Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6445

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
200.213.981
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ambtshalve verlenging ondertoezichtstelling, geen spoedbeslissing, schending beginsel hoor en wederhoor. Verzuim in hoger beroep hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.213.981

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 435365)

beschikking van 25 juli 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats verzoeker] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. P. Crans te Utrecht,

en

de gecertificeerde instelling

Jeugd en Gezinsbeschermers,

gevestigd te Hilversum,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[moeder] ,

wonende te [woonplaats moeder] ,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.H. Stork te Bussum.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 27 maart 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 14 april 2017;

- een mail van de raad voor de kinderbescherming, verder te noemen: de raad, van 24 april 2017, met de mededeling dat de raad niet zal verschijnen bij de mondelinge behandeling;

- het verweerschrift met producties;

- een brief van mr. Crans, ingekomen op 11 mei 2017;

- een journaalbericht van mr. Crans van 22 mei 2017;
- een journaalbericht van mr. Crans van 12 juni 2017 met (31) bijlagen.

2.2

Op 26 juni 2017 zijn de hierna nader te noemen [kind 1] en [kind 2] verschenen, die buiten aanwezigheid van de ouders en de GI door het hof zijn gehoord.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 27 juni 2017 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, de vader bijgestaan door zijn advocaat. Namens de GI is verschenen [medewerker GI] , gezinsvoogd.

3 De vaststaande feiten

3.1

De ouders zijn gehuwd geweest. De ouders wonen sinds 30 augustus 2009 niet meer samen. De echtscheidingsbeschikking is op 12 juli 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Uit het huwelijk van de ouders zijn geboren op [geboortedatum kind 1] [kind 1] te [geboorteplaats] , verder te noemen: [kind 1] , en op [geboortdatum kind 2] [kind 2] te [geboorteplaats] , verder te noemen: [kind 2] .

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [kind 1] en [kind 2] .
[kind 1] woont bij de vader en verblijft een weekend per veertien dagen bij de moeder. [kind 2] verblijft afwisselend bij de vader en de moeder met een schema van vijf dagen bij de moeder, vijf dagen bij de vader, twee dagen bij de moeder en twee dagen bij de vader.

3.2

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 18 juli 2016 zijn [kind 1] en [kind 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 18 juli 2016 tot 18 april 2017, welke termijn telkens is verlengd, laatstelijk bij beschikking van de kinderrechter van 16 mei 2017 tot 17 januari 2018.

3.3

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 27 maart 2017 heeft de kinderrechter de termijn van de ondertoezichtstelling verlengd van 18 april 2017 tot 9 mei 2017 en de beslissing voor het overige aangehouden tot de zitting van 1 mei 2017.

4 De omvang van het geschil

4.1

De vader is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 27 maart 2017. De vader verzoekt de beschikking van 27 maart 2017 vervallen te verklaren dan wel te vernietigen.

4.2

De GI heeft verweer gevoerd en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De termijn van de bij de bestreden beschikking verlengde ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2] is op 9 mei 2017 verstreken. Gelet op het door artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op eerbiediging van zijn gezinsleven, heeft de vader een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de ondertoezichtstelling over de periode van 18 april 2017 tot 9 mei 2017 te laten toetsen en behoort aan hem niet zijn procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken.

5.2

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.3

De vader kan zich met de verlenging van de ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2] niet verenigen. Hij voert hiertoe in grief I aan dat de kinderrechter gehandeld heeft in strijd met de artikelen 800 lid 3 en 809 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), de artikelen 6 en 8 lid 2 van het EVRM en artikel 9 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, nu de kinderrechter de ondertoezichtstelling ambtshalve voor drie weken heeft verlengd, terwijl de wet daartoe geen mogelijkheid biedt, anders dan in geval van onmiddellijk en ernstig gevaar voor de kinderen, waarvan hier geen sprake was en nu de kinderrechter gehandeld heeft in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor door de vader en [kind 1] niet te horen. In de grieven II en III voert de vader aan dat uit het verzoekschrift tot verlenging van de ondertoezichtstelling noch uit het gezinsplan blijkt welke concrete ernstige bedreigingen er in de ontwikkeling van [kind 1] en [kind 2] zijn die een (verlengde) ondertoezichtstelling rechtvaardigen.

5.4

De GI heeft verweer gevoerd en stelt dat verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is, te meer daar de ouders in de loop van de tijd nog meer met de ruggen naar elkaar toe zijn komen te staan.

5.5

De moeder heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat zij volledig achter de ondertoezichtstelling staat.

5.6

Het hof overweegt ten aanzien van grief I het volgende. Uit de bestreden beschikking kan worden afgeleid dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling ambtshalve voor de duur van drie weken heeft verlengd omdat er gelet op de zittingsagenda van de rechtbank en de verhinderdata van de advocaat van de vader voor de afloop van de termijn van de ondertoezichtstelling (18 april 2017) geen zittingsdatum beschikbaar was. Het hof leidt uit het dossier af dat geen sprake was van een spoedbeslissing als bedoeld in de artikelen 800 lid 3 en 809 lid 3 Rv, waarbij kan worden afgeweken van het beginsel van hoor en wederhoor.

5.7

Naar het oordeel van het hof heeft de kinderrechter ten onrechte afgezien van het horen van partijen over het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling, nu een wettelijke basis daarvoor in het onderhavige geval ontbrak. De vader heeft derhalve in zoverre terecht hoger beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking. Het hof overweegt voorts dat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling thans in hoger beroep opnieuw wordt getoetst. Het geconstateerde verzuim is in hoger beroep hersteld, nu de vader in hoger beroep alsnog in de gelegenheid is gesteld zijn standpunt toe te lichten. Het hoger beroep strekt er mede toe in eerste instantie gemaakte fouten te herstellen, ook indien deze door de eerste rechter zijn gemaakt. Bij de toetsing of de artikelen 6 en 8 EVRM zijn geschonden, dient het hof de procedure in haar geheel te bezien. Het hof is van oordeel dat de schending van hoor en wederhoor in eerste aanleg, thans in hoger beroep voldoende is hersteld.

5.8

Ten aanzien van de grieven II en III overweegt het hof het volgende. Bij beschikking van 18 juli 2016 heeft de kinderrechter geoordeeld dat voldaan is aan het wettelijk criterium genoemd in artikel 1:255 BW, te weten dat de kinderen zodanig opgroeien dat zij in hun ontwikkeling ernstig worden bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van die bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor de ouders door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd en de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders in staat zijn binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarigen aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, te dragen. De kinderrechter heeft hiertoe overwogen dat de ouders zijn verwikkeld in een heftige strijd, dat het hen niet lukt om afspraken te maken en dat de kinderen knel zitten in de strijd die de ouders voeren, hetgeen grote gevolgen kan hebben voor hun verdere ontwikkeling. De kinderrechter is tot het oordeel gekomen dat er een ondertoezichtstelling diende te komen zodat een onafhankelijke derde betrokken raakt die de belangen van de kinderen voorop stelt.

5.9

Dat de door de kinderrechter geconstateerde ernstige ontwikkelingsbedreiging ten tijde van de aan het hof voorliggende periode van 18 april 2017 tot 9 mei 2017 niet meer aanwezig was, is het hof niet gebleken. Dat de ondertoezichtstelling in de visie van de vader niet helpend is voor de kinderen, is gemotiveerd weersproken door de GI en de moeder. Het hof is op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen van oordeel dat, anders dan de vader aanvoert, de gronden voor de ondertoezichtstelling over de periode die aan het hof voorligt, van 18 april 2017 tot 9 mei 2017, nog steeds aanwezig zijn, nu zowel de vader als de moeder als de GI naar voren hebben gebracht dat de strijd tussen de ouders, waarin de kinderen knel zitten, na de ondertoezichtstelling is verhevigd en ook in de periode waarover het hof thans oordeelt, voortduurde.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 27 maart 2017 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. T. ter Brugge, E.H. Schulten en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. M. Vodegel als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. E.H. Schulten, en is op 25 juli 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.