Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:645

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
200.163.591
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg CAO. Standaardkarakter. Wijziging arbeidsvoorwaarden na invoering nieuwe CAO.

Wetsverwijzingen
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst 9
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2017/89
AR 2017/1392
JAR 2017/68 met annotatie van mr. H.H.M.A. Foesenek
AR-Updates.nl 2017-0317
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.163.591

(zaaknummer rechtbank 2470845)

arrest van 31 januari 2017

in de zaak van

de stichting Stichting Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland,

gevestigd te Zutphen,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de Stichting,

advocaat: mr. P.Th. Sick,

tegen:

1 [geïntimeerde 1] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

2 [geïntimeerde 2] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

3 [geïntimeerde 3] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

4 [geïntimeerde 4] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

5 [geïntimeerde 5] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

6 [geïntimeerde 6] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

7 [geïntimeerde 7] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

8 [geïntimeerde 8] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

9 [geïntimeerde 9] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

10 [geïntimeerde 10] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

11 [geïntimeerde 11] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

12 [geïntimeerde 12] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

13 [geïntimeerde 13] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

14 [geïntimeerde 14] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

15 [geïntimeerde 15] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers,

hierna: [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. R.A. Uhlenbusch.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 9 juli 2014 dat de kantonrechter (rechtbank Gelderland, sector kanton, locatie Zutphen) tussen partijen heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 6 oktober 2014,

- de memorie van grieven (met productie),

- de memorie van antwoord/tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep (met productie),

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep,

- de schriftelijke pleidooien overeenkomstig de pleitnotities d.d. 23 februari 2016.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De Stichting vordert in het principaal hoger beroep dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (het hof leest:) het bestreden vonnis van de rechtbank geheel zal vernietigen, en, opnieuw rechtdoende, alsnog [geïntimeerden] in hun vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, althans hen die zal ontzeggen, onder hun veroordeling in de proceskosten in beide instanties.

2.4

[geïntimeerden] vorderen in het incidenteel hoger beroep dat het hof (het hof leest:) het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, alsnog (het hof leest:) de Stichting zal veroordelen tot betaling van
primair:
A. het bedrag (maaltijdvergoeding) à € 17,- netto per dag dat zij een 24-uursdienst gedraaid hebben, (met terugwerkende kracht) van 1 januari 2011 tot 1 juli 2013. Op dit bedrag dient in mindering worden gebracht het brutobedrag dat de Stichting reeds in het kader van het advies van de Commissie Hardheidsclausule aan hen heeft betaald;

B. de vergoeding voor reistijd anders dan reizen tussen huis en de eigen standplaats conform het roosterreglement 2004, (met terugwerkende kracht) vanaf 1 januari 2011 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst(en) geëindigd zal (zullen) zijn;

subsidiair:

C. de vergoeding voor reistijd anders dan reizen tussen huis en de eigen standplaats conform het roosterreglement 2004, (met terugwerkende kracht) vanaf 1 januari 2011 tot 1 januari 2013;

meer subsidiair:

D. bedragen ter zake het (vervallen van) de hiervoor genoemde vergoedingen volgens een naar billijkheid door het hof vast te stellen overgangsregeling;

in alle gevallen:

E. voornoemde vorderingen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van de opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening en de buitengerechtelijke incassokosten ad € 363,-;

F. in het (het hof leest:) arrest reeds bij voorbaat een bevelschrift op te nemen ex artikel 237 lid 4 Wetboek van Rechtsvordering ten behoeve van inning van de nakosten in het onderhavige geding.

3 De vaststaande feiten

3.1

[geïntimeerden] werken op basis van een arbeidsovereenkomst als ambulancechauffeur of ambulanceverpleegkundige bij de Stichting.

3.2

In 2004 en 2010 is een roosterreglement tot stand gekomen waarin onder meer het volgende is bepaald:

- roosterreglement 2004:

“(…) Lunches en diners tijdens diensten

(…)

In geval van het draaien van 24 uurs diensten krijgt de medewerker een vergoeding die na overleg met de belastingdienst wordt vastgesteld. Momenteel is die vergoeding gebaseerd op € 17,00 per dag. Gedurende de dienst zorgt de werknemer zelf voor zijn lunch, diner en avondbesteding.

(…)

Tabel reiskosten en reisuren

In principe is elke werknemer gekoppeld aan een vaste standplaats. Op het moment dat de werknemer ingezet wordt op een andere standplaats dan kan de medewerker de kilometers en reistijd declareren volgens een vast aantal kilometers en reistijd. Deze tabel is als bijlage toegevoegd aan het roosterreglement.

(…)

In het roosterreglement 2010 is bij beide vergoedingen een verwijzing naar de collectieve arbeidsovereenkomst (hierna: cao) opgenomen.

3.3

Met ingang van 1 januari 2011 is de CAO Sector Ambulancezorg 2011 - 2013 (hierna: de CAO 2011) van kracht geworden. Blijkens de Preambule van de CAO vormt de directe aanleiding voor de totstandkoming daarvan de inwerkingtreding van de Wet ambulancezorg en is het aantal cao’s binnen de sector Ambulancezorg met deze CAO teruggebracht van vier naar één. Bij besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 december 2010 is de CAO 2011 met ingang van 1 januari 2011 algemeen verbindend verklaard tot en met 31 december 2012. In de CAO 2011 zijn geen regelingen opgenomen ter zake vergoedingen voor maaltijden en reiskosten zoals voorkomend in het roosterreglement.

In de CAO 2011 is onder meer het volgende bepaald:

Preambule

Voor u ligt de sector-cao Ambulancezorg. De bij de cao betrokken partijen zijn er in geslaagd om het aantal cao’s binnen de sector Ambulancezorg terug te brengen van vier tot één. Deze cao regelt de arbeidsvoorwaarden voor alle medewerkers binnen de sector. De hoofdlijnen van de cao zijn partijen overeengekomen in een Sociaal Akkoord sector ambulancezorg op 19 mei 2009 en een Principe Akkoord sector ambulancezorg op

11 november 2009, welke akkoorden als bijlage V aan deze cao zijn gehecht.

De directe aanleiding voor de totstandkoming van de cao vormt de toekomstige inwerkingtreding van de Wet ambulancezorg. De cao stelt de werkgevers in staat om vanuit een gelijkwaardige uitgangspositie in te schrijven op de te verlenen vergunningen. (…)

Voor het eerst zijn de arbeidsvoorwaarden voor zowel publieke als private werknemers in materiële zin gelijk en worden deze geregeld in één cao. (…)

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

(…)

Artikel 1.4 Standaardkarakter

De bepalingen in deze cao hebben een standaardkarakter. Dit betekent dat werkgevers en werknemers niet van de standaardbepalingen kunnen afwijken, tenzij in de betreffende bepaling anders is geregeld.

(…)

Artikel 1.6 Interpretatiecomissie cao

Het kan voorkomen dat werkgever en werknemer het niet eens zijn over de wijze waarop een of meer bepalingen uit deze cao moeten worden gelezen of uitgelegd. Als zij daar in onderling overleg niet uitkomen, kunnen zij hun meningsverschil voorleggen aan de Interpretatiecommissie cao. (…) De Commissie geeft binnen twee maanden nadat het geschil aan haar is voorgelegd een bindend advies af. (…)

Hoofdstuk 4 Salaris/toeslagen/vergoedingen, tegemoetkomingen en regelingen/bovenwettelijke werkloosheidsuitkering

(…)

Bijlage V Sociaal Akkoord sector ambulancezorg van 19 mei 2009 en Principe Akkoord sector ambulancezorg van 11 november 2009

Sociaal Akkoord sector ambulancezorg

(…)

2. Het sociaal akkoord bevat drie nauw samenhangende onderdelen die in verband met de overgang naar het nieuwe systeem van vergunningverlening in acht zullen worden genomen door de huidige en nieuwe vergunninghouders:

- het garanderen van de werkgelegenheid van het huidige personeel;

- het overeenkomen en toepassen van één cao voor de gehele sector, die op het moment van inwerkingtreding kostenneutraal zal moeten zijn ten opzichte van de thans geldende cao’s;

(…)

4. De primaire arbeidsvoorwaarden worden op het moment van overgang naar de nieuwe cao gegarandeerd. (…)

Wat betreft de overige secundaire en tertiaire arbeidsvoorwaarden zullen de verschillende bepalingen in de huidige cao’s geharmoniseerd worden en van nieuwe inbreng voorzien, zonder dat dit per saldo tot hogere totale kosten leidt ten opzichte van de kosten van deze bepalingen in de huidige cao’s.

(…)

7. (…)

Het akkoord bevat ook de hoofdlijnen van de nader uit te werken uniforme standaard-cao voor de sector ambulancezorg per 1 januari 2010. (…).”

3.4

Met ingang van 1 januari 2013 is de nieuwe CAO Sector Ambulancezorg van kracht geworden (hierna: de CAO 2013). De CAO 2013 voorziet per 1 juli 2013 in een maaltijdvergoeding. Op 3 februari 2014 is de CAO 2013 algemeen verbindend verklaard.

In artikel 1.4 van de CAO 2013 is het volgende bepaald:

“De bepalingen in deze cao hebben een standaardkarakter. Dit betekent dat niet van de cao-bepalingen kan worden afgeweken, tenzij in de betreffende bepaling anders is geregeld, of aanvullende arbeidsvoorwaarden overeengekomen kunnen worden”.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[geïntimeerden] hebben in eerste aanleg, na wijziging van hun eis, gevorderd dat de kantonrechter
primair:

a. de Stichting zal veroordelen aan hen te betalen het bedrag (maaltijdvergoeding) à € 17,00 netto per dag dat zij een 24-uursdienst gedraaid hebben, (met terugwerkende kracht) van

1 januari 2011 tot en met 3 februari 2014. Op dit bedrag dient in mindering te worden gebracht het brutobedrag dat de stichting reeds in het kader van het advies van de Commissie Hardheidsclausule aan eisers heeft betaald;

b. de Stichting zal veroordelen aan hen te betalen de vergoeding voor reistijd anders dan reizen tussen huis en de eigen standplaats conform het roosterreglement 2004 (met terugwerkende kracht) vanaf 1 januari 2011 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst (en) geëindigd zal (zullen) zijn;

subsidiair:

c. de Stichting zal veroordelen aan hen te betalen bedragen ter zake het (vervallen van) de hiervoor genoemde vergoedingen volgens een naar billijkheid door de kantonrechter vast te stellen overgangsregeling;

en zowel primair als subsidiair:

d. bovengenoemde vorderingen zal vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 Burgerlijk Wetboek (BW) en de wettelijke rente vanaf het moment van de opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening en de buitengerechtelijke incassokosten ad € 363,00;

e. de Stichting zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

4.2

De Stichting heeft zich verweerd tegen de vorderingen.

4.3

De kantonrechter heeft bij vonnis van 9 juli 2014 de Stichting veroordeeld om aan ieder der eisers te betalen:

a. het bedrag van € 17,00 netto aan maaltijdvergoeding per dag dat zij een 24-uursdienst hebben gedraaid vanaf 1 januari 2013 tot 3 februari 2014, waarop in mindering dient te worden gebracht het brutobedrag dat de stichting reeds in het kader van het advies van de Commissie Hardheidsclausule aan eisers heeft betaald;

b. de vergoeding voor reistijd anders dan reizen tussen huis en de eigen standplaats conform het roosterreglement 2004 vanaf 1 januari 2013 tot 3 februari 2014,

deze bedragen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de stichting met betaling van deze bedragen in verzuim verkeerde;

c. de buitengerechtelijke kosten van € 363,00.

Voorts heeft de kantonrechter de kosten van het geding gecompenseerd.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om het volgende. [geïntimeerden] ontvingen op grond van de onder 3.2 genoemde roosterreglementen maaltijd- en reistijdcompensatievergoedingen. Bij de invoering van de CAO 2011 per 1 januari 2011 heeft de Stichting uitbetaling van deze vergoedingen gestaakt. [geïntimeerden] stellen dat dit een ongeoorloofde eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden is, terwijl de Stichting zich op het standpunt stelt dat zij heeft gehandeld conform de CAO 2011 en de CAO 2013 en dat [geïntimeerden] na 1 januari 2011 geen recht mee hebben op de desbetreffende vergoedingen. Het geschil is beperkt tot de maaltijdenvergoeding over de periode 1 juli 2011 tot 1 juli 2013, omdat per laatstgenoemde datum ingevolge de CAO 2013 een (andere) maaltijdenvergoeding is uitbetaald door de Stichting. Dat geldt niet voor de reistijdvergoeding en [geïntimeerden] maken aanspraak op die vergoeding vanaf 1 januari 2011.

5.2

De verweren van de Stichting tegen de vorderingen van [geïntimeerden] vinden hun basis (mede) in de CAO 2011 en de CAO 2013. Daarom zal het hof allereerst vaststellen of en op welke wijze partijen aan deze cao’s zijn gebonden. In hoger beroep is inmiddels komen vast te staan dat alle partijen lid zijn van bij de CAO 2011 en de CAO 2013 aangesloten werkgevers- respectievelijk werknemersverenigingen: de Stichting van Ambulancezorg Nederland (AZN) en [geïntimeerden] van CNV Connectief (voorheen CNV Publieke Zaak). Uit de stellingen in hoger beroep leidt het hof af dat dit ook de situatie was in 2011. Op grond van artikel 9 lid 1 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (Wet CAO) zijn partijen daarmee rechtstreeks gebonden aan de CAO 2011 en de CAO 2013. De vraag in hoeverre er ook gebondenheid zou zijn op grond van incorporatie of algemeen verbindend verklaring van de cao’s kan dan ook in het midden blijven.

5.3

De Stichting beklaagt zich erover dat de kantonrechter haar meest verstrekkende verweer heeft verworpen. Dit verweer houdt in dat [geïntimeerden] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, omdat tussen partijen in artikel 1.6 van de CAO 2011 een bindend adviesbeding is overeengekomen. Op grond van dat beding hadden [geïntimeerden] de onderhavige kwestie eerst moeten voorleggen aan de Interpretatiecommissie CAO. [geïntimeerden] stellen daarentegen dat artikel 1.6 de mogelijkheid biedt om bindend advies in te winnen, maar dat dat artikel daartoe geen verplichting inhoudt. Partijen verschillen aldus over de uitleg van artikel 1.6 van de CAO 2011 en de CAO 2013, die een gelijkluidende bepaling kent.

5.4

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad geldt voor de uitleg van een bepaling van een cao de zogeheten CAO-norm. Deze houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden (HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9889, NJ 2012/142)

Ook de bewoordingen van de eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de cao worden betrokken (HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2376, NJ 2003/110). Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend (HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4366, NJ 2003/111). De bestaansgrond voor de CAO-norm is gelegen in de bescherming van derden tegen een uitleg van een bepaling in een overeenkomst waarbij betekenis wordt toegekend aan de voor hen niet kenbare partijbedoeling, en in de noodzaak van een eenvormige uitleg voor alle door die overeenkomst gebonden partijen (HR 25 november 2016, ECLI:HR:2016:2687).

5.5

Getoetst aan deze maatstaf oordeelt het hof dat artikel 1.6 van de CAO geen verplichting inhoudt om (eerst) bindend advies in te winnen bij de Interpretatiecommissie CAO. De tekst van dit artikel geeft immers met het woord “kunnen” de mogelijkheid om een meningsverschil voor te leggen aan deze commissie, maar duidt niet op een verplichting dienaangaande. De Stichting stelt dat in dit artikel niet bedoeld is dat partijen die twisten over de uitleg van de CAO 2011 slechts de mogelijkheid hebben hun geschil aan de Interpretatiecommissie voor te leggen, maar dat integendeel bedoeld is dat de Interpretatiecommissie, en dus niet de civiele rechter, de eerste verplichte route is die door partijen moet worden bewandeld. Nu deze gestelde bedoeling naar objectieve maatstaven niet volgt uit de bepaling en evenmin uit een schriftelijke toelichting, is deze niet kenbaar en kan daaraan bij de uitleg van artikel 1.6 geen betekenis worden toegekend. [geïntimeerden] kunnen dus in hun vorderingen worden ontvangen.

5.6

De Stichting betoogt verder dat de roosterreglementen 2004 en 2010, inclusief de daarin opgenomen vergoedingen, vallen onder het instructierecht van artikel 7:660 BW, zodat de Stichting, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, tot intrekking daarvan gerechtigd was. [geïntimeerden] stellen zich op het standpunt dat de in de roosterreglementen opgenomen maaltijden- en reistijdenvergoedingen als arbeidsvoorwaarden hebben te gelden, en dat wijziging daarvan slechts mogelijk is met instemming van de werknemer.

5.7

Het instructierecht van de werkgever ziet ingevolge artikel 7:660 BW op de verplichting van de werknemer zich te houden aan door de werkgever gegeven voorschriften “omtrent het verrichten van de arbeid alsmede aan die welke strekken ter bevordering van de goede orde in de onderneming van de werkgever”. Het artikel is een invulling van de gezagsrelatie die een arbeidsovereenkomst kenmerkt. Het is evident dat de roosterreglementen regelingen bevatten die verband houden met de orde in de onderneming van de Stichting. [geïntimeerden] erkennen dat ook. Daarmee is echter nog niet gezegd dat alle daarin opgenomen bepalingen en regelingen onder het instructierecht vallen; dat zal per bepaling beoordeeld dienen te worden. De onderhavige vergoedingen zijn volgens de eigen stellingen van de Stichting een tegemoetkoming in geld aan de werknemer die wordt ingezet op een andere standplaats dan zijn eigen standplaats of voor een 24-uursdienst. De vergoedingen zijn gedurende vele jaren ook daadwerkelijk uitbetaald. Daarmee zijn deze vergoedingen deel gaan uitmaken van de arbeidsovereenkomst en behoren zij tot de arbeidsvoorwaarden. De enkele omstandigheid dat die vergoedingen samenhangen met de inrichting van de diensten en daarmee met de orde binnen de onderneming en daaraan gekoppeld zijn, maakt dat niet anders.

5.8

De Stichting bestrijdt voorts het oordeel van de kantonrechter dat de voorzieningen met betrekking tot de maaltijd- en reisvergoedingen uit de roosterreglementen onderdeel zijn geworden van de individuele arbeidsovereenkomsten. De Stichting stelt in dit verband dat de roosterreglementen tot stand zijn gekomen in samenspraak met de Ondernemingsraad en dat deze niet automatisch doorwerken in de individuele arbeidsovereenkomst. Nu echter vaststaat dat de vergoedingen gedurende vele jaren zijn betaald door de Stichting, valt zonder nadere toelichting niet in te zien dat en waarom deze geen onderdeel zijn gaan uitmaken van de individuele arbeidsovereenkomsten. Blijkens haar toelichting op de grief richten de bezwaren van de Stichting zich vooral op het (impliciete) oordeel van de kantonrechter dat de vergoedingen ook na 1 januari 2011 onderdeel zijn gebleven van de arbeidsovereenkomsten. De Stichting voert daartoe het volgende aan. Zij stelt dat het roosterreglement eind 2010/begin 2011 in samenspraak met de Ondernemingsraad is gewijzigd. Vanaf 1 januari 2011 luidde de bepaling over de reistijdvergoeding in het nieuwe roosterreglement “conform CAO”, waarmee de bepaling de facto is komen te vervallen omdat de CAO 2011 geen bepaling over de reistijdvergoeding bevat. De bepaling over de maaltijdvergoeding is in eerste instantie in stand gelaten, in afwachting van een uitspraak van de Interpretatiecommissie cao Ambulancezorg. Nadat de Stichting en de Ondernemingsraad zich bij deze uitspraak hadden neergelegd zijn ook de bepalingen over de maaltijdvergoeding uit het roosterreglement verwijderd. Daardoor maken de vergoedingen ook geen onderdeel meer uit van, respectievelijk werken zij niet meer door in de individuele arbeidsovereenkomsten, aldus de Stichting. Daarnaast beroept de Stichting zich op de redelijkheidstoets van artikel 7:613 BW.

5.9

Het hof volgt de Stichting niet in dit betoog. Nu hiervoor is geoordeeld dat de in de roosterreglementen opgenomen maaltijd- en reistijdvergoedingen als arbeidsvoorwaarden hebben te gelden, kunnen deze in beginsel niet eenzijdig gewijzigd worden door wijziging van het achterliggende roosterreglement. De Stichting heeft gewezen op de medewerking van de Ondernemingsraad. Nog daargelaten in hoeverre eventuele instemming van de Ondernemingsraad aan [geïntimeerden] tegengeworpen kan worden, uit het door de Stichting als productie 1 bij memorie van grieven overgelegde verslag van de overlegvergadering blijkt niet van zodanige instemming. Daarin is slechts te lezen dat de Ondernemingsraad juridisch advies zal inwinnen over het voorstel om de vergoedingen uit het roosterreglement voorlopig te handhaven en de Interpretatiecommissie cao daarover een uitspraak te laten doen. Maar los daarvan geldt naar het oordeel van het hof het volgende. De Stichting heeft haar besluit tot het laten vervallen van de maaltijd- en reistijdvergoedingen volledig gestoeld op de inwerkingtreding van een nieuwe cao, waarin deze vergoedingen niet meer voorkomen. Andere beweegredenen heeft zij voor dit besluit niet gegeven. Dat brengt mee dat voor de toetsing van de rechtsgeldigheid van dat besluit uitsluitend bepalend is of zij op grond van (uitleg van) de CAO 2011 en de CAO 2013 daartoe gerechtigd was en dat de Stichting zich in dit verband niet in het algemeen kan beroepen op haar belang bij uniformering van de arbeidsvoorwaarden. Een beroep op artikel 7:613 BW kan de Stichting om die reden evenmin baten, nog daargelaten dat gesteld noch gebleken is dat het beding van artikel 7:613 BW in de arbeidsovereenkomsten is opgenomen.

5.10

Voor beantwoording van de vraag of de Stichting na invoering van de CAO 2011 gerechtigd was om uitbetaling van de maaltijd- en reistijdvergoedingen te staken is van belang of de bedingen in de roosterreglementen, waarin deze vergoedingen zijn opgenomen, nietig zijn op grond van artikel 12 lid 1 Wet CAO, zoals de Stichting betoogt. Dit artikel bepaalt dat elk beding dat tussen werkgever en werknemer wordt overeengekomen en dat strijdig is met een cao waaraan partijen gebonden zijn nietig is en voorts dat in plaats van zodanig beding de bepalingen uit de cao gelden.

5.11

[geïntimeerden] stellen dat van nietigheid van de maaltijdvergoeding (tot 1 juli 2013) en de reistijdvergoeding geen sprake kan zijn, omdat in de CAO 2011 en de CAO 2013 (de laatste met uitzondering van de maaltijdvergoeding vanaf 1 juli 2013) geen bepalingen dienaangaande zijn opgenomen. Er is aldus geen sprake van met de cao strijdige bedingen, zoals bedoeld in artikel 12 lid 1 Wet CAO. [geïntimeerden] betogen dat uit het woord “in” van artikel 1.4 van de CAO 2011 slechts volgt dat de bepalingen die zijn opgenomen in de cao een standaardkarakter hebben, dat het standaardkarakter dus niet geldt voor bepalingen die niet in de cao geregeld zijn en dat ook de CAO 2011 als geheel niet (althans niet kenbaar) als een standaard-cao heeft te gelden.

De Stichting bestrijdt deze uitleg. Zij stelt dat uit artikel 1.4 van de CAO 2011 volgt dat sprake is van een standaard-cao, waarvoor geldt dat afwijking niet mogelijk is, ook niet door aanvullende bedingen af te spreken, en dat de cao-partijen die uitleg in artikel 1.4 van de CAO 2013 nog hebben verduidelijkt.

5.12

Partijen zijn het erover eens dat het bij de beoordeling van de vraag of de in roosterreglementen 2004 en 2010 opgenomen maaltijd- en reistijdvergoeding strijdig is met de CAO 2011 en CAO 2013 (tot 1 juli 2013) als bedoeld in artikel 12 lid 1 Wet CAO allereerst aankomt op de uitleg van artikel 1.4 van de CAO 2011. [geïntimeerden] stellen zich weliswaar (primair) op het standpunt dat de tekst van dit artikel voldoende duidelijk is, zodat het voor een goed begrip daarvan niet noodzakelijk is om de bedoeling van de cao-partijen mee te nemen bij de uitleg van de bepaling, doch dat standpunt ziet eraan voorbij dat bij de uitleg van een schriftelijk contract telkens alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, van beslissende betekenis zijn (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:AI1427). Het verschil in uitleg van artikel 1.4 van de CAO 2011 door de partijen spitst zich toe op de vraag of met dit artikel wordt bedoeld dat geen afwijkende afspraken kunnen worden gemaakt uitsluitend met betrekking tot onderwerpen die in de cao zijn geregeld (uitleg [geïntimeerden] ), of dat ook geen aanvullende arbeidsvoorwaarden overeengekomen kunnen worden (uitleg de Stichting).

5.13

Het hof zal bij de uitleg van artikel 1.4 van de CAO 2011 uitgaan van het toetsingskader, zoals beschreven onder 5.4. Voorop gesteld wordt dat de bewoordingen van dit artikel 1.4, gelezen in het licht van de tekst van de gehele cao, niet inhouden dat de gehele cao een standaardkarakter heeft, maar dat de “bepalingen in deze cao” een standaardkarakter hebben. Een taalkundige uitleg van artikel 1.4 brengt dus mee dat van deze bepalingen niet kan worden afgeweken, maar op zichzelf niet dat werkgever en werknemer niet iets kunnen overeenkomen dat niet in de cao is geregeld. De vraag is of dat ook geldt ten aanzien van de in het geding zijnde vergoedingen. In dat verband acht het hof het volgende van belang.

De CAO 2011 bevat in hoofdstuk 4 een zeer uitgebreide regeling over uiteenlopende toeslagen, vergoedingen en tegemoetkomingen. Daarin zijn de onderhavige reistijd- en maaltijdvergoedingen niet opgenomen. Blijkens de preambule is de CAO 2011 voortgekomen uit het sociaal akkoord dat is gesloten naar aanleiding van de voorgenomen invoering van de Wet ambulancezorg per 1 januari 2011 en is het aantal cao’s binnen de sector met de CAO 2011 teruggebracht van vier naar één. Uit de tekst van zowel de preambule als het als bijlage V bijgevoegde sociaal akkoord blijkt dat gelijkschakeling van de arbeidsvoorwaarden van alle werknemers (in dienst bij private en publieke werkgevers) binnen de sector is beoogd. Verwezen wordt naar de onder 3.3 geciteerde passages, en in het bijzonder naar de term “een gelijkwaardige uitgangspositie” en de zin “Voor het eerst zijn de arbeidsvoorwaarden voor zowel publieke als private werknemers in materiële zin gelijk en worden deze geregeld in één cao.” uit de preambule en “Wat betreft de overige secundaire en tertiaire arbeidsvoorwaarden zullen de verschillende bepalingen in de huidige cao’s geharmoniseerd worden” en “Het akkoord bevat ook de hoofdlijnen van de nader uit te werken uniforme standaard-cao voor de sector ambulancezorg per 1 januari 2010.” uit het sociaal akkoord.

Naar het oordeel van het hof volgt uit deze passages, gelezen in het licht van de gehele cao en in samenhang met de uitgebreide regeling van toeslagen en vergoedingen in hoofdstuk 4, dat artikel 1.4 van de CAO 2011 zo moet worden uitgelegd dat partijen daarmee hebben beoogd om op het gebied van vergoedingen geen afwijking van de in hoofdstuk 4 geregelde toeslagen en vergoedingen toe te staan en dat die bedoeling naar objectieve maatstaven voor partijen die niet bij de totstandkoming van de cao zijn betrokken ook voldoende kenbaar is. In deze uitleg moet worden geoordeeld dat artikel 1.4 partijen bij een individuele arbeidsovereenkomst niet alleen verhindert om van de cao afwijkende toeslagen overeen te komen, maar ook om daarop aanvullende toeslagen overeen te komen, zoals ook later in de tekst van het (gewijzigde) artikel 1.4 van de CAO 2013 tot uitdrukking is gebracht. Dit betekent dat de maaltijd- en reistijdvergoedingen uit de roosterreglementen na invoering van de CAO 2011 nietig zijn op grond van artikel 12 lid 1 Wet CAO en dat [geïntimeerden] daaraan na 1 januari 2011 geen rechten kunnen ontlenen.

5.14

[geïntimeerden] voeren ten slotte aan dat aan artikel 1.4 van de CAO 2013 geen rechtsgevolgen kunnen worden verbonden, omdat zij die bepaling in strijd achten met de redelijkheid en billijkheid. Een cao die het overeenkomen van individuele arbeidsvoorwaarden verbiedt zal in de praktijk veelal uitvoerbaar blijken, aldus [geïntimeerden] , en zij vinden de bepaling bovendien te verstrekkend.

5.15

Het hof verwerpt dit betoog. Als sprake is van standaardbepalingen in een cao is afwijking daarvan niet toegestaan. Niet valt in te zien dat dat onuitvoerbaar of in strijd met de redelijkheid en billijkheid is. Concrete omstandigheden die meebrengen dat toepassing van artikel 1.4 van de CAO 2013 voor [geïntimeerden] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zijn gesteld noch gebleken. [geïntimeerden] hebben subsidiair gevorderd een afbouwregeling naar billijkheid vast te stellen. Nog daargelaten dat op grond van de hardheidsclausule reeds overgangsregelingen zijn getroffen met [geïntimeerden] , oordeelt het hof dat, ook indien sprake zou zijn van een aanzienlijke inkomensachteruitgang als door hen gesteld, daarmee nog niet gegeven is dat het laten vervallen van de vergoedingen zonder afbouwregeling met het oogmerk van uniformering van de arbeidsvoorwaarden binnen de sector, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

6 De slotsom

6.1

Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van [geïntimeerden] moeten worden afgewezen. De grieven in het principaal hoger beroep slagen gedeeltelijk en de grief in het incidenteel hoger beroep faalt. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van de Stichting worden begroot op € 904,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten x tarief II). De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de Stichting worden begroot op € 803,89 aan verschotten (€ 92,89 voor dagvaarding, € 711,- voor griffierecht) en op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten x tarief II) in het principaal hoger beroep en op € 894,- in het incidenteel hoger beroep.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, sector kanton, locatie Zutphen) van 9 juli 2014 en doet opnieuw recht;

wijst de vorderingen van [geïntimeerden] af;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van de eerste aanleg, tot het bestreden vonnis vastgesteld op € 904,- voor salaris en van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak vastgesteld aan de zijde van de Stichting op € 803,89 voor verschotten en op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief in het principaal hoger beroep en op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief in het incidenteel hoger beroep;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, A.E.F. Hillen en W. Duitemeijer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2017.