Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6393

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
04-08-2017
Zaaknummer
16/01264
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2016:4323, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Invoer schade-auto. Bewijslastverdeling. Omvang schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1865
V-N 2017/51.18.4
Viditax (FutD), 04-08-2017
FutD 2017-2033
DouaneUpdate 2017-0401
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 16/01264

uitspraakdatum: 25 juli 2017

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] BV te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 september 2016, nummer LEE 15/106 in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Emmen (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ten bedrage van € 2.153, alsmede een boetebeschikking van € 1.076 en een belastingrentebeschikking van € 30.

1.2

Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd tot € 2.077 en de boetebeschikking en de belastingrentebeschikking vernietigd.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoort voorts het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 29 juni 2017 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord: mr. [A] , als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [B] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [C] .

1.7

Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd. Ter zitting heeft de Inspecteur kopieën betreffende het onderzoek ter plaatse overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft ter zake van een uit Duitsland overgebrachte personenauto aangifte voor de BPM gedaan. Het betreft de aangifte van een auto van het merk Volkswagen, type Passat Variant 2.0 TDI Comfortline, VIN: [00000] (hierna: de auto), waarop een bedrag aan BPM van € 1.361 is betaald. De datum van eerste toelating van de auto is 22 september 2010. Bij de aangifte is een taxatierapport van 11 februari 2014, opgemaakt door [D] , werkzaam voor [E] BV overgelegd (hierna: het taxatierapport). In het taxatierapport is een handelsinkoopwaarde vermeld van € 5.317, gebaseerd op een X-Ray koerslijstwaarde van € 13.729 verminderd met een zogenoemde schadecalculatie ten bedrage van € 8.412. Het afschrijvingspercentage bedraagt 89,23%. De auto had ten tijde van de aangifte een leeftijd van bijna drie jaar en vijf maanden, een kilometerstand van 162.683 en verkeerde volgens het bij de aangifte overgelegde taxatierapport behoudens de schade in een normale staat.

2.2

Beide partijen gaan in hoger beroep ervan uit dat de historische nieuwprijs van de te hanteren referentieauto € 49.383 en de historische bruto BPM € 12.641 bedraagt.

2.3

De Inspecteur heeft een onderzoek ingesteld naar de aangifte BPM. Op 19 februari 2014 heeft een fysieke controle van de auto plaatsgevonden door twee controlerend ambtenaren. Zij hebben het volgende gerapporteerd:

“Betreft een VW Passat met normale lichte gebruikssporen. Volgens taxatierapport van [E] te [F] is er sprake van een beschadigde carrosserie en een beschadigd interieur. Behoudens een scheur in de kofferbakbekleding en lichte steenslag is er zowel aan de carrosserie als aan het interieur geen schade waargenomen. De gebruikerssporen zijn – gezien de datum eerste toelating en de kilometerstand – niet buitensporig.”

2.4

De Inspecteur heeft bij brief van 17 april 2014 onder meer verzocht om de reparatienota’s, inkoopverklaring/betaalbewijzen bij aanschaf onderdelen van particulier en verkoopfactuur. Belanghebbende heeft bij brief van 19 mei 2014 - voor zover van belang - als volgt geantwoord:

“Reparatienota’s kan ik niet overleggen omdat wij 2 fulltime medewerkers hersteller/spuiter in dienst hebben die al onze auto’s optisch repareren tezamen wordt hier totaal 80 uur per week aan deze reparaties gewerkt. Wij houden geen urenverantwoording per auto bij.”

2.5

De auto is op 28 februari 2014 verkocht voor € 13.767 (exclusief BPM en omzetbelasting).

2.6

Bij het vaststellen van de onderhavige naheffingsaanslag BPM is de Inspecteur van de volgende gegevens uitgegaan: een aanslag van € 2.153, uitgaande van een handelsinkoopwaarde van de auto van € 13.729, gebaseerd op de door belanghebbende gehanteerde X-Ray koerslijstwaarde. De Inspecteur heeft geen schade in mindering gebracht, hetgeen resulteert in een afschrijvingspercentage van 72,20%.

2.7

Belanghebbende heeft vergeefs bezwaar gemaakt.

2.8

De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd tot € 2.077 en de boetebeschikking en de belastingrentebeschikking vernietigd.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In hoger beroep is tussen partijen in geschil of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend. Voor de specifieke geschilpunten wordt verwezen naar onderdeel 4 van deze uitspraak.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover deze ziet op de naheffingsaanslag en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Bewijslastverdeling

4.1

Ingevolge artikel 10, lid 1, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) wordt, voor zover hier van belang, met betrekking tot gebruikte personenauto’s het op de voet van artikel 9 Wet BPM bepaalde bedrag aan BPM berekend met inachtneming van een vermindering (de afschrijving). In de volgende leden van artikel 10 is de wijze van berekening van de vermindering nader uitgewerkt.

4.2

Het geschil van partijen heeft betrekking op de hoogte van de ter zake van de auto in aanmerking te nemen afschrijving.

4.3

In het door belanghebbende op de voet van artikel 8, lid 4, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling) overgelegde taxatierapport wordt bij de berekening van de inkoopwaarde van de referentieauto uitgegaan van de waarde die uit een koerslijst volgt, op welke waarde vervolgens het bedrag van de getaxeerde schade in mindering is gebracht. Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat deze methodiek voor het bepalen van de hoogte van de afschrijving op zichzelf genomen aanvaardbaar is.

4.4

Naar het oordeel van het Hof rust – abstraherend van eventuele schade aan de auto – op de Inspecteur in beginsel de last aannemelijk te maken dat de BPM die rust op de waarde (afgezien van de gestelde schade) van gelijksoortige auto’s op het grondgebied van Nederland geregistreerde auto’s niet lager is dan de BPM die volgens hem, los van de mogelijke schade, zou dienen te worden geheven op de uit een andere lidstaat overgebrachte auto. Dit betekent dat de Inspecteur in beginsel de bewijslast heeft met betrekking tot, kort gezegd, de waarde van de te hanteren referentieauto’s, meer in het bijzonder de historische nieuwprijs daarvan en de handelsinkoopwaarde die door een handelaar wordt betaald bij aankoop van een particulier (vóór aftrek vanwege schade). Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt naar het oordeel van het Hof verder met zich dat belanghebbende, als de meest gerede partij daartoe, tegenover de betwisting door de Inspecteur (1) de omvang van de gestelde schade aannemelijk maakt alsmede (2) de invloed van die schade op de waarde van de referentieauto (zie onder meer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 juni 2016, nr. 14/00177, ECLI:NL:GHARL:2016:4640).

4.5

Wanneer één van de partijen niet slaagt in voormelde, op haar rustende bewijslast, betekent zulks niet dat dan in de procedure zonder meer de door de wederpartij verdedigde waarden als juist worden aanvaard. De wederpartij zal die waarden evenzeer aannemelijk dienen te maken. Wanneer die partij daarin evenmin slaagt, zal het Hof de gezochte waarden in goede justitie bepalen.

4.6

De Inspecteur heeft zich erop beroepen dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Naar vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van een of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting relatief beschouwd aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en tevens dat het bedrag dat als gevolg van de gebreken niet is geheven op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Tevens is vereist dat de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven (vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083 en HR 24 april 2015, nr. 14/04104, ECLI:NL:HR:2015:1083).

4.7

Tussen partijen is niet in geschil dat de handelsinkoopwaarde van de auto € 13.729 bedraagt, doch wel dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft en dat de herstelkosten hiervan de handelsinkoopwaarde van de auto nadelig beïnvloeden. In de onderhavige procedure spitst de vraag of belanghebbende de vereiste aangifte heeft gedaan zich dan ook toe op de vraag of door belanghebbende in de aangifte op de handelsinkoopwaarde van € 13.729 terecht een bedrag in mindering is gebracht in verband met schade aan de auto. Partijen verschillen voorts van mening over de hoogte van het bedrag van de eventuele kosten van het herstel en over de mate waarin de kosten van een dergelijk herstel drukken op de handelsinkoopwaarde van de auto.

Toepassing normale regels van stelplicht en bewijslast

4.8

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft en verwijst daarbij naar het door een deskundige opgemaakte taxatierapport en de daarin opgenomen foto’s van de gestelde schade alsmede naar het door de deskundige becijferde bedrag van de kosten van schadeherstel van € 8.412. Zij heeft daartoe een gespecificeerde schadecalculatie overgelegd, uitgesplitst naar kosten van onderdelen en arbeidsloon en plaat- spuitwerk en foto’s overgelegd van de auto in staat van de door haar gestelde schade. Hiertegenover heeft de Inspecteur gesteld dat uit het door hem ingestelde onderzoek is gebleken dat de gebruikerssporen niet buitensporig zijn (zie 2.3). Uit het taxatierapport volgt dat door de deskundige onder meer is geconstateerd dat sprake is van (lak-) schade aan voor- en achterbumper, dak, portieren en achterklep.

4.9

Blijkens het taxatierapport betreft de schade met name het spuit- en lakwerk/carrosserie, kosten van diverse nevenwerkzaamheden, waartoe onder meer zijn gerekend het Nederlands onderhoudsboekenpakket en het Nederlands programmeren van de software van de auto alsmede herstel van onderdelen. De Inspecteur heeft de door de taxateur van belanghebbende getaxeerde kosten van het herstel van de schade en de invloed van de eventuele schade op de handelsinkoopwaarde van de auto gemotiveerd bestreden. Bovendien is – aldus de Inspecteur – geen sprake van extra schade, doch slechts van normale gebruikersschade, waarvan de invloed reeds is verdisconteerd in de gehanteerde koerslijstwaarde.

4.10

Naar het oordeel van het Hof zijn in de schadecalculatie van de taxateur van belanghebbende posten opgenomen waarvan niet aannemelijk is geworden dat deze zijn aan te merken als schade die van invloed is op de handelsinkoopwaarde van de auto, zoals het Nederlands onderhoudsboekenpakket en het Nederlands programmeren van de software van de auto. Verder is het bij de kostencalculatie gebruikte uurtarief niet nader onderbouwd terwijl de gemachtigde van belanghebbende ter zitting daarover geen duidelijke opheldering heeft kunnen verschaffen. Dat de gemachtigde van belanghebbende zich ter zitting niet ter bijstand heeft doen vergezellen van een schadedeskundige, dient voor rekening van belanghebbende te blijven. Hetzelfde heeft te gelden voor de kosten van herstel die verband houden met het spuitwerk. Van deze kosten is – na de gemotiveerde weerspreking door de Inspecteur – niet aannemelijk geworden dat daarbij – zoals in de schadecalculatie opgenomen – het herstel in de meeste gevallen door middel van de meest arbeidsintensieve variant (IV) diende plaats te vinden. Ook daarover heeft de gemachtigde ter zitting onvoldoende duidelijkheid kunnen verschaffen. Daarnaast wordt de omvang van de schade naar het oordeel van het Hof ook op grond van het door de in het taxatierapport opgenomen fotomateriaal onvoldoende ondersteund en heeft de Inspecteur – niet onbelangrijk – zelf een onderzoek ingesteld (zie 2.3).

4.11

Op grond van het overgelegde fotomateriaal, de gespecificeerde schadecalculatie en de toelichting ter zitting acht het Hof het wel aannemelijk dat sprake is van enige meer dan normale gebruiksschade, doch niet tot de door belanghebbende gestelde omvang. Hierbij merkt het Hof nog op dat de Inspecteur bij zijn onderzoek heeft geconstateerd dat er, behoudens een scheur in de kofferbakbekleding en lichte steenslag, geen schade is waargenomen (zie 2.3). Met inachtneming van het gepresenteerde fotomateriaal en met al hetgeen in 4.10 is overwogen, ook dat de Inspecteur zelf een onderzoek heeft ingesteld, bepaalt het Hof het bedrag van de (extra) schade aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast in goede justitie op 20% van € 8.412, derhalve op € 1.683 (inclusief BTW). Naar het oordeel van het Hof dient bij de bepaling van de vermindering van de gezochte handelsinkoopwaarde in verband met kosten van herstel van schade, te worden uitgegaan van het bedrag van de herstelkosten inclusief BTW (zie onder meer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 juni 2016, nr. 14/00177 ECLI:NL:GHARL:2016:4640).

4.12

Belanghebbende stelt dat de kosten van schadeherstel volledig, dat wil zeggen voor het gehele bedrag, in mindering dienen te worden gebracht op de handelsinkoopwaarde van de auto, teneinde de juiste heffingsgrondslag voor de BPM te verkrijgen. Het Hof verwerpt die stelling. Weliswaar bestaat er een relatie tussen enerzijds de herstelkosten van de schade en anderzijds de handelsinkoopwaarde van het voertuig in beschadigde staat, maar dit is geen een-op-een-relatie zoals belanghebbende voorstaat. Niet iedere euro aan schade of herstelkosten komt geheel in aftrek op de handelsinkoopwaarde van een voertuig. Aan de hand van diverse criteria, zoals merk en type voertuig, courantheid, leeftijd, soort schade en verkrijgbaarheid van onderdelen, dient te worden bepaald wat het effect is van schade of een beschadiging op de waarde van een voertuig. Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met de sporen van normaal gebruik bij aan auto van deze leeftijd van de auto (bijna 3,5 jaar) en het feit dat met auto reeds ruim 162.000 kilometer was gereden Deze sporen zijn normaliter verwerkt in de inkoopprijs van het voertuig, zodat hiermee niet nogmaals rekening hoeft te worden gehouden. Er hoeft evenmin met een zodanig bedrag aan herstelkosten rekening te worden gehouden, dat het voertuig in een betere staat kan worden gebracht. Het gaat er om, dat de waarde van een voertuig met schade in de juiste verhouding wordt gebracht tot de waarde van voertuigen die vergelijkbaar zijn, afgezien van de schade. De laatste categorie zal eveneens sporen van gebruik vertonen waarvan het wegwerken niet in mindering komt op de waarde, omdat dergelijke sporen bij een gebruikt voertuig immers heel normaal zijn.

4.13

Bij de behandeling van de wijziging van de Wet BPM per 1 januari 2015 en daarop gebaseerde wijziging van de Uitvoeringsregeling is de daaropvolgende passage opgenomen:

“In onderdeel 3.5 van die bijlage is opgenomen dat de waardevermindering als gevolg van schade wordt vastgesteld 72% van het schadebedrag. Deze norm voor waardevermindering van de handelswaarde van een motorrijtuig als gevolg van schade is bepaald aan de hand van in de schadeherstelbranche gangbare en door het Verbond van Verzekeraars geaccepteerde calculatiesystemen. De norm is tot stand gekomen op basis van door het Verbond van Verzekeraars verzamelde gegevens betreffende schadegevallen (2013-2014) van alle merken, typen en leeftijden van motorrijtuigen. Deze norm zal regelmatig worden geactualiseerd.”

NvT, Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 30 december 2014, nr. IZV 2014/715M, tot wijziging van enige uitvoeringsregelingen inzake de fiscaliteit en douane alsmede van de Wet op de accijns, Stcrt. 2014, 36880, p. 34 en 50.

Het Hof acht genoemde norm een bruikbaar uitgangspunt bij het in goede justitie bepalen van de mate van invloed van de kosten van schadeherstel op de waarde van de auto in beschadigde toestand. Gelet hierop, bepaalt het Hof de in aanmerking te nemen waardevermindering als gevolg van de te herstellen schade aan de auto in goede justitie op € 1.683 x 72% = € 1.212.

4.14

Tussen partijen is niet in geschil dat de bruto BPM voor de auto € 12.641 beloopt. Uitgaande van een historische nieuwprijs van de auto van € 49.383 en een handelsinkoopwaarde van de auto na aftrek van schade van (€ 13.729 -/- € 1.212 =) € 12.517, bedraagt de afschrijving 74,65% en de op grond van het wettelijk systeem verschuldigde BPM 25,35% van € 12.641 = € 3.204.

Leeftijdskorting

4.15

In de beroepsfase is belanghebbende alsnog een zogenoemde leeftijdskorting toegekend op grond waarvan € 76 minder aan BPM is nageheven. Nu de leeftijdskorting in deze procedure als zodanig geen onderdeel vormt van de rechtsstrijd van partijen en de Inspecteur zich niet heeft beroepen op het leerstuk van interne compensatie, gaat het Hof te dezen ervan uit dat het bedrag van € 76 in mindering komt op het in 4.14 berekende bedrag van € 3.204.

Verschuldigde BPM

4.16

Gelet hierop, bedraagt de door belanghebbende verschuldigde BPM van de auto € 3.128. Belanghebbende heeft op aangifte € 1.361 voldaan, zodat de naheffingsaanslag op grond van het voorgaande dient te worden verminderd tot € 1.767.

Omkering bewijslast

4.17

Nu met toepassing van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk is geworden dat het bedrag van de naheffingsaanslag dient te worden beperkt tot € 1.767, dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of belanghebbende de vereiste aangifte heeft gedaan. Een bevestigende beantwoording van die vraag houdt immers (ook) in dat hogere eisen aan de bewijsvoering door belanghebbende moeten worden gesteld.

4.18

In aanmerking genomen dat belanghebbende de onderwerpelijke aangifte heeft gedaan aan de hand van een door een deskundige (beëdigd taxateur) opgemaakt taxatierapport waarin een uitgebreide gespecificeerde schadecalculatie is opgenomen, kan niet worden gezegd dat belanghebbende zelf ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat door het indienen van de aangifte de volgens die aangifte verschuldigde BPM zowel verhoudingsgewijs als in absolute zin aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde BPM. De stellingen dat belanghebbende handelt in tweedehandsauto’s en een schadeherstelbedrijf exploiteert, acht het Hof ook bezien in het licht van het eigen aankoopcijfer, daartoe niet voldoende. Voor de beoordeling van de juistheid van de aangifte is immers niet van belang tegen welke kosten belanghebbende zelf de gestelde schade zou kunnen repareren, doch welke invloed die schade heeft op de inkoopprijs van de auto indien deze door een handelaar van een particulier op de binnenlandse markt zou worden ingekocht. Weliswaar heeft voorts te gelden dat de kennis en inzicht van de taxateur in dit verband aan belanghebbende moet worden toegerekend (vgl. onder meer HR 22 juni 2012, nr. 11/03007, ECLI:NL:HR:2012:BV0663), maar ook dit leidt naar het oordeel van het Hof niet tot de conclusie dat te dezen de vereiste aangifte niet is gedaan. Gelet op de ingewikkeldheid van de onderhavige problematiek, met name vanwege de invloed van het Unierecht daarop, en gelet op de verschillende uitspraken van belastingrechters ten aanzien van de problematiek van, kort gezegd, ingevoerde schadeauto’s, kan redelijkerwijs niet worden gezegd dat de taxateur wist of zich ervan bewust moest zijn geweest dat door het indienen van de aangifte te weinig BPM zal worden geheven. Voor omkering en verzwaring van de bewijslast, zoals door de Inspecteur, bepleit bestaat derhalve geen grond.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbende gegrond.

5 Proceskosten

5.1

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

5.2

Hierbij dient te worden opgemerkt dat de Rechtbank belanghebbende reeds een vergoeding van proceskosten heeft toegekend voor de fase van bezwaar en beroep ter zake van de auto. Die, in hoger beroep niet bestreden, beslissing laat het Hof in stand.

5.3

Nu het hoger beroep van belanghebbende gegrond wordt verklaard, zal het Hof de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht berekenen op een bedrag van € 990 voor de hogerberoepsfase (1 punt voor hogerberoepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 495).

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de boetebeschikking, de belastingrentebeschikking, de proceskosten en het griffierecht;

– verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar inzake de naheffingsaanslag ingestelde beroep gegrond;

– vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de naheffingsaanslag;

– vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 1.767;

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 990; en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 503 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. M.J.G.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 25 juli 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen, De voorzitter,

(C.E. te Brake)

(B.F.A. van Huijgevoort)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 25 juli 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.