Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6432

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
27-07-2017
Zaaknummer
21-003049-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van inbraken in sportkantine en dorpshuis. Ontkennende verdachten. Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat sprake is geweest van een onrechtmatige doorzoeking van de auto waarin verdachten zijn aangetroffen. Naar het oordeel van het hof omvat het kijken in het voertuig ook het kijken in de kofferbak en in de auto aanwezige tassen. Het hof acht het door de verdachten geschetste alternatieve scenario ongeloofwaardig. Het hof is van oordeel dat uit het samenstel van de feiten het niet anders kan zijn dan dat verdachte en zijn medeverdachten betrokken zijn geweest bij de inbraken. Het hof legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van drie maanden waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003049-15

Uitspraak d.d.: 19 juli 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 20 mei 2015 met parketnummer 18-047849-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 5 juli 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk zal toewijzen tot een bedrag van € 125,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. S.F. Deen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte vrijgesproken ter zake van het aan hem onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde en verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De politierechter heeft voorts de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 125,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 12 mei 2014 (omstreeks 00.45 uur) te of nabij [plaats 1] , gemeente [gemeente 1] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand aan de [adres 1] heeft weggenomen 2 laptops en/of (geld)kastje of geldkistje met inhoud (van ongeveer 900 euro) en/of een geldbedrag (van ongeveer 100 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

1. subsidiair:
hij op of omstreeks 12 mei 2014, in de gemeente [gemeente 1] en/of de gemeente [gemeente 2] , althans in Nederland, 2 laptops en/of (geld)kastje of geldkistje met inhoud (van ongeveer 900 euro) en/of een geldbedrag (van ongeveer 100 euro) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemd(e) goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2 primair:
hij op enig tijdstip in of omstreeks van 11 mei 2014 (omstreeks 18.00 uur) tot en met 12 mei 2014 (te omstreeks 21.00 uur) te [plaats 2] , gemeente [gemeente 3] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand aan de [adres 2] heeft weggenomen 1078, althans een (grote) hoeveelheid 10 (euro)cent muntstukken, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het Dorpshuis " [naam 1] ", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

2 subsidiair:
hij op of omstreeks 12 mei 2014 te [plaats 2] , gemeente [gemeente 3] en/of gemeente [gemeente 2] , althans in Nederland, 1078, althans een (grote) hoeveelheid 10 (euro)cent muntstukken heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemd(e) goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs van de primair onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij als volgt.

Aan de hand van het dossier stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op maandag 12 mei 2012, omstreeks 04:15 uur, zagen verbalisanten een personenauto, met daarin vier mannen, rijden op de Rijksweg A8 in de gemeente Zaanstad. De auto kwam vanuit de richting van de Rijksweg A7 en reed in de richting van Amsterdam. De verbalisanten hebben het kenteken vervolgens nagetrokken. De auto bleek op naam te staan van een vrouw uit Den Haag. Dit was voor de verbalisanten aanleiding om de auto een stopteken te geven. De bestuurder van de personenauto voldeed aan dit stopteken op de Rijksweg A8 ter hoogte van hectometerpaal 2.0 in de gemeente Oostzaan.

De bestuurder toonde, daarnaar gevraagd, zijn rijbewijs. Hieruit bleek dat verdachte [verdachte] de bestuurder was van de auto. Ook de andere inzittenden hebben zich desgevraagd gelegitimeerd. De bijrijders in het voertuig bleken te zijn: medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . De verbalisanten hebben de inzittenden via de portofoon bevraagd bij de centralist van de regionale meldkamer. De centralist gaf aan dat alle vier de personen meerdere antecedenten op naam hadden staan.

De verbalisanten hebben vervolgens aan de bestuurder, te weten verdachte, gevraagd of ze in het voertuig mochten kijken. Verdachte gaf aan dat [medeverdachte 3] verantwoordelijk was voor het voertuig omdat hij de auto zou hebben geleend van een vriendin. Hierop hebben verbalisanten aan medeverdachte [medeverdachte 3] gevraagd of zij in de auto mochten kijken. [medeverdachte 3] heeft daar vervolgens toestemming voor gegeven.

De verbalisanten hebben daarop de kofferbak van de auto geopend. In de kofferbak zagen zij een breekijzer en een hoeslaken liggen. In overleg met de officier van justitie zijn verdachten vervolgens aangehouden ter zake van artikel 2.44 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Oostzaan. Verdachten zijn ter voorgeleiding overgebracht naar het politiebureau. Tijdens de voorgeleiding is door alle vier verdachten toestemming gegeven om wederom in het voertuig te kijken.

Vervolgens hebben de verbalisanten opnieuw in de auto gekeken. Zij zagen dat onder de bijrijdersstoel een schroevendraaier lag en dat achter de bestuurdersstoel een blauwkleurige plastic tas met los geld lag. In een vakje aan de achterzijde van de bestuurdersstoel zaten een stoffen witkleurig tasje met los geld, rolletjes muntgeld en een plastic doosje met muntgeld. In de kofferbak lagen twee laptops. Op de laptops zaten stickers van [benadeelde] . Door verbalisanten, die naar het sportcomplex van [benadeelde] zijn gegaan, is geconstateerd dat er die nacht aldaar is ingebroken.

Verdachte had 1.160,- euro aan briefgeld bij zich ten tijde van de aanhouding. Dit briefgeld bestond uit 9 coupures van 50 euro, 18 coupures van 20 euro, 21 coupures van 10 euro en 28 coupures van 5 euro. In de blauwkleurige plastic tas (van de Action) zaten 1087 muntstukken van tien eurocent.

Door [naam 2] , zijnde de voorzitter van [benadeelde] , is aangifte gedaan van de inbraak. Hieruit blijkt dat er ongeveer 100 euro uit de kassa is weggenomen en dat uit een kastje in de massageruimte ongeveer 900 euro is weggenomen. Ook zijn er twee laptops weggenomen. [naam 3] , zijnde de wedstrijdsecretaris van [benadeelde] , heeft in aanvulling op de aangifte verklaard dat hij de witte stoffen tas heeft herkend, alsmede het plastic bakje met kleingeld. Later heeft [naam 3] nog gespecificeerd dat aan briefgeld is weggenomen: 1 coupure van 50 euro, 18 coupures van 20 euro, 21 coupures van 10 euro en 28 coupures van 5 euro.

In het sportcomplex van [benadeelde] hangen vier camera's, die de inbraak hebben vastgelegd. Een verbalisant heeft de camerabeelden bekeken en geconstateerd dat de eerste persoon om ongeveer 00:45 uur (werkelijke tijd) op de beelden is te zien. In totaal ziet de verbalisant drie personen op de bewakingsbeelden. De verbalisant heeft de kleding die de personen op de beelden dragen, vergeleken met de kleding die de verdachten droegen ten tijde van hun aanhouding. Hij zag op de beelden een persoon die schoenen droeg met reflectie aan de voor- en achterzijde van de schoenen. Op de schoenen die medeverdachte [medeverdachte 1] droeg, zaten op de voor- en achterzijde reflecterende strepen. Ook was op de beelden te zien dat een persoon een jas droeg met op borsthoogte opvallende donkere vlekken en aan de achterzijde een donkere dwarsstreep. Deze jas zou overeen kunnen komen met de jas die verdachte droeg. De derde persoon droeg een jas met een donkere dwarsstreep op de rugzijde en een opvallende band aan de onderzijde van de jas. Deze jas zou overeen kunnen komen met de jas die medeverdachte [medeverdachte 2] aan had bij zijn aanhouding.

Uit een vergelijkend werktuigsporenonderzoek blijkt dat braaksporen die zijn aangetroffen bij het sportcomplex van [benadeelde] zijn veroorzaakt met de schroevendraaier die in de auto van verdachten is aangetroffen. Andere sporen zijn zeer waarschijnlijk veroorzaakt door het eveneens in de auto van verdachten aangetroffen breekijzer.

[naam 4] heeft op 17 mei 2014 aangifte gedaan namens Dorpshuis [naam 1] in [plaats 2] . Op maandag 12 mei 2014, rond 21:00 uur, heeft personeel ontdekt dat er was ingebroken in het dorpshuis. De daders zijn binnengekomen door een kunststof raam te forceren. Volgens aangever is de inbraak gepleegd tussen 10 mei 2014 omstreeks 18:00 uur en 12 mei 2014 omstreeks 21:00 uur. De geldwisselautomaat was opengebroken. Uit de automaat zijn ongeveer 1000 muntstukken van tien eurocent weggenomen.

Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat de vier inzittenden van de auto vanuit Den Haag naar Leeuwarden zijn gereden. Ze waren die avond op een feestje in Leeuwarden geweest. Hij wist niet wat er in de kofferbak lag en hij weet ook niets van de tassen van anderen. Hij heeft het geld in de auto niet gezien. Tijdens het feestje hebben meerdere mensen gebruik gemaakt van de auto om alcohol te halen. Hij heeft zich verder op zijn zwijgrecht beroepen. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat ze naar een feestje van een vriend in Leeuwarden zijn gegaan. De vriend zou [naam 5] heten. Hij weet niet waar in Leeuwarden die [naam 5] woont. Hij weet niets van wat er in de auto lag en hij weet ook niets van een inbraak. Hij heeft verder verklaard dat [medeverdachte 2] op de heenweg reed. Verdachte heeft verklaard dat ze in Leeuwarden waren, op een feestje van iemand die [naam 6] heet. Hij weet niet precies waar die [naam 6] woont. Ze zijn de hele avond samen bij [naam 6] geweest. Het geld dat hij bij zich had was van hemzelf. Ook hij weet niets van de spullen die zijn aangetroffen in de auto. Hij heeft voorts verklaard dat [medeverdachte 3] op de heenweg reed. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bij zijn inverzekeringstelling verklaard dat ze een feestje hadden in Leeuwarden. Verder heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen.

Onrechtmatige doorzoeking auto

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat sprake is geweest van een onrechtmatige doorzoeking van de auto, hetgeen dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de vondst van de buit met als gevolg dat er vrijspraak dient te volgen. Hiertoe is - zakelijk weergegeven - gesteld dat door verdachten weliswaar toestemming is gegeven voor het kijken in de auto maar dat dit geen toestemming impliceert voor het doorzoeken van de kofferbak en van de in de auto aanwezige tassen.

Uit het proces-verbaal van bevindingen, met nummer PL1100-2014029117-6, op pagina 80 en 81 van het dossier blijkt dat in eerste instantie medeverdachte [medeverdachte 3] , als verantwoordelijke voor het voertuig, toestemming heeft gegeven om in het voertuig te kijken en vervolgens, na hun aanhouding, alle vier verdachten (nogmaals) toestemming hebben gegeven om in het voertuig te kijken. Naar het oordeel van het hof omvat het kijken in het voertuig ook het kijken in de kofferbak en in de auto aanwezige tassen. Het hof verwerpt aldus het verweer van de raadsvrouw.

Alternatieve scenario

Het hof acht het door de verdachten geschetste alternatieve scenario ongeloofwaardig. Verdachten hebben hun verklaringen op geen enkele wijze onderbouwd. Het had evenwel op de weg van verdachten gelegen om de vriend waarover zij spreken en/of andere aanwezigen op het feestje in Leeuwarden als getuige op te roepen, nu deze personen verdachten immers moeiteloos van een alibi hadden kunnen voorzien. Voorts noemen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] een verschillende naam van de betreffende vriend en weet geen van de verdachten het adres van de vriend te noemen. De suggestie dat een andere persoon die op het feest aanwezig was tussen de bedrijven door met behulp van de geleende auto de beide inbraken zou moeten hebben gepleegd en vervolgens de (complete) buit in de auto zou hebben achtergelaten, acht het hof ongeloofwaardig en wordt door geen enkele feitelijkheid ondersteund.

Medeplegen

Door de raadsvrouw van verdachte is vrijspraak bepleit van de aan verdachte onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten. Daartoe is door de raadsvrouw - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat onvoldoende bewijs voorhanden is dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de inbraken.

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde het volgende af.

Verdachten zijn drie-en-een-half uur nadat een inbraak in [plaats 1] is gepleegd, aangehouden op een snelweg in Noord-Holland, komende uit de richting van de afsluitdijk. Verdachten hebben verklaard dat zij die nacht in Friesland zijn geweest. Verdachte heeft verklaard dat zij telkens in elkaars gezelschap hebben verkeerd. In de auto van verdachten is de buit aangetroffen van twee verschillende inbraken die gepleegd zijn in Friesland, te weten in [plaats 1] en in [plaats 2] . Het gaat om een zeer specifieke buit. Zo heeft één van de laptops een sticker van de sportvereniging te [plaats 1] waar is ingebroken. Ook wordt in de auto een uitzonderlijk groot aantal, te weten 1087, tien eurocent muntstukken aangetroffen, terwijl bij de inbraak in [plaats 2] ongeveer 1000 muntstukken van 10 eurocent zijn buitgemaakt. [plaats 1] en [plaats 2] liggen op relatief korte afstand (ongeveer 20 kilometer) van elkaar. Daarnaast is ook het werktuig dat zeker (schroevendraaier) en zeer waarschijnlijk (breekijzer) bij de inbraak in [plaats 1] is gebruikt in de auto van verdachten aangetroffen. Uit de camerabeelden van de inbraak in [plaats 1] blijkt dat minst genomen drie personen binnen zijn geweest. De kleding van die drie personen vertoont - zeker in onderling verband beschouwd - opvallende overeenkomsten met de kleding van verdachte en van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De rol van medeverdachte [medeverdachte 3] bestaat er (in ieder geval) in dat hij de bij de inbraken gebruikte auto heeft geleend van een vriendin. Minimaal twee van de vier verdachten hebben in de auto gereden. De buit van de beide inbraken is in deze auto aangetroffen, zodat het ervoor gehouden moet worden dat deze achter elkaar zijn gepleegd.

Het hof is van oordeel dat uit het samenstel van bovenstaande feiten het niet anders kan zijn dan dat verdachte en zijn medeverdachten betrokken zijn geweest bij de inbraken in [plaats 1] en [plaats 2] . Derhalve acht het hof aannemelijk dat verdachte tezamen met drie anderen vanuit Den Haag naar Friesland is gereden om daar inbraken te plegen. Dat de wegnemingshandelingen in [plaats 1] mogelijk door drie van de vier personen zijn begaan, maakt dat niet anders. Na de gepleegde inbraken is verdachte samen met zijn medeverdachten in de auto, met daarin de buit, teruggereden naar Den Haag.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten in voldoende mate is komen vast te staan. Hoewel niet is uit te sluiten dat geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering ten tijde van (een deel van) de wegnemingshandelingen bij een van de twee inbraken, is de bijdrage van verdachte aan het ten laste gelegde naar het oordeel van het hof, ook als hij niet lijfelijk in het deel van het pand in [plaats 1] is geweest waar camerabeelden van zijn, in het geheel van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee verwerpt het hof het verweer van de raadsvrouw en acht het hof het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. primair:
hij op 12 mei 2014 omstreeks 00.45 uur te [plaats 1] , gemeente [gemeente 1] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pand aan de [adres 1] heeft weggenomen 2 laptops en een geldbedrag, toebehorende aan [benadeelde] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

2
primair:
hij op enig tijdstip in de periode van 11 mei 2014 (omstreeks 18.00 uur) tot en met 12 mei 2014 (omstreeks 21.00 uur) te [plaats 2] , gemeente [gemeente 3] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pand aan de [adres 2] heeft weggenomen 1078 10 eurocent muntstukken toebehorende aan het Dorpshuis " [naam 1] ", waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde levert telkens op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich tezamen met anderen schuldig gemaakt aan een tweetal diefstallen met braak uit een sportkantine en uit een dorpshuis. Dergelijke feiten veroorzaken, naast overlast, vaak ook ergernis en financiële schade voor de betrokkene(n). Bovendien dragen feiten als onderhavige bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Verdachte heeft daaraan bijgedragen.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 juni 2017, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden wederom strafbare feiten te begaan.

Het hof acht alles afwegende de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en geboden. Het hof zal derhalve aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.578,32. Ter zitting in eerste aanleg heeft de benadeelde partij de vordering gematigd tot een bedrag van € 885,00 aangezien een gedeelte van de schade, te weten € 693,32, reeds door de verzekering is vergoed. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 125,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke (gematigde) vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van € 885,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit betreft materiële schade, te weten de kosten, ad € 125,00, die gemaakt zijn om de schade aan de kast en het muurkastje te herstellen, alsmede het bedrag van € 760,00 dat aan briefgeld door de verdachten is weggenomen. Onder verdachte zijn immers (grotendeels) dezelfde coupures in beslag genomen als die bij de inbraak zijn buitgemaakt. Nu dit bedrag niet is teruggegeven aan de rechthebbende, te weten [benadeelde] , maar aan verdachte, zal het hof - anders dan door de advocaat-generaal gevorderd - ook dit deel van de gevorderde schade toewijzen. Verdachte is met zijn mededaders tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering hoofdelijk zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) maand, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 885,00 (achthonderdvijfentachtig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 primair, 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 885,00 (achthonderdvijfentachtig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 17 (zeventien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. M.C. Fuhler en mr. A. Dijkstra, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.M. Nicolai, griffier,

en op 19 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. A. Dijkstra is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.