Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:64

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-01-2017
Datum publicatie
04-01-2017
Zaaknummer
21-004443-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van overval op Jumbo supermarkt en bedreiging en mishandeling van een klant.

Oplegging, conform het vonnis van de rechtbank, van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging

Verwerping van de daartegen door en namens verdachte genoemde verweren.

Daarnaast, anders dan de rechtbank die aan verdachte naast de maatregel geen straf had opgelegd, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004443-15

Uitspraak d.d.: 4 januari 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 20 juli 2015 met parketnummer 18-830090-15 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-670225-11, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

thans verblijvende in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) te Zwolle, Huub van Doornestraat 15.

Het hoger beroep

Verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 21 juli 2016 en 21 december 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. R.P. van der Graaf, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

In eerste aanleg is bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing van meerdere bij supermarkt Jumbo werkzame personen alsmede mishandeling en bedreiging van een bij die afpersing aanwezige klant. De rechtbank heeft verdachte daarvoor de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd, waarvan de duur niet gemaximeerd is, zoals bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Voorts heeft de rechtbank de toewijzing gelast van de vordering tot tenuitvoerlegging van de 180 dagen gevangenisstraf, de verdachte voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Groningen van 7 november 2011.

Het hof is van oordeel dat het vonnis van de rechtbank wat betreft de gronden en de beslissingen ten aanzien van de strafoplegging, de maatregel en de vordering tot tenuitvoerlegging moeten worden vernietigd.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank voor het overige op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal het vonnis met aanvulling van gronden met betrekking tot het bewijs, zoals hierna in dit arrest is opgenomen, voor het overige worden bevestigd.

Bewijs

Het hof vult de bewijsmiddelen van de rechtbank aan met de door verdachte ter zitting van het hof van 21 juli 2016 afgelegde verklaring, welke luidt, zakelijk weergegeven:

Ik beken dat ik op 24 maart 2015 in [plaats] een overval heb gepleegd op de Jumbo supermarkt aan het [plein] . Er waren verschillende mensen aanwezig, onder andere kassamedewerkers, andere medewerkers en een klant. Ik heb geld afgenomen van de kassamedewerker. Eén van de klanten was niet zo meewerkend. Hij wilde niet opzijgaan. Ik heb hem geslagen. Ik heb ook gezegd dat ik een wapen bij me had. Ik beken ook het tweede feit.

Strafbaarheid van verdachte, oplegging maatregel en vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De overwegingen van de rechtbank worden vervangen door onderstaande overwegingen.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van een maatregel

Uit de appelschriftuur van de raadsman, uit diens ter terechtzitting van het hof van

21 december 2016 gevoerde pleidooi en uit de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 21 juli 2016 volgt dat het appel zich richt tegen de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Door de verdediging is aangevoerd dat behandeling weliswaar noodzakelijk, althans wenselijk is, maar dat die ook kan worden opgelegd in de vorm van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel. Subsidiair is betoogd dat, indien ook het hof tot een terbeschikkingstelling zou oordelen, volstaan kan worden met een terbeschikkingstelling met voorwaarden.

Het hof overweegt hierover het navolgende.

Het hof beschikt in hoger beroep over recent opgemaakte rapportages, te weten een psychologische rapportage van R.A. Sterk van 28 april 2016 en een psychiatrische rapportage van A.W.M.M. Stevens van 29 april 2016, welke rapportages tot stand zijn gekomen met medewerking van verdachte.

Sterk constateert een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een psychotische stoornis NAO. Hij acht het aannemelijk dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde psychotisch was, mede vanwege het staken - na kort daarvóór te zijn ontvlucht uit de psychiatrische kliniek Bavo Europoort - van anti-psychotische medicatie. De psycholoog constateert bij verdachte een gebrek aan ziektebesef en -inzicht. Verdachte vindt behandeling niet nodig en wijst deze af. Hij is voor een belangrijk deel overgeleverd aan een realiteitsgestoorde belevingswereld. De kans op herhaling wordt vanuit het oogpunt van psychopathologie als verhoogd ingeschat. Kenmerkend voor een psychotische decompensatie is dreigend en agressief gedrag, hetgeen betekent dat grensoverschrijdend gedrag tijdens een psychotische decompensatie ook agressief van aard kan zijn. Sterk acht verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar voor het ten laste gelegde.

Stevens constateert dat verdachte lijdende is aan schizofrenie van het paranoïde type en dat er sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, waardoor hij onvoldoende in staat is geweest zijn gedrag te sturen en de consequenties van zijn handelen te overzien. Verdachte dient derhalve verminderd toerekeningsvatbaar te worden verklaard voor het ten laste gelegde. Het gevaar voor herhaling wordt als hoog ingeschat, indien verdachte niet adequaat wordt behandeld en begeleid. Ook Stevens constateert bij verdachte een gebrek aan ziektebesef en weigerachtigheid ten aanzien van hoogst noodzakelijk geacht medicatiegebruik.

Beide gedragsdeskundigen adviseren om verdachte een terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. Sterk voegt daaraan toe dat verdachte zich bij dit justitiële kader weliswaar kan onttrekken aan behandeling, maar deze uiteindelijk niet kan ontlopen. Een terbeschikkingstelling met voorwaarden kan immers worden omgezet in een terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Bij de bespreking van de adviezen met de gedragsdeskundigen heeft verdachte aangegeven het niet eens te zijn met de conclusies. Er zou geen sprake zijn (geweest) van psychische problematiek en hij wilde graag op vrijwillige basis ambulant worden behandeld.

Deze adviezen vormden voor het hof aanleiding om de advocaat-generaal te verzoeken een maatregelrapport op te laten maken door de reclassering om de mogelijkheden van een terbeschikkingstelling met voorwaarden in kaart te brengen. Het hof beschikt thans over dit rapport van 23 november 2016. De reclassering heeft voor de totstandkoming daarvan diverse gesprekken met verdachte gevoerd. Verdachte heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat er bij hem geen sprake is van een psychiatrische stoornis. Medicatie en (klinische) behandeling zouden daarom niet noodzakelijk zijn.

De reclassering volgt het advies van de gedragsdeskundigen om verdachte een terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen niet en voert daartoe het navolgende aan:

- Verdachte is niet intrinsiek gemotiveerd voor behandeling.

- Verdachte heeft geen ziekte-inzicht.

- Verdachte is van mening dat hij geen medicatie behoeft.

- Bij (onverhoopte) oplegging van een terbeschikkingstelling met voorwaarden zegt hij

mee te zullen werken aan een klinisch traject, mits niet te langdurig.

- Verdachte heeft geen toestemming gegeven voor het raadplegen van (sommige) referenten,

waardoor reeds thans van een beperkte samenwerking kan worden gesproken.

De reclassering voegt daaraan toe:

De kans op recidive, de kans op onttrekken aan voorwaarden en het gevaarsrisico indien betrokkene recidiveert, is onzes inziens te groot om te starten met een tbs met voorwaarden. Als gekeken wordt naar de onderhavige verdenking en de daaraan voorafgaande situatie (betrokkene was opgenomen met een IBS maar zag kans zich aan de begeleiding te onttrekken) en de korte periode waarbinnen betrokkene vervolgens recidiveert is onzes inziens te risicovol.

Niettemin is door de reclassering een behandelplan opgesteld in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, zij het met de aantekening dat dit traject in theorie uitvoerbaar is, maar dat de kans op welslagen in de praktijk gering is.

Het hof volgt de conclusies van Sterk en Stevens dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijk stoornis. De feiten kunnen verdachte worden toegerekend zij het in verminderde mate.

Het hof dient te beoordelen of een maatregel aan verdachte dient te worden opgelegd en, zo ja, in elke modaliteit.

Het hof heeft verdachte ter terechtzitting van 21 december 2016 uitvoerig bevraagd over - met name - zijn zelfinzicht en zijn motivatie voor een behandeling. Het hof constateert op basis hiervan dat verdachte slechts opteert voor een door hemzelf te kiezen en vorm te geven ambulante behandeling, waarmee hij er opnieuw blijk van heeft gegeven niet te beschikken over ziektebesef en -inzicht.

Het hof stelt voorts vast dat het advies van de gedragsdeskundigen om verdachte een terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen in onvoldoende mate gedragen wordt door hun daaraan voorafgaande bevindingen over verdachtes psychische en psychiatrische gesteldheid, zijn gebrek aan ziektebesef en (intrinsieke) motivatie en het aanzienlijke gevaar voor herhaling. De adviezen van Sterk en Stevens strekkende tot oplegging van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, na uiteenzetting van tal van omstandigheden die daartegen lijken te pleiten, beschouwt het hof als een tournure die niet navolgbaar is. Het hof neemt die adviezen dan ook niet over.

Het hof deelt de visie van de reclassering zoals die uit het maatregelrapport van

23 november 2016 naar voren komt. Het beeld dat het hof ter terechtzitting van verdachte heeft verkregen bevestigt voorts de uiterst geringe kans op het welslagen van een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Verdachte onderkent zijn veelsoortige problematiek niet en wil slechts in beperkte mate en geheel op zijn eigen voorwaarden hulp.

Het hof heeft voorts gelet op de door de advocaat-generaal aangehaalde Referentienota, gevoegd bij het rapport 'TBS, een bijzondere maatregel' (Ministerie van Justitie 1991). Hieruit blijkt dat de TBS met voorwaarden is voorbehouden aan personen die niet te gevaarlijk zijn, een niet te ernstig misdrijf hebben begaan en een betrouwbare bereidheid tot medewerking tonen. Gelet op vorenstaande overwegingen over de motivatie van verdachte en zijn justitiële voorgeschiedenis voldoet verdachte niet aan genoemde criteria. Het hof deelt voorts het standpunt van de raadsman, inhoudende dat het bewezen verklaarde misdrijf onvoldoende ernstig is voor een terbeschikkingstelling niet. Het gaat om een overval op een supermarkt, waarbij verdachte ten minste de suggestie heeft gewekt dat hij gewapend was en waarbij hij een klant heeft verwond. Dat hij de overval mogelijk niet uit (geldelijk) gewin pleegde maar 'slechts' om opnieuw in detentie te geraken in de plaats van in een psychiatrische instelling, doet niet af aan de ernst van de feiten.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat een behandeling in het kader van een voorwaardelijke veroordeling of in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden zoals door de verdediging bepleit, niet afdoende is om het recidivegevaar waarvan sprake is te voorkomen.

Alles afwegende is het hof, conform het vonnis van de rechtbank en de vordering van de advocaat-generaal, van oordeel dat aan verdachte voor het onder 1 en onder het tweede deel van het onder 2 bewezen verklaarde de maatregel van terbeschikkingstelling moet worden opgelegd. Bij verdachte bestond tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogen. De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd. Het gaat om feiten waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld dan wel om de in artikel 37a, onder 1 sub 1, genoemde misdrijven. Daarbij is sprake van feiten die gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. De duur van de terbeschikkingstelling is daarom niet gemaximeerd.

Oplegging van straf

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal in zijn vordering op dit punt ziet het hof noch in de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling noch anderszins een reden om af te zien van strafoplegging aan verdachte. Uit het feit dat het bewezenverklaarde verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend volgt dat hij daarvoor deels wèl strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld, waarbij uit het oogpunt van vergelding oplegging van een straf geëigend is. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het om een overval op een supermarkt gaat, waarbij door verdachte meermalen is geroepen dat hij gewapend was. Hij heeft medewerkers van meerdere kassa’s gedwongen tot de afgifte van geld. Voorts heeft hij een klant, die het personeel te hulp wilde komen, bedreigd en geslagen. Het gaat om ernstige feiten die maatschappelijke onrust veroorzaken en inbreuk maken op de veiligheid van personen. Een dergelijk incident is een uiterst onaangename ervaring voor alle direct betrokkenen en degenen die daarvan ongewild getuige zijn geweest.

Het hof neemt voorts in aanmerking hetgeen in de hiervoor aangehaalde rapportages over verdachte naar voren is gekomen, zoals dat bij het opleggen van de maatregel is verwoord.

Daarnaast heeft het hof acht geslagen op het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 november 2016, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten met een geweldsaspect alsmede voor overtreding van de Wet wapens en munitie.

Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling (parketnummer 18-670225-11)

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 7 november 2011, gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Groningen onder bovenvermeld parketnummer, is verdachte veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Bij vordering van 9 juni 2015 is de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij dit vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

Gelet op de opgelegde maatregel acht het hof tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf niet opportuun. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 37a, 37b, 38e, 57, 285, 300 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en maatregel en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging en de gronden waarop dit is beslist en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Wijst af de vordering van de officier van justitie, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Groningen, van 7 november 2011, parketnummer 18-670225-11 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep onder aanvulling van gronden voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. K. Lahuis, voorzitter,

mr. J. Dolfing en mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, raadsheren,

in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel, griffier,

en op 4 januari 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J. Dolfing is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.