Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6422

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
21-005621-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bepalend element in de strafoplegging in deze zaak is mede dat hier kennelijk sprake is van een vanuit het buitenland georganiseerde strooptocht door Nederland. Dat brengt het gerechtshof er toe uit een oogpunt van generale preventie een duidelijk en met name krachtig signaal af te geven dat dit in de Nederlandse samenleving bepaald niet licht wordt opgevat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005621-15

Uitspraak d.d.: 24 juli 2017

Verstek

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 25 september 2015 met het parketnummer 18-830173-15 in de strafzaak van de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 10 juli 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, primair inhoudende dat het gerechtshof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde hoger beroep op grond van het bepaalde in artikel 416, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering. Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, 3 en 4 primair aan hem ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van de periode die is doorgebracht in voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het gerechtshof de vordering van de benadeelde partij geheel zal toewijzen en het beslag zal opheffen.

De advocaat-generaal heeft de schriftelijke vordering na voorlezing aan het gerechtshof overgelegd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Bij het hierboven genoemde vonnis heeft de rechtbank de verdachte ter zake van het onder

2 primair en 4 primair aan hem ten laste gelegde vrijgesproken. De rechtbank heeft de verdachte ter zake van het onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 subsidiair aan hem ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van honderdvijftig dagen, waarvan vierenzeventig dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de periode die is doorgebracht in voorarrest, alsmede tot een geldboete van € 1.475,-, bij niet of niet volledige betaling daarvan te vervangen door vierentwintig dagen hechtenis.

Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij geheel toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof ziet - anders dan de advocaat-generaal - geen aanleiding de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde hoger beroep op de grond dat de verdachte geen schriftelijke of mondelinge bezwaren heeft opgegeven tegen het hierboven genoemde vonnis. Het gerechtshof komt namelijk op onderdelen tot een andere bewijsbeslissing dan de rechtbank, alsmede tot een andere beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Het gerechtshof ziet in die andere beoordeling de gronden die een inhoudelijke beoordeling van de strafzaak rechtvaardigen en zal daarom het vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 2 juni 2015, in de gemeente [gemeente 1] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, bij een tankstation, gelegen aan/nabij de [straat 1] , heeft weggenomen brandstof (ongeveer 64,60 liter diesel), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Shell Nederland B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

2.
hij op of omstreeks 2 juni 2015, te [plaats 1] , althans in de gemeente [gemeente 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan [adres 1] , heeft weggenomen (onder meer):

- een laptop/notebook (merk Lenovo), en/of

- een laptop/notebook (merk HP), en/of

- een tas (merk Hummel), en/of

- een oplader en/of computermuis, en/of

- een horloge (merk Jacob en Co), en/of - een zonnebril met koker (merk Gucci),

in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat


hij op of omstreeks 2 juni 2015, in de gemeente [gemeente 3] en/of [gemeente 2] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (onder meer):

- een laptop/notebook (merk Lenovo), en/of

- een laptop/notebook (merk HP), en/of

- een tas (merk Hummel), en/of

- een oplader en/of computermuis, en/of - een horloge (merk Jacob en Co), en/of

- een zonnebril met koker (merk Gucci),

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die/dat bovengenoemd(e) goed(eren) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

3.
hij op of omstreeks 2 juni 2015, te [plaats 2] , althans in de gemeente [gemeente 4] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, vanaf een geparkeerd staande auto aan/nabij de [straat 2] , heeft weggenomen kentekenplaten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

4.
hij op of omstreeks 2 juni 2015 te [plaats 3] , althans in de gemeente [gemeente 5] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen (onder meer) een laptop (merk Toshiba) en/of (een) oorsteker(s), althans (een) siera(a)d(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen laptop en/of oorsteker(s), althans siera(a)d(en), onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat


hij op of omstreeks 2 juni 2015, in de gemeente [gemeente 3] en/of [gemeente 5] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (onder meer): - een laptop/notebook (merk Toshiba), en/of

- een of meer oorstekers, althans (een) siera(a)d(en),

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die/dat bovengenoemd(e) goed(eren) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Het gerechtshof heeft de in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs voor de onder 1 en 3 ten laste gelegde vorm van deelneming

Het gerechtshof is van oordeel dat met betrekking tot de onder 1 ten laste gelegde diefstal van benzine en de onder 3 ten laste gelegde diefstal van kentekenplaten niet is komen vast te staan dat de verdachte deze delicten heeft gepleegd in bewuste en nauwe samenwerking met één of meer anderen. De verdachte heeft erkend dat hij deze delicten in zijn eentje heeft gepleegd. Daarvan gaat het gerechtshof uit, nu van enige (bewuste) betrokkenheid daarbij van [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , in wier gezelschap de verdachte verkeerde op 2 juni 2015, niet is gebleken.

Overweging met betrekking tot het bewijs voor het onder 2 primair en 4 primair ten laste gelegde medeplegen van woninginbraken

Direct bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij deze woninginbraken ontbreekt. Zij hebben allen ontkend zich daaraan schuldig te hebben gemaakt. Hun betrokkenheid bij deze woninginbraken kan niettemin worden bewezen wanneer goederen die bij deze woninginbraken zijn weggenomen binnen korte tijd nadat de woninginbraken hebben plaatsgevonden onder hen zijn aangetroffen en de verdachte (en de medeverdachten) daarvoor niet een aannemelijke verklaring kan (kunnen) geven. Het gerechtshof baseert deze bewijsredenering op het arrest van de Hoge Raad van 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2880. In die casus was weliswaar sprake van één dader, maar de daarin gehanteerde bewijsconstructie is naar het oordeel van het gerechtshof eveneens valide in dit geval van deelneming, nu - naast de verdachte - ook de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , zoals hieronder nader is aangegeven, niet een (aannemelijke) verklaring hebben gegeven voor het voorhanden hebben van de onder de verdachte en hen aangetroffen gestolen voorwerpen.

Binnen korte tijd

Op grond van het korte interval waarbinnen de beide inbraken op 2 juni 2015 moeten zijn gepleegd enerzijds, namelijk tussen 9.15 uur en 14.30 uur in de woning van [benadeelde 1] en tussen 8.00 uur en 14.30 uur in de woning van [slachtoffer 2] , en het tijdstip van de aanhouding van de verdachte (en de medeverdachten) anderzijds, namelijk om 17.10 uur op 2 juni 2015, stelt het gerechtshof vast dat bij die woninginbraken gestolen voorwerpen binnen een kort tijdsbestek daarna onder de verdachte (en de medeverdachten) zijn aangetroffen, in de kofferbak van de auto waarin de verdachte en de beide medeverdachten reden.

Niet een aannemelijke verklaring

De verdachte trad ten tijde van zijn aanhouding door de politie op als de bestuurder van de auto waarin hij en de beide medeverdachten reden. Hij heeft bij de politie verklaard dat hij de drie laptops die in de auto zijn aangetroffen heeft gezien en bekeken en heeft aangeraakt toen ze in Nederland waren, dat hij niet heeft gevraagd van wie deze zijn en dat hij niet weet wanneer en hoe die laptops in de auto terecht gekomen zijn. De verdachte heeft verklaard dat hij dit laatste zou moeten vragen aan de medeverdachten, aangezien wellicht één van hun de laptops in de auto heeft gelegd of de laptops heeft gekocht. Voorts heeft hij verklaard dat hij niet weet wanneer ze in Nederland zijn gekomen, dat hij niet weet welke route zij in Nederland hebben gereden en dat hij niet weet wat er van hem in de auto ligt aangezien hij - zonder er naar te hebben gekeken - niet weet wat van zijn kameraden is en wat van hem is.

Tevens heeft de verdachte verklaard dat hij op 2 juni 2015 is opgetreden als bestuurder, dat hij en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de hele tijd samen hebben gereisd vanaf het moment dat hij, verdachte, de kentekenplaten van de auto heeft verwisseld, dat hij geen toezicht hield op [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en dat er een situatie was dat zij door Turkse mannen aan de kant (van de weg) werden gezet en dat die Turkse mannen hen wat wilden verkopen.

Ter terechtzitting van de rechtbank heeft de verdachte verklaard dat hij niet heeft gezien dat er spullen in de auto zijn gelegd, dat hij - nadat hij vrij kwam - van [medeverdachte 2] hoorde dat die spullen in de auto had gelegd en de laptops had gekocht en dat hij niet weet waarom [medeverdachte 2] meerdere laptops heeft gekocht en dat hij niet meer precies weet bij welke winkels ze zijn geweest.

De medeverdachte [medeverdachte 2] heeft aanvankelijk op de vragen van de politie verklaard dat hij als passagier in de auto zat, dat hij niet weet wat er in de auto lag en dat hij niet weet hoe lang hij in de auto heeft gezeten. Op de vraag van de politie wat hij kan verklaren over drie laptops die zijn aangetroffen heeft [medeverdachte 2] aanvankelijk geantwoord dat hij daar niets op te zeggen heeft. Op de vraag van de politie van wie deze laptops zijn heeft hij niet geantwoord. In een later verhoor heeft [medeverdachte 2] op de vraag van de politie wat hij kan verklaren over de in de auto aangetroffen laptops, zonnebril, horloges en een tasje, welke goederen van inbraken afkomstig zijn, verklaard dat de laptop en de zonnebril zijn gekocht van mensen van Turkse of Armeense afkomst en dat hij niet meer wat waar dit was. Op de vraag van de politie hoe zij met deze mensen in contact zijn gekomen heeft [medeverdachte 2] niet geantwoord.

De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft aanvankelijk bij de politie verklaard dat hij niet weet welke route hij heeft afgelegd, dat hij niet weet met wie hij naar Nederland is gekomen en dat hij niet gaat vertellen wie er reed en hoe lang hij al in Nederland is. Voorts heeft hij verklaard dat hij niet wenst te verklaren over de drie laptops die de politie heeft aangetroffen en dat hij de vraag van de politie van wie deze laptops zijn niet kan beantwoorden.

Op grond van bovenstaande verklaringen stelt het gerechtshof vast dat door [medeverdachte 1] in het geheel geen verklaring is afgelegd over de herkomst en aanwezigheid van gestolen voorwerpen in de auto waarin hij meereed en dat zowel door de verdachte als door [medeverdachte 2] niet een aannemelijke verklaring voor die herkomst en aanwezigheid is gegeven. Beiden verklaren immers niet innerlijk consistent daarover en ook nog eens verschillend van elkaar.

Gelet op het bovenstaande acht het gerechtshof bewezen dat de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de onder 2 primair en 4 primair ten laste gelegde woninginbraken hebben gepleegd.

Bewezenverklaring

Op grond van wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het gerechtshof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3 en 4 primair aan hem ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 2 juni 2015 in de gemeente [gemeente 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening bij een tankstation, gelegen aan de [straat 1] , heeft weggenomen brandstof (64,60 liter diesel), toebehorende aan Shell Nederland B.V.

2 primair.
hij op 2 juni 2015 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan [adres 1] , heeft weggenomen een laptop/notebook (merk Lenovo), een laptop/notebook (merk HP), een tas (merk Hummel), een oplader en computermuis, een horloge (merk Jacob en Co) en een zonnebril met koker (merk Gucci), toebehorende aan anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.
3.
hij op 2 juni 2015 te [plaats 2] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf een geparkeerd staande auto aan de [straat 2] heeft weggenomen kentekenplaten, toebehorende aan [slachtoffer 1] .

4 primair.
hij op 2 juni 2015 te [plaats 3] tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een laptop (merk Toshiba) en oorstekers, toebehorende aan anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

Het gerechtshof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 en 3 bewezen verklaarde levert telkens op:

diefstal.

Het onder 2 primair en 4 primair bewezen verklaarde levert telkens op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde delicten en de omstandigheden waaronder die delicten zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Met betrekking tot de aard en de ernst van de bewezen verklaarde delicten heeft het gerechtshof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat woninginbraken zoals de verdachte en de medeverdachten die hebben gepleegd schade, overlast, ergernis en een gevoel van onveiligheid veroorzaken bij de gedupeerde bewoners, die zich geconfronteerd zien met een inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer;

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte door de diefstal van benzine en van kentekenplaten schade, overlast, ergernis veroorzaakt bij de gedupeerden;

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte zich niets gelegen heeft laten liggen aan het eigendomsrecht van anderen;

  • -

    het ad informandum op de dagvaarding geplaatste en door de verdachte erkende voorhanden hebben van een traangasbusje en/of pepperspray.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder gelet op:

 de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van

12 juni 2017, waaruit blijkt dat hij in Nederland nimmer door een strafrechter is veroordeeld ter zake van enig strafbaar feit;

  • -

    de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit het Europees Criminal Records Informatie Systeem van 29 juli 2015 waaruit blijkt dat hij in Polen eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van heling;

  • -

    de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft het gerechtshof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met deze zaak worden opgelegd. Bepalend element in deze zaak is daarnaast dat hier kennelijk sprake is van een vanuit het buitenland georganiseerde strooptocht door Nederland. Dat brengt het gerechtshof er toe uit een oogpunt van generale preventie een duidelijk en met name krachtig signaal af te geven dat dit in de Nederlandse samenleving bepaald niet licht wordt opgevat. In die zin kan het gerechtshof de strafeis van de advocaat-generaal dan ook volgen en zal het gerechtshof de door de advocaat-generaal geëiste straf opleggen, uit een oogpunt van normhandhaving, vergelding en generale en speciale preventie.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 4.118,62, waarvan € 250,- ter zake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht geheel toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van de gehele vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het gerechtshof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van de gevorderde herstelkosten

(€ 1.542,75), de door de benadeelde partij in rekening gebracht vergoeding voor eigen werkzaamheden (€ 140,-), de schade aan een attachékoffer (€ 170,-) en de immateriële schade (€ 250,-), in totaal een bedrag van € 2.102,75. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Echter:

  • -

    ter zake van de schade die is gevorderd onder post 4 (vervanging sloten auto) kan niet een rechtstreeks verband worden gelegd tussen deze gestelde schade en de bewezen verklaarde handeling van de verdachte. Onder de verdachte (en de medeverdachten) zijn geen autosleutels aangetroffen die weggenomen zijn van [benadeelde 1] .

  • -

    ter zake van de schade die is gevorderd onder post 5 (arbeidsverlet) is het gerechtshof van oordeel dat in deze schade reeds is voorzien door de toewijzing van post 2 (de door de benadeelde partij in rekening gebracht vergoeding voor eigen werkzaamheden ad € 140,-);

  • -

    ter zake van de schade die is gevorderd onder post 6 (weggenomen spullen) kan niet een rechtstreeks verband worden gelegd tussen deze gestelde schade en de bewezen verklaarde handeling van de verdachte. Die weggenomen spullen, waarvan een gespecificeerde opgave is gedaan door de benadeelde partij, zijn immers niet onder de verdachte (en de medeverdachten) aangetroffen.

In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Gelet op het bovenstaande dient de verdachte, als gelijkgesteld aan de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Hoofdelijkheid

De verdachte is jegens de benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover zijn mededader(s) het bedrag reeds heeft/hebben voldaan.

Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed zal het gerechtshof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het gerechtshof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof :

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3 en

4 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair, 3 en 4 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.102,75 (tweeduizend honderdtwee euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 1.852,75 (duizend achthonderdtweeënvijftig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en

€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.102,75 (tweeduizend honderdtwee euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 1.852,75 (duizend achthonderdtweeënvijftig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 (eenendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. L.J. Hofstra, voorzitter,

mr. L.G. Wijma en mr. H.L. Stuiver, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 24 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.