Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6320

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
200.202.526/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Relevante wijziging van omstandigheden volstrekt onvoldoende onderbouwd. Kostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.202.526/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/155122/FA RK 15-644)

beschikking van 20 juli 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.S. Özsaran te Groningen,

en

[verweerster] ,

wonende te [A] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H.J. van Balen te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 2 februari 2016 en 2 augustus 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 1 november 2016;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht van 18 januari 2017 met productie(s) van mr. Özsaran;

- een journaalbericht van 16 februari 2017 van mr. Van Balen;

- een journaalbericht van 6 juni 2017 met productie(s) van mr. Van Balen;

- een journaalbericht van 19 juni 2017 met productie(s) van mr. Özsaran.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 21 juni 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

Mr. Van Balen heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een door hem overgelegde pleitnotitie.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1981 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Op 14 november 2003 hebben partijen huwelijke voorwaarden opgemaakt in verband met de besloten vennootschap van de man, genaamd [B] B.V.

3.2

Het huwelijk van partijen is [in] 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 21 juli 2009 in de registers van de burgerlijke stand.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank Groningen van 16 maart 2010 is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud - conform de overeenstemming van partijen daaromtrent - met ingang van 1 januari 2010 op € 4.300,- bruto per maand bepaald, met dien verstande dat vanaf het moment dat de ten aanzien van de voormalige echtelijke woning afgesloten hypothecaire geldlening door de vrouw is afgelost (1 december 2015 of 1 januari 2016) genoemde bijdrage wordt verminderd met het laatstelijk maandelijkse aflossingsbedrag en de betaalde premie ter zake van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering. Voorts is bepaald dat met ingang van de maand waarop de vrouw een AOW-uitkering ontvangt, de dan geldende alimentatiebijdrage wordt verminderd met het bruto maandbedrag van haar uitkering en dat de man de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw verschuldigd is voor de duur van 12 jaar, zodat zijn betalingsverplichting eindigt op 1 januari 2022.

3.4

Bij beschikking van de rechtbank Groningen van 3 mei 2011 is bepaald dat de man aan de vrouw tot uitvoering van hetgeen in artikel 9B a. en b. in de huwelijkse voorwaarden is opgenomen met betrekking tot de waardestijging van [C] B.V., een vennootschap van welke de man enig aandeelhouder en bestuurder is, een bedrag dient te voldoen van € 62.856,80, waarbij de vrouw afziet van verdere aanspraken ter zake, ook voor wat betreft eventuele resterende reserves van de diverse panden. Voorts is bepaald dat de man aan de vrouw ter zake van de door haar verschuldigde inkomstenbelasting over de te ontvangen partneralimentatie in 2007, 2008 en 2009 een bedrag van € 37.184,- dient te betalen. Aan deze beschikking heeft de man tot op heden geen uitvoering gegeven.

3.5

De man heeft tot 1 juli 2012 aan zijn alimentatieverplichting voldaan, inclusief de wettelijke indexering.

3.6

Het LBIO heeft namens de vrouw diverse pogingen ondernomen om de alimentatievordering op de man te verhalen.

3.7

Bij vonnis in kort geding van 20 februari 2015 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, de vrouw verlof verleend om de beschikking van de rechtbank Groningen van 16 maart 2010 ten uitvoer te leggen bij lijfsdwang en in verband daarmee de man in gijzeling te doen stellen voor ten hoogste drie maanden totdat het volledige bedrag van de alimentatievordering is voldaan, tenzij de man binnen één maand na betekening van het vonnis een verzoek heeft ingediend tot wijziging van de bij beschikking van 16 maart 2010 van de rechtbank Groningen vastgestelde alimentatie, terwijl indien een dergelijk wijzigingsverzoek is ingediend, van het verlof eerst weer gebruik mag worden gemaakt wanneer de wijzigingsprocedure is geëindigd en alsdan een ten uitvoer te leggen alimentatieverplichting voorligt.

3.8

De man heeft de rechtbank bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank op 16 maart 2015, verzocht de beschikking van de rechtbank Groningen van 16 maart 2010 te wijzigen, voor zover het de daarin bepaalde partneralimentatie betreft en de daarin vastgestelde door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 juli 2012 op nihil te bepalen, althans een zodanige bijdrage vast te stellen en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

3.9

De vrouw heeft daartegen verweer gevoerd bij verweerschrift.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de door de man verzochte wijziging van de door hem op grond van de beschikking van 16 maart 2010 te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Bij de bestreden beschikkingen van 2 februari 2016 en 2 augustus 2016 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, het verzoek van de man daartoe aangehouden respectievelijk afgewezen.

4.2

De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikkingen van 2 februari 2016 en 2 augustus 2016. Deze grieven zien op de wijzigingsgrond, de ingangsdatum van de door de man beoogde wijziging als ook zijn draagkracht.

De man verzoekt het hof om voornoemde beschikkingen te vernietigen en om zijn inleidend verzoek alsnog toe te wijzen, kosten rechtens.

4.3

De vrouw heeft verweer gevoerd en verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep, dan wel zijn verzoek in hoger beroep af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikkingen, zo nodig onder verbetering van gronden, met veroordeling van de man in de proceskosten van alle instanties.

5 De motivering van de beslissing

* de wijzigingsgrond

5.1

In de eerste plaats is aan de orde de vraag of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De man stelt zich op het standpunt dat sprake is van een dergelijke wijziging, nu hij - gelet op zijn lagere inkomen - geen draagkracht meer heeft om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te voldoen. De vrouw heeft een en ander (gemotiveerd) betwist.

5.2

Aangezien de man zich op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW, is hij ontvankelijk in zijn verzoek. Het hof zal vervolgens beoordelen of sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een wijziging van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud rechtvaardigt.

5.3

Vooropgesteld dient te worden dat het op grond van de hoofdregel in artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op de weg van de man ligt - als degene die om wijziging van de door hem te betalen onderhoudsbijdrage verzoekt - om zijn stelling dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden, namelijk dat hij geen draagkracht meer heeft om enige bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te voldoen, te onderbouwen en (eventueel) te bewijzen.

5.4

De man stelt zich op het standpunt dat hij vanaf 1 juli 2012 geen draagkracht meer heeft om enige bijdrage in de kosten van levensonderhoud te voldoen. Volgens hem is er sinds 2012 sprake van een verslechtering in de financiële omstandigheden als gevolg van de slechte economische omstandigheden, die er uiteindelijk toe heeft geleid dat de werkzaamheden in [C] B.V. zijn gestaakt. Er is vanaf 1 januari 2014 geen salaris meer aan de man uitgekeerd, aldus de man. Vervolgens zijn de financiële omstandigheden volgens de man nog meer verslechterd doordat de vrouw via het LBIO beslag heeft gelegd op het onroerend goed van [C] B.V. Daardoor heeft de [a-bank] de kredietverlening ten behoeve van [C] B.V. ingetrokken, hetgeen tot een (gedwongen) verkoop van de panden van [C] B.V. heeft geleid. De man stelt dat door de verkoop van de panden onder de marktwaarde een schuld op de onderneming is ontstaan. Daarnaast is er een schuld aan de Belastingdienst. De man geeft aan dat hij in privé aansprakelijk is gesteld voor de schulden uit [C] B.V. Met ingang van 1 augustus 2016 is de man in dienst getreden bij [D] B.V. Hij ontvangt een salaris van € 845,06 netto per maand. De man leeft thans, naar eigen zeggen, van financiële bijstand van vrienden en familie.

5.5

De vrouw betwist dat de financiële situatie van de man en zijn B.V.('s) is verslechterd. Zij voert ter illustratie en onderbouwd met vele stukken (onder meer) aan dat de man destijds het biotechnologiebedrijf [B] B.V. van de [E] heeft overgenomen. Dit bedrijf telde destijds 15 werknemers en had grote klanten, waaronder Shell, Kisuma en Suikerunie. Op 1 maart 2011 heeft de man [B] B.V. failliet laten gaan en deze vervolgens vernoemd tot [F] B.V. Vanuit [C] B.V. heeft de man zich gespecialiseerd in onder andere winstgevende subsidieaanvragen milieutechnologie voor het midden- en kleinbedrijf. Uit de jaarstukken van [C] B.V. blijkt van een brutosalaris van € 111.718,- in 2012 en van € 107.012,- in 2013. De activa van [C] B.V. stegen jaarlijks met circa een ton, aldus de vrouw. De vrouw betwist dat het slecht ging met [C] B.V., nu er in 2014, naast een pensioenvoorziening van € 88.645,-, wel een bedrag van € 91.710,- aan dividend is gedoteerd, respectievelijk uitgekeerd. Op 14 september 2010 is de onderneming [G] B.V. (voorheen [H] B.V.) op naam van de partner van de man, mw. [I] , gezet. Dit geldt eveneens voor de per 1 oktober 2012 opgerichte nieuwe biotechnologie onderneming [J] B.V. De vrouw geeft aan dat mw. [I] in het geheel geen opleiding heeft genoten in dit kader (zij was werkzaam als caissière en kinderschoenstyliste). Mw. [I] is op papier weliswaar directeur-grootaandeelhouder van [G] B.V., maar het is de man die feitelijk deze B.V. leidt, aldus de vrouw. De vrouw wijst erop dat de man tot en met 4 oktober 2013 de jaarstukken van [G] B.V. heeft ondertekend in plaats van mw. [I] als directeur-grootaandeelhouder. Van armlastigheid van de man is volgens de vrouw ook geen sprake, nu hij buitensporig luxe uitgaven heeft gedaan. Zo heeft de man in 2009 een monumentale woonboerderij voor € 500.000,- aan [de a-straat] 11 te [K] gekocht, die op naam is gesteld van mw. [I] (met wie hij in 2008 een dochter heeft gekregen) en heeft hij die boerderij buitensporig luxueus ingericht/verbouwd terwijl hij ook elke circa 1,5 jaar een BMW voor ongeveer een ton, een Porsche/Mercedes Benz/MG Cabrio sportwagen aanschaft, aldus de vrouw. Via [C] B.V. heeft de man oneigenlijke hoge uitgaven gedaan voor niet-statutaire doelen, waardoor deze B.V. nagenoeg is leeggehaald. De vrouw heeft bovendien vraagtekens gesteld bij het huidige salaris van de man, nu zijn salaris gelijk is aan de beslagvrije voet.

5.6

Het hof is van oordeel dat de enkele stelling van de man dat er sedert 2012 sprake was van een verslechtering van de financiële situatie van [C] B.V. en dat de werkzaamheden in [C] B.V. zijn gestaakt - gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw op dit punt - volstrekt onvoldoende is om te kunnen concluderen dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die ertoe leidt dat de man geen draagkracht meer heeft om de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te kunnen voldoen. Immers, uit het dossier blijkt dat de man (in meerdere of mindere mate) betrokken was c.q. is bij meerdere ondernemingen. Zo heeft de man als directeur-grootaandeelhouder van [L] B.V. (mede) [H] B.V. opgericht. [L] B.V. is op 22 september 2006 omgedoopt tot [M] B.V. Nadien hield [C] B.V. (welke onderneming op 5 april 2002 werd opgericht en waarvan de man directeur-grootaandeelhouder is) 100% van de aandelen in [H] B.V., [B] B.V. en [M] B.V. [H] B.V. is op 31 maart 2010 omgedoopt tot [G] B.V. en op 14 september 2010 heeft [C] B.V. de aandelen van [G] B.V. verkocht en geleverd aan de partner van de man, mw. [I] (die daarvan directeur-grootaandeelhouder is). De activiteiten van [G] B.V. bestaan - blijkens de jaarstukken - voornamelijk uit innovatievraagstukken, subsidieaanvragen en handel in producten. De man heeft, naar eigen zeggen, in de beginfase (management)werkzaamheden in [G] B.V. verricht. Op 12 oktober 2010 heeft [C] B.V. de aandelen in [M] B.V. verkocht en geleverd aan [N] B.V. en de heer [O] . Op 1 oktober 2012 is de onderneming [J] B.V. opgericht, die eveneens op naam staat van de partner van de man. Op 5 maart 2014 is [B] B.V. omgedoopt tot [F] B.V. [C] B.V. was op dat moment (en in elk geval ook nog op 23 juli 2015) nog steeds enig aandeelhouder van [F] B.V. De man is met ingang van 1 augustus 2016 parttime in dienst getreden bij een op 21 maart 2016 opgerichte onderneming, genaamd [D] B.V., waarvan Stichting [P] enig aandeelhouder is (van welke stichting de man bestuurder is). Gelet op de aard en omvang van voornoemde transacties en de betrokkenheid van de man en zijn partner daarin is naar het oordeel van het hof onvoldoende helder of de man slechts afhankelijk was c.q. is van zijn inkomsten uit [C] B.V.

Daarbij komt dat door de man geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat de werkzaamheden van [C] B.V. daadwerkelijk zijn beëindigd. Dat de aan [C] B.V. in eigendom behorende panden zijn verkocht, leidt naar het oordeel van het hof - gelet op de in de jaarstukken van [C] B.V. vermelde doelstelling van de onderneming - niet tot de gevolgtrekking dat daarmee tot een staking van de werkzaamheden binnen de onderneming zou zijn gekomen. Daarenboven is de stelling van de man dat zijn draagkracht is verminderd doordat er sinds 2012 sprake was van een verslechtering van de financiële situatie van [C] B.V. door de vrouw weersproken onder verwijzing naar de jaarstukken van [C] B.V. Zo ontving de man als directeur-grootaandeelhouder blijkens de jaarstukken van [C] B.V. een bruto salaris in 2012 van € 111.942,-, in 2013 van € 106.796,- en in 2014 van € 35.231,- per jaar en is er in 2014 - zoals de vrouw heeft aangevoerd - ondanks een netto verlies van € 91.857,- een bedrag van € 91.710,- aan dividend uitgekeerd. Zoals de vrouw ter zitting heeft aangevoerd is de door de man als directeur-grootaandeelhouder van [C] B.V. opgestelde brief van 24 mei 2013 waarin hij zijn eigen arbeidsovereenkomst beëindigt per 1 juli 2013 in dit kader onbegrijpelijk.

5.7

Het hof is - gezien het hiervoor overwogene - van oordeel dat de man zijn stelling dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een wijziging van de door hem aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud rechtvaardigt, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, volstrekt onvoldoende heeft onderbouwd. Dit brengt met zich dat het verzoek van de man tot wijziging van de beschikking van de rechtbank Groningen van 16 maart 2010 dient te worden afgewezen en de beschikkingen waarvan beroep dienen te worden bekrachtigd.

5.8

Aan de overige stellingen en weren, alsmede aan het verzoek ex artikel 843a Rv van de vrouw wordt derhalve niet (meer) toegekomen, hetgeen betekent dat het meer of anders verzochte dient te worden afgewezen.

5.9

De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen in de proceskosten van alle instanties. Het hof ziet aanleiding gezien het onder 5.6 en 5.7 overwogene om de man als de in het ongelijk te stellen partij te veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

De kosten voor de procedure in hoger beroep worden aan de zijde van de vrouw vastgesteld op € 1.788,- voor salaris van de advocaat volgens het liquidatietarief (2 punten, tarief à € 894,- per punt) en op € 313,- wegens verschotten (griffierecht € 313,-).

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 2 februari 2016 en 2 augustus 2016;

veroordeelt de man in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de vrouw vastgesteld op € 313,- aan verschotten en € 1.788,- aan geliquideerd salaris van de advocaat;

verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.A. Vermeulen, mr. M.P. den Hollander en mr. I.M. Dölle, bijgestaan door mr. R.J. Krist als griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 20 juli 2017.