Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6346

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
21-003715-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 9, tweede lid, WVW 1994

Ontslag van rechtsvervolging.

Het bestanddeel "weet of redelijkerwijs moet weten" ontbreekt in de tenlastelegging. Het bewezen verklaarde levert derhalve niet op enig strafbaar feit. Dit brengt mee dat dit bewezen verklaarde feit niet kan worden gekwalificeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003715-16

Uitspraak d.d.: 18 juli 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 30 juni 2016 met parketnummer 18-187940-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 juli 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. E. van Bommel, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 13 juni 2015 te of bij [plaats] , in de gemeente [gemeente] , als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,36 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en hij, verdachte, dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder een geldig rijbewijs voor de categorie, waarvoor dit rijbewijs was afgegeven;

2:
hij op of omstreeks 13 juni 2015 te of bij [plaats] , in de gemeente [gemeente] , als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs was gevorderd en/of van wie zodanig bewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven of welk rijbewijs ongeldig was verklaard, op de weg, de Provinciale Weg N-33, een motorrijtuig (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen.

Bewijsoverweging

Het hof is van oordeel dat de door verdachte en zijn raadsvrouw bepleite vrijspraak wordt weersproken door de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die van de lezing van verdachte afwijkende bewijsmiddelen te twijfelen. In het bijzonder houdt het hof verdachte aan zijn op 20 juli 2015 bij de politie afgelegde, gedetailleerde en bekennende verklaring. Zijn onder meer ter zitting afgelegde verklaringen dat hij niet zelf heeft gereden op 13 juni 2015, zijn niet aannemelijk.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:
hij op 13 juni 2015 te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, 1,36 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

2:
hij op 13 juni 2015 te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , als degene van wie een op zijn naam gesteld rijbewijs ongeldig was verklaard, op de weg, de Provinciale Weg N-33, een motorrijtuig (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof stelt met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde vast dat dit, blijkens de inhoud daarvan, deels is toegesneden op het plegen van het delict bedoeld in artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en deels van het delict bedoeld in artikel 9, tweede lid, van genoemde wet. Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte heeft gereden terwijl zijn rijbewijs ongeldig is verklaard. Artikel 9, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 verbiedt (kort gezegd) degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard, een motorrijtuig op de weg te besturen. In de onderhavige tenlastelegging ontbreekt het bestanddeel "weet of redelijkerwijs moet weten". Hetgeen het hof van dit ten laste gelegde heeft bewezen verklaard, levert derhalve niet op enig strafbaar feit. Dit brengt mee dat dit bewezen verklaarde feit niet kan worden gekwalificeerd. Verdachte dient ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde feit dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 13 juni 2015 een personenauto bestuurd, terwijl hij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank. Hij heeft toen te hard gereden en is bij een inhaalmanoeuvre van een vrachtwagen met de door hem bestuurde auto in de berm beland, waarna de auto meermalen over de kop is geslagen en uiteindelijk op zijn dak tot stilstand is gekomen. Verdachtes bloedalcoholgehalte bleek bij onderzoek 1,36 ‰ te zijn. Door het plegen van dit feit heeft verdachte de verkeersveiligheid, daaronder begrepen de veiligheid van zijn medeweggebruikers, ernstig in gevaar gebracht.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 juni 2017 blijkt dat verdachte diverse malen ter zake van het plegen van verkeersdelicten, waaronder meermalen ter zake van rijden onder invloed, onherroepelijk is veroordeeld. Voor wat betreft het rijden onder invloed is bovendien sprake van recidive binnen 5 jaren na onherroepelijke veroordelingen op 28 mei 2015 en 25 oktober 2013. Deze veroordelingen hebben verdachte er niet van weerhouden opnieuw onder invloed een auto te besturen.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij een eenmans garagebedrijf runt en dat hij als alleenstaande de zorg heeft voor en de opvoeding van zijn twee kinderen van respectievelijk 14 en 15 jaar.

Alles afwegend en mede in aanmerking nemende de landelijk gehanteerde oriëntatiepunten straftoemeting, acht het hof de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren, en een geldboete van € 850,00 subsidiair 17 dagen hechtenis, passend en geboden. Daarnaast zal het hof verdachte tevens opleggen een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 maanden. Bij deze strafoplegging is enerzijds rekening gehouden met de bij verdachte vastgestelde hoogte van het bloedalcoholgehalte in combinatie met voormelde recidive, anderzijds met de door verdachte hiervoor genoemde persoonlijke omstandigheden. Bij de vaststelling van de geldboete heeft het hof tevens rekening gehouden met de draagkracht van verdachte, voor zover van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Het hof beoogt met de voorwaardelijke strafoplegging mede te bereiken dat verdachte niet wederom een (soortgelijk) strafbaar feit zal plegen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte te dier zake tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 850,00 (achthonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 17 (zeventien) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 (zeven) maanden.

Aldus gewezen door

mr. H.L. Stuiver, voorzitter,

mr. M.H.M. Boekhorst Carrillo en mr. M. van Seventer, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G.A. Boersma, griffier,

en op 18 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. M. van Seventer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.