator komt geen beroep op faillissementspauliana toe; bewijsopdracht van schenking;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4104
INS-Updates.nl 2017-0287
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.179.008/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/108498/ HA ZA 15-2)

arrest van 25 juli 2017

in de zaak van

[appellant] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [VOF] en de heer [vennoot X] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de curator,

advocaat: mr. F. Douma-Jongsma, kantoorhoudend te Assen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. P.L.G. Buisman, kantoorhoudend te Assen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 28 februari 2017 hier over.

1.2

Ingevolge het vermelde tussenarrest heeft op 9 mei 2017 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.3

Daarna hebben partijen wederom arrest gevraagd op grond van het comparitiedossier aangevuld met het proces-verbaal van de comparitie van partijen en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof ziet aanleiding de feiten opnieuw vast te stellen. Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.

2.2

De heer [vennoot X] (hierna: [vennoot X] ) is samen met [vennoot Y] en [vennoot Z] vennoot geweest van [VOF] (hierna: de VOF).

2.3

De VOF had ultimo boekjaar 2010 een negatief eigen vermogen van € 372.406,-. Het negatieve werkkapitaal bedroeg € 61.076,-. De liquiditeitsratio over 2010 bedroeg 0,8. De verhouding eigen vermogen/vreemd vermogen was in 2010 51,6%.

2.4

De VOF had ultimo boekjaar 2011 een negatief eigen vermogen van € 382.563,-. Het negatieve werkkapitaal bedroeg € 36.104,-. De liquiditeitsratio over 2011 bedroeg 0,9. De verhouding eigen vermogen/vreemd vermogen was in 2011 50,3%.

In de jaarrekening 2011 is de volgende toelichting op de langlopende schulden opgenomen”

‘Hypothecaire lening betreft een schuld aan de Rabobank.

Het betreft een hypothecaire geldlening van de Rabobank onder nummer [nr.] met een hoofdsom van € 334.000,-. Aflossing vindt plaats in 10 jaren. De rente bedraagt 5,9% en is vast tot en met 2013. De woningen van de firmanten zijn mede verbonden aan de lening tot meerdere zekerheid.

Achtergestelde lening betreft een schuld aan mr. [A] .

Het betreft een achtergestelde lening van de heer [A] wonende te [woonplaats] , verstrekt bij de overnamen van de onderneming. Omtrent de exacte hoogte van de lening (het openstaande deel) maken wij een voorbehoud. Door een geschil in het verleden en betalingsproblemen van de onderneming is de aflossing enige tijd opgeschort geweest. De vaststelling van het openstaande bedrag van de lening en de verschuldigde rente moet nog worden vastgesteld en is onder de advocaten van partijen. De destijds overeengekomen maandelijkse aflossing bedraagt € 2.500,- waaraan de onderneming niet heeft kunnen voldoen. De lening is in 2011 “opgeboekt” naar het verschuldigde bedrag naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank.’

De schuld uit hoofde van de achtergestelde lening wordt in de jaarrekening 2011 per ultimo 2011 op een bedrag van € 131.436,- gesteld.

2.5

[vennoot X] was eigenaar van een achttal auto’s, te weten:

1) een Astin Martin Lagonda [naam] , kenteken [kenteken 1]

2) een Chevrolet Blazer, kenteken [kenteken 2]

3) een Aston Martin Lagonda, kenteken [kenteken 3]

4) een Chevrolet Master, kenteken [kenteken 4]

5) een DAF 31, kenteken [kenteken 5]

6) een Eigenbouw [vennoot X] , kenteken [kenteken 6]

7) een Ford Capri, kenteken [kenteken 7]

8) een Eigenbouw, kenteken [kenteken 8]

2.6

[geïntimeerde] en [vennoot X] hebben sinds april 2011 een affectieve relatie met elkaar.

2.7

De kentekens van de in rov 2.5 genoemde auto’s zijn op 17 september 2012 overgeschreven op naam van [geïntimeerde] .

2.8

Vennoot [vennoot Z] is op enig moment uit de VOF getreden. De VOF en de overblijvende vennoten [vennoot Y] en [vennoot X] zijn op 27 augustus 2014 failliet verklaard met aanstelling van mr. [appellant] voornoemd als curator.

2.9

De curator heeft op 28 augustus 2014 een bezoek gebracht aan de bedrijfslocatie van de VOF. De curator heeft op het terrein c.q. in het pand van de VOF de Aston Martin met het kenteken [kenteken 3] en de Ford Capri aangetroffen. Nadien heeft de curator de Chevrolet Blazer, de Chevrolet Master, de Daf 31 (in onderdelen) en de Eigenbouw met kenteken [kenteken 8] aangetroffen in de schuur c.q. op het erf bij de woning van [vennoot X] . De Eigenbouw [vennoot X] stond bij een kennis van [vennoot X] in de schuur.

2.10

De curator heeft bij brief van 14 oktober 2014 aan [geïntimeerde] medegedeeld dat er volgens hem sprake is van een schenking van de auto’s door [vennoot X] aan [geïntimeerde] die op grond van artikel 42 Faillissementswet (Fw) wegens benadeling van de schuldeisers van [vennoot X] vernietigbaar is. De curator heeft vervolgens bij e-mail van 12 november 2014 deze volgens hem onverplichte rechtshandeling vernietigd en jegens [geïntimeerde] aanspraak gemaakt op afgifte van de auto’s met de bijbehorende sleutels en kentekenpapieren.

2.11

[geïntimeerde] heeft de auto’s, met bijbehorende papieren en sleutels, aan de curator afgegeven, onder de voorwaarde dat de curator de door hem voorgenomen verkoop van de auto’s zal opschorten totdat in rechte onherroepelijk is beslist of er al dan niet sprake is van een rechtsgeldige vernietiging door de curator. De curator is met deze voorwaarde akkoord gegaan.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[geïntimeerde] heeft de curator gedagvaard en gevorderd - kort gezegd - een verklaring voor recht dat de curator ten onrechte de faillissementspauliana heeft ingeroepen en de curator te veroordelen tot afgifte aan haar van de acht auto’s met bijbehorende papieren en sleutels, met veroordeling van de curator in de proceskosten.

3.2

De rechtbank heeft geoordeeld dat de curator onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van benadeling van schuldeisers en van wetenschap van [vennoot X] van die benadeling en om die reden het beroep van de curator op de faillissementspauliana verworpen. De rechtbank heeft vervolgens de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen.

4. De beoordeling van de grieven in het principaal en het incidenteel appel en de vordering

4.1

[geïntimeerde] heeft in het incidenteel appel met grief 4 haar vordering aangevuld. De curator heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Het hof ziet ook ambtshalve geen redenen om deze vermeerdering van eis buiten beschouwing te laten, zodat het hof recht doen op de gewijzigde eis, die thans luidt als volgt:

“het vonnis van de rechtbank, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden te bekrachtigen, zulks met inachtneming van de vermeerdering van eis, met dien verstande dat mr. [appellant] qq. wordt bevolen om mee te werken aan reële executie van het in deze te wijzen arrest door afgifte aan [geïntimeerde] van de auto’s, autopapieren en autosleutels in kwestie, zulks met veroordeling van mr. [appellant] qq. tot betaling van de proceskosten in het incidentele hoger beroep.”

4.2

De curator heeft vijf grieven aangevoerd in het principaal appel. Grief I ziet op de vaststelling van de feiten door de rechtbank: nu het hof zelf, rekening houdende met de opmerkingen van de curator, de feiten heeft vastgesteld, heeft de curator bij deze grief geen zelfstandig belang meer. Grief II stelt de eigendomsoverdracht van de auto’s op grond van een schenking aan de orde. De grieven III en IV richten zich op het oordeel van de rechtbank omtrent de (wetenschap van) benadeling. Grief V bouwt voort op de andere grieven en ziet op de proceskostenveroordeling in eerste aanleg van de curator.

4.3

In het incidenteel appel heeft [geïntimeerde] , naast de hiervoor genoemde grief 4, nog een aantal andere grieven aangevoerd. De grieven 1, 2 en 3 betreffen de vaststelling van de feiten. Met grief 3 – de vermelding van het kenteken van de Daf - heeft het hof in zijn zelfstandige vaststelling van de feiten reeds rekening gehouden. De in grief 1 geponeerde stelling dat, anders dan de rechtbank heeft vastgesteld, de schenking van de auto’s niet heeft plaatsgevonden in april 2012, maar op 12 januari 2012 is door de curator betwist, zodat het niet als vaststaand kan gelden. Het door de rechtbank vastgestelde feit (rov. 4.7) dat sprake was van een schenking onder voorwaarde heeft het hof niet overgenomen, waarmee grief 2 waarin dat aan de orde is gesteld verder geen bespreking behoeft. Grief 5 in het incidenteel appel betreft een verklaring van de advocaat van [geïntimeerde] ter comparitie in eerste aanleg. De grieven in het principaal en het incidenteel appel lenen zich aldus voor gezamenlijke beoordeling, waarbij het hof ook rekening zal houden met hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd.

4.4

De vorderingen van [geïntimeerde] zijn gebaseerd op de stelling dat zij eigenares is van de acht auto’s. Zij heeft daartoe gesteld dat [vennoot X] haar ter bevestiging van hun relatie de auto’s heeft geschonken doordat [vennoot X] haar tijdens een etentje op 20 januari 2012 een doosje heeft overhandigd met daarin de sleutels en de kentekenbewijzen van de auto’s. [geïntimeerde] stelt dat zij ook over de sleutels van de opslagruimte van de auto’s beschikte en in de auto’s heeft gereden. De curator heeft aangevoerd dat de auto’s - met uitzondering van de Aston Martin [naam] - niet in de macht van [geïntimeerde] zijn gebracht, waartoe de curator heeft gewezen op de in rov. 2.9 genoemde feiten. De curator heeft de stellingen van [geïntimeerde] omtrent de overhandiging van het doosje met de sleutels en kentekenbewijzen betwist. Volgens hem zijn enkel de kentekenbewijzen in september 2012 op naam van [geïntimeerde] gezet, maar dat heeft niet bewerkstelligd dat de eigendom van de auto’s is overgaan van [vennoot X] op [geïntimeerde] .

4.5

Het hof overweegt het volgende.

4.6

Voor eigendomsoverdracht van de bedoelde zeven auto’s - met als gevolg dat deze het vermogen van [vennoot X] hebben verlaten - is vereist dat deze door [vennoot X] aan [geïntimeerde] zijn geleverd. Daartoe is nodig, naast de hier niet aan de orde zijnde overige vereisten van artikel 3:84 lid 1 BW, een leveringshandeling waarmee aan [geïntimeerde] het bezit van de auto’s is verschaft. Die bezitsverschaffing dient te geschieden op een wijze zoals is bepaald in de artikelen 3:114 of 3:115 BW. In deze zaak speelt artikel 3:115 BW geen rol, nu [geïntimeerde] zich niet op bezitsverschaffing op grond van dat artikel heeft beroepen.

4.7.

Wat betreft de beantwoording van de vraag of - naar verkeersopvattingen te beoordelen - [vennoot X] zijn bezit aan [geïntimeerde] heeft overgedragen, overweegt het hof als volgt. Dat [geïntimeerde] in de auto’s heeft gereden - met uitzondering van de Daf, die nog slechts uit losse onderdelen bestaat, en de twee incomplete/defecte Eigenbouwauto’s - en dat in september 2012 de auto’s in het kentekenregister van de RDW op naam van [geïntimeerde] zijn gezet zijn omstandigheden die op zich onvoldoende bewijs opleveren voor de eigendomsoverdracht aan [geïntimeerde] , omdat die niet (zonder meer) wijzen op bezitsverschaffing.

Indien echter vast komt te staan dat [vennoot X] de sleutels met kentekenbewijzen aan [geïntimeerde] heeft overhandigd, met daarbij de - door de niet door de curator bestreden - omstandigheid dat [geïntimeerde] beschikte over de sleutels van de opslagruimten van de auto’s. en aldus [vennoot X] [geïntimeerde] in staat heeft gesteld die macht over de auto’s uit te oefenen die hij zelf had, is er sprake is van bezitsverschaffing.

4.8

De curator heeft evenwel gemotiveerd betwist dat de door [geïntimeerde] gestelde wijze van bezitsverschaffing op grond van een schenking in januari 2012 heeft plaatsgevonden. Het hof ziet daarom aanleiding om [geïntimeerde] conform haar bewijsaanbod in hoger beroep te belasten met het bewijs van haar stelling dat [vennoot X] haar op 20 januari 2012 als schenking de sleutels en de kentekenbewijzen van de zeven bedoelde auto’s heeft gegeven.

4.9

Indien [geïntimeerde] slaagt in haar bewijsopdracht dan dient te worden beoordeeld of de eigendomsoverdracht van de bedoelde auto’s terecht is vernietigd door de curator op grond van de faillissementspauliana. Eenzelfde beoordeling dient hoe dan ook ten aanzien van de Aston Martin [naam] te worden gedaan, nu deze zich ten tijde van het faillissement in het bedrijfspand van de VOF bevond en derhalve niet in het bezit was van [geïntimeerde] . Het hof ziet daarom aanleiding vooruitlopend op de uitkomsten van de bewijslevering daarover reeds nu een oordeel te geven.

4.10

De curator heeft ter onderbouwing ter toelichting op de grieven III en IV dat sprake is van een vernietigbare rechtshandeling op grond van artikel 42 Fw het volgende aangevoerd. De schenking heeft geleid tot benadeling van de schuldeisers van [vennoot X] , omdat de VOF in 2011 feitelijk technisch failliet was: er was sprake van ondermaatse solvabiliteit en liquiditeit en een gering werkkapitaal. De accountant van de VOF heeft de vennoten in juli 2012 ten tijde van de vaststelling van de jaarrekening over 2011 dan ook gewaarschuwd voor deze zorgelijke financiële situatie, welke waarschuwing blijkt uit de jaarrekening. Om die reden hebben de vennoten ter afwending van privé-aansprakelijkheid gesproken over omzetting van de VOF in een besloten vennootschap. Volgens de curator vormen deze feiten en omstandigheden voldoende grond om aan te nemen dat bij [vennoot X] ten tijde van de schenking sprake was wetenschap van benadeling van zijn schuldeisers. Die benadeling vindt ook plaats omdat deze schuldeisers zich niet meer op de auto’s kunnen verhalen.

4.11

Op grond van artikel 42 lid Fw kan de curator kan ten behoeve van de boedel elke rechtshandeling die de schuldenaar vóór de faillietverklaring onverplicht heeft verricht en waarvan deze bij dit verrichten wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn, door een buitengerechtelijke verklaring vernietigen. Daarbij geldt op grond van 42 lid 2 Fw de beperking dat een rechtshandeling anders dan om niet, die hetzij meerzijdig is, hetzij eenzijdig en tot een of meer bepaalde personen gericht, wegens benadeling slechts kan worden vernietigd, indien ook degenen met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte, wisten of behoorden te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn. De curator heeft de stelplicht en bewijslast ten aanzien van alle elementen van de faillissementspauliana.

4.12

Tussen partijen is niet in geschil dat de onderhavige schenking als een onverplichte rechtshandeling om niet moet worden beschouwd, zodat - naast benadeling van schuldeisers - enkel wetenschap van [vennoot X] van die benadeling hoeft te blijken en niet van wetenschap daarvan bij [geïntimeerde] . De hiervoor genoemde beperking op grond van artikel 42 lid 2 Fw doet zich in deze zaak dus niet voor.

4.13

Voor de beantwoording van de vraag of dan niet sprake is van benadeling van schuldeisers als bedoeld in artikel 42 Fw, geldt de regel dat die benadeling aanwezig moet zijn op het tijdstip waarop de curator zijn rechten doet gelden. Indien, zoals in deze zaak, wordt gestreden over de vraag of de curator terecht een beroep doet op artikel 42 Fw, is het met betrekking tot de door dat artikel vereiste benadeling nodig, maar ook voldoende, dat zij aanwezig is op het moment dat de rechter over de vordering beslist. (HR 19 oktober 2001 ECLI:NL:HR:2001:ZC3654). De vraag of benadeling aanwezig is op het moment dat de rechter over de vordering beslist moet worden beantwoord door de hypothetische situatie waarin de schuldeisers zouden hebben verkeerd zonder die gewraakte rechtshandeling te vergelijken met de situatie waarin zij feitelijk verkeren als die handeling onaangetast blijft.

4.14

Naar het oordeel van het hof heeft de curator afdoende aangetoond dat er op dit moment sprake is van benadeling van schuldeisers in vorenbedoelde zin. De curator heeft immers gesteld dat er sprake is van schulden van [vennoot X] van een zodanige omvang dat die niet volledig op het thans aanwezige boedelvermogen van [vennoot X] verhaalbaar zijn. De curator heeft gewezen op schulden aan de Rabobank van ongeveer € 570.000,- die resteert nadat zekerheden – de woning van [vennoot X] – zijn uitgewonnen op schulden aan andere schuldeisers van ongeveer € 20.000,-. Deze feitelijke stellingen van de curator zijn door [geïntimeerde] niet gemotiveerd betwist, zodat kan worden aangenomen dat de verhaalspositie van de schuldeisers beter zou zijn indien de auto’s nog tot het vermogen van [vennoot X] zouden behoren. In zoverre is grief II waarin wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van benadeling terecht voorgedragen.

4.15

Van wetenschap van benadeling in de zin van art. 42 Fw is sprake indien ten tijde van de handeling het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid was te voorzien voor [vennoot X] (HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8493, NJ 2010/273, ABN AMRO/Van Dooren q.q. III, rov. 3.7-3.10 en HR 7 april 2017 ECLI:NL:HR:2017:635). Het gaat om wetenschap van daadwerkelijke benadeling: wetenschap van een kans op benadeling is niet voldoende (HR 1 oktober 1993, NJ 1994,257 Ontvanger/Pellicaan, HR 17 november 2000, NJ 2001, 2720).

4.16

Het hof stelt vast dat de curator zijn stellingen omtrent de wetenschap van [vennoot X] in baseert op een analyse van de jaarrekening van [VOF] die in juli 2012 is vastgesteld en een naar aanleiding daarvan plaatsgevonden hebbende bespreking met de accountant, die zou hebben gewezen op de slechte financiële positie van de VOF. Die omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende om aan te nemen dat de vereiste wetenschap van [vennoot X] omtrent een naderend faillissement en een tekort daarin voorzienbaar was. Het hof leest in de stellingen van de curator in essentie geen andere dan die door de rechtbank in rov. 6.10.4 van het vonnis – op goede gronden – zijn verworpen. Het hof neemt die overwegingen over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt daaraan toe dat in januari 2012 de jaarrekening over 2011 nog niet bekend was en dat had het gesprek met de accountant niet had plaatsgevonden. Aan de door de curator gestelde wetenschap kunnen die omstandigheden op het voor de beoordeling relevante moment niet hebben bijgedragen. Op grond van welke andere feiten en omstandigheden gebaseerd kan worden dat [vennoot X] ook al in januari 2012 [vennoot X] wetenschap van benadeling had, heeft de curator in het midden gelaten.

4.17

Tegenover de stellingen van de curator staat bovendien het betoog van [geïntimeerde] dat de VOF eerst in 2013 in zwaar weer is gekomen met het uittreden van vennoot [vennoot Z] en dat [vennoot X] gezien zijn vermogen in 2011 en 2012 nog in staat was om het negatieve vermogen van de VOF te dragen: [vennoot X] beschikte, zo heeft [geïntimeerde] onbetreden door de curator gesteld, een eigen woning met een overwaarde van ruim € 240.000,- en spaar-en beleggingstegoeden ( memorie van antwoord bladzijde 4). Het had op de weg van de curator gelegen zijn stellingen omtrent de wetenschap van benadeling bij [vennoot X] nader te onderbouwen. Nu hij dat heeft nagelaten is er geen grond om hem tot bewijslevering toe te laten.

4.18

Bij het voorgaande heeft het hof de curator niet gevolgd in zijn betoog dat niet de maatstaf van ABN AMRO/Van Dooren q.q. III zou gelden, maar dat als beoordelingsmaatstaf zou moeten worden aangelegd of met een redelijke mate van waarschijnlijkheid verhaalsbenadeling kon worden voorzien, waarbij niet vereist is dat het faillissement en het tekort daarin voorzienbaar waren (memorie van grieven randnummer 77). Ook indien het hof die maatstaf zou hebben toegepast zou het hof om dezelfde redenen tot het oordeel zijn gekomen dat de curator onvoldoende heeft gesteld voor de voor vernietiging van de schenking benodigde wetenschap van benadeling van [vennoot X] .

4.19

Grief IV slaagt derhalve niet, zodat het slagen van grief II de curator niet kan baten. Dat brengt mee dat de curator ten onrechte de faillissementspauliana heeft ingeroepen en gehouden is de Aston Martin [naam] aan [geïntimeerde] af te geven.

4.20

Of ook de overige auto’s door de curator aan [geïntimeerde] moeten worden afgegeven hangt af van de uitkomsten van de bewijslevering. Het hof zal daarom iedere verdere beslissing aanhouden tot na de bewijslevering.

5 Beslissing:

Het hof, rechtdoende in hoger beroep,

draagt [geïntimeerde] op te bewijzen dat [vennoot X] haar op 20 januari 2012 de sleutels en de kentekenbewijzen van de zeven ten processe bedoelde auto’s heeft gegeven;

bepaalt dat, indien [geïntimeerde] uitsluitend bewijs door bewijsstukken wenst te leveren, zij die stukken op de roldatum 22 augustus 2017 in het geding dient te brengen,

bepaalt dat, indien [geïntimeerde] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. J. Smit, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen in persoon bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat [geïntimeerde] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal/zullen opgeven op de roldatum

8 augustus 2017, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [geïntimeerde] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt iedere verdere beslissing aan;

Dit arrest is gewezen door mr. J. Smit, mr. I. Tubben en mr. M. Wolters en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2017.