Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6321

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
200.207.197/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Vrouw spuit man in met insuline, terwijl hij dat niet nodig heeft. De lotsverbondenheid tussen partijen is komen te vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2017/80
PFR-Updates.nl 2017-0215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.207.197/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/178424 / ES RK 15-3700)

beschikking van 20 juli 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J. de Ruiter te Kampen,

en

[verweerder] ,

wonende te [A] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. D. Warnink te Kampen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 16 december 2015, 15 januari 2016 en 7 oktober 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 6 januari 2017;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht namens mr. De Ruiter van 26 januari 2017 met productie(s);

- een journaalbericht namens mr. De Ruiter van 7 februari 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Warnink van 24 februari 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Warnink van 6 juni 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. De Ruiter van 16 juni 2017 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 30 juni 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

Mr. De Ruiter heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een door hem overgelegde pleitnotitie.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1990 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn [B] ( [in] 1994), [C] ( [in] 1998) en [D] ( [in] 2001) geboren.

3.2

De vrouw en de man hebben de rechtbank op 4, respectievelijk 11 november 2015, verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.

3.3

De vrouw heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bij aanvullend verzoek, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank op 18 november 2015, verzocht te bepalen dat de man aan de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling (naar het hof begrijpt:) bruto een bedrag van € 340,- voldoet als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

3.4

Het huwelijk is ontbonden op 30 december 2015 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 16 december 2015 in de registers van de burgerlijke stand.

3.5

De man heeft de rechtbank bij aanvullend verzoek van 6 september 2016 verzocht om te verklaren voor recht dat de man geen verplichting heeft tot het betalen van enige bijdrage in het levensonderhoud aan de vrouw, dit met afwijzing van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie.

3.6

Bij de bestreden beschikking van 7 oktober 2016 heeft de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud op nihil gesteld.

3.7

Uit het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 20 april 2017 blijkt dat bewezen is verklaard dat (1) de vrouw in de periode van 22 november 2014 tot en met 23 november 2014 te [A] , gemeente [E] , ter uitvoering van het door de vrouw voorgenomen misdrijf om aan haar echtgenoot [verweerder] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, op een moment dat die [verweerder] in slaap was, een hoeveelheid insuline in diens lichaam heeft gespoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid en (2) de vrouw in de periode van 1 oktober 2014 tot en met 11 juni 2015 in de gemeente [E] meermalen opzettelijk verschillende soorten medicijnen, waaronder insuline, die toebehoorden aan het Woonzorgcentrum [F] en welke medicijnen de vrouw telkens uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking van/als verzorgende bij dat woonzorgcentrum, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De rechtbank heeft in dat vonnis het beroep van de vrouw op vrijwillige terugtred verworpen. Aan de vrouw is onder meer een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met algemene en bijzondere voorwaarden, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest. Aan de vrouw is onder meer de bijzondere voorwaarde opgelegd dat zij zich ambulant laat behandelen bij een forensische polikliniek. De vrouw is tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen. Deze procedure loopt nog.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie).

De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking die bijdrage vastgesteld op nihil.

4.2

De vrouw is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 7 oktober 2016. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.

De vrouw verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 7 oktober 2016 te vernietigen (naar het hof begrijpt:) voor zover daarbij de partneralimentatie op nihil is vastgesteld en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man met ingang van datum van indiening van het verzoekschrift, dan wel de datum van ontbinding van het huwelijk, althans een datum die het hof juist acht, aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te voldoen van € 340,- (naar het hof begrijpt:) bruto per maand, althans een bedrag in goede justitie te bepalen, bij vooruitbetaling te voldoen.

4.3

De man heeft verweer gevoerd en het hof verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen (naar het hof begrijpt:) voor zover het de partneralimentatie betreft, dan wel onder aanvulling van de gronden die beschikking te verbeteren met instandhouding van de nihilstelling van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De kern van het geschil betreft de vraag of de vrouw zich zodanig kwetsend en grievend heeft gedragen tegenover de man dat van lotsverbondenheid, de grondslag van de onderhoudsverplichting tussen ex-echtgenoten, geen sprake (meer) is. De rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord.

5.2

Voorop dient te worden gesteld dat in uitzonderlijke gevallen grievend gedrag van één der gewezen echtgenoten ten opzichte van de ander tot de conclusie kan leiden dat aan iedere lotsverbondenheid tussen de gewezen echtgenoten een einde is gekomen. In een zodanig geval kan geoordeeld worden dat betaling van een uitkering tot levensonderhoud in redelijkheid niet van de onderhoudsplichtige kan worden gevergd. Ook kan grievend gedrag van één der gewezen echtgenoten tegenover de ander aanleiding zijn om de onderhoudsverplichting te matigen.

5.3

Bij de beoordeling in een concreet geval of een zodanige situatie zich voordoet, dient terughoudendheid te worden betracht, mede gelet op het onherroepelijke karakter van zo'n beëindiging dan wel matiging. Daarbij dient bedacht te worden dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat een relatiebreuk dan wel echtscheiding gepaard gaat met de nodige emoties. Derhalve is niet iedere vorm van wangedrag dan wel grievend gedrag aanleiding om de onderhoudsverplichting te matigen of te beëindigen.

Standpunten partijen

5.4

De vrouw voert in haar grieven aan dat - nu zij in hoger beroep is gegaan tegen het strafvonnis - nog niet is komen vast te staan dat sprake is van een strafbaar feit jegens de man. Zij meent in ieder geval dat het feit haar niet kan worden verweten, gelet op de door haar geschetste omstandigheden (te weten: haar fysieke en mentale gesteldheid in combinatie met de buitenechtelijke relatie van de man). De vrouw geeft aan dat zij de man enkel wilde versuffen, zodat hij geen (telefonisch) contact kon onderhouden met zijn buitenechtelijke relatie. Er was volgens de vrouw geen oogmerk op het doden van de man, aldus de vrouw. Dit was volgens haar ook niet mogelijk gelet op de leeftijd en de lichamelijke gesteldheid van de man. Daarbij komt dat er sprake is van tijdsverloop tussen de verweten gedragingen en de door de man gedane aangifte. Zij stelt dat de man reeds in november/december 2014 bekend was met de toedracht van de gebeurtenissen en hij nadien nog bij haar in huis heeft gewoond en bij haar in bed heeft geslapen, zodat van het verbreken van de lotsverbondenheid geen sprake is. Daarbij komt dat het voornemen van beëindiging van het huwelijk niet van de man is uitgegaan. De vrouw betoogt dat het de man vanaf het begin af aan duidelijk is gemaakt dat de insuline op geen andere manier had kunnen worden ingediend dan van buitenaf. Dat het de man pas langzaamaan duidelijk werd, vindt de vrouw ongeloofwaardig. De vrouw betwist dat sprake is van grievend gedrag en voor zover daarvan wel sprake zou zijn, is volgens haar daarmee de lotsverbondenheid tussen partijen nog niet verbroken. Volgens haar is er sprake van echtscheidingsmanipulatie, nu de man pas aangifte tegen haar heeft gedaan nadat de vrouw het echtscheidingsverzoek had ingediend.

5.5

De man meent dat de vrouw (feitelijk) een verwijt kan worden gemaakt. Echtelieden mogen er volgens hem vanuit gaan dat zij 's nachts niet in hun slaap geïnjecteerd worden met insuline. Of een en ander uiteindelijk strafrechtelijke gevolgen krijgt, is volgens de man niet relevant. Anders dan de vrouw betoogt, heeft de man niet uit wraak aangifte gedaan. Hij heeft dit op aanraden van derden gedaan. De gebeurtenissen zijn pas na verloop van tijd bij de man doorgedrongen. De vrouw heeft weliswaar op enig moment de ambulance gebeld, maar zij heeft het ambulance- en ziekenhuispersoneel niet ingelicht dat zij bij de man insuline had ingespoten. Pas nadat de artsen alle medische oorzaken hadden uitgesloten, en er in het ziekenhuis niet-lichaamseigen insuline in zijn bloed werd aangetroffen, werd geconcludeerd dat sprake moest zijn van toediening van insuline van buitenaf. De vrouw heeft aanvankelijk ontkend dat zij insuline bij de man heeft ingespoten. De man stelt dat de vrouw destijds aangaf dat zij zich beschuldigd voelde, maar niet heeft toegegeven dat zij degene was die de insuline had toegediend. Pas in mei/juni 2015 heeft zij een bekennende verklaring afgelegd, aldus de man. Hij kon het, naar eigen zeggen, nauwelijks geloven dat de vrouw dit heeft gedaan. Uit het rapport van dr. [G] , internist, van 26 september 2016 blijkt dat er veel meer aan insuline is ingediend dan de zes of zeven eenheden die de vrouw bekend heeft. Er was sprake van een depoteffect dat past bij honderden of duizenden ingespoten eenheden, aldus de man. Hoewel de toedracht enigszins bekend werd met de bekennende verklaring van de vrouw, werd de ware toedracht pas bekend met het rapport van dr. [G] . De man stelt dat de vrouw haar actie van tevoren had bedacht en georganiseerd, nu zij bij haar werkgever meerdere keren insulinepennen heeft meegenomen en deze in de echtelijke woning heeft verstopt. De man heeft later nog een insulinepen gevonden die zat vastgeplakt in een laadje. Hij meent dat de vrouw, door het inspuiten van insuline, de man heeft blootgesteld aan risico's (overlijden, hersenafwijkingen). Daarmee is volgens hem de lotsverbondenheid tussen partijen komen te vervallen.

Oordeel hof

5.6

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat de vrouw de man in de periode van zaterdag 22 november 2014 tot en met zondag 23 november 2014 - terwijl hij lag te slapen en dus onwetend en weerloos was - heeft geïnjecteerd met insuline, terwijl de man geen insuline nodig had. De man is daardoor onwel geworden en de vrouw heeft op maandagochtend - toen zij de man niet goed wakker kon krijgen - de ambulance gebeld. De man heeft vervolgens circa drie weken in het ziekenhuis gelegen. Het hof is van oordeel dat de geschetste gedragingen van de vrouw zodanig van aard zijn dat daarmee de lotsverbondenheid tussen partijen is komen te vervallen. Dat de beweegredenen van de vrouw waren gericht, zoals zij stelt, op het enkele versuffen van de man en zij geen oogmerk had op het doden van de man en zij op enig moment de ambulance heeft gebeld, maakt dit niet anders. Dit geldt in dezen eveneens voor de fysieke en mentale gesteldheid van de vrouw in combinatie met de buitenechtelijke relatie van de man zoals door haar gesteld. In dit kader volgt het of de bevindingen van de forensisch psycholoog zoals die uit het strafvonnis blijken. Het hof neemt derhalve aan dat bij de vrouw sprake is van een persoonlijkheidsstoornis en zij de feiten enerzijds heeft gepleegd ter vergelding van het vreemdgaan van de man en de vernederingen die hiermee gepaard gingen, maar ook uit een onvermogen om te gaan met gevoelens van tekortschieten, van faalangst en de angst om te verliezen. Niettemin is het hof van oordeel dat een dergelijke aantasting van de lichamelijke integriteit van de man tijdens zijn slaap en daardoor onwetend en weerloos binnen de intimiteit van een slaapkamer door de vrouw zodanig ernstig is dat daardoor van de man in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij bijdraagt in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Dat de man pas later aangifte heeft gedaan en/of nadien nog het bed met haar zou hebben gedeeld, doet daaraan niet af. Het hof acht het niet onbegrijpelijk, zoals de man stelt, dat de gebeurtenissen pas op een later moment bij de man zijn doorgedrongen en dat hij - zoals hij heeft aangegeven - aanvankelijk niet heeft willen geloven dat de vrouw degene was die hem welbewust met insuline had geïnjecteerd en hem door dusdanig te handelen, heeft blootgesteld aan een levensbedreigende situatie en/of het oplopen van (blijvend) lichamelijk letsel. Derhalve zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en het meer of anders verzochte afwijzen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 7 oktober 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. Jonkman, mr. I.A. Vermeulen en mr. M.P. den Hollander, bijgestaan door mr. R.J. Krist als griffier, en is op 20 juli 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.