Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6232

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
21-07-2017
Zaaknummer
TBS P17/0141
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Bedreiging en belaging bij terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (dwangverpleging). Geweldsdelict? Gemaximeerde of ongemaximeerde terbeschikkingstelling (art. 38e Sr). Naar het oordeel van het hof ligt in de bewezenverklaring, de vaststelling met betrekking tot het gedrag van de terbeschikkinggestelde op 30 juni 2014 en 5 juli 2014, dat de bedreiging en de belaging ondersteunt, en de motivering van de oplegging van de maatregel, waaruit blijkt dat de rechtbank de mogelijkheid dat de terbeschikkinggestelde de daad bij het woord voegt reëel acht, in onderling verband en samenhang bezien, besloten dat sprake is van geweldsmisdrijven in de zin van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht. De terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is derhalve in dit geval niet gemaximeerd tot een duur van vier jaar. Gelet op de strekking van de hiervoor aangehaalde beslissing van de Hoge Raad van 12 februari 2013 was dit oordeel van het hof in redelijkheid voorzienbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P17/0141

Beslissing d.d. 20 juli 2017

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[naam terbeschikkinggestelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1962] ,

verblijvende in [FPC] .

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 6 maart 2017, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van één jaar.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

  • -

    het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

  • -

    de beslissing waarvan beroep;

  • -

    de akte van beroep van de terbeschikkinggestelde van 17 maart 2017;

  • -

    de aanvullende informatie van [FPC] van 28 juni 2017, met als bijlage de wettelijke aantekeningen over de periode van 17 januari 2017 tot en met 20 juni 2017.

Het hof heeft ter zitting van 6 juli 2017 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. D.N.A. Brouns, advocaat te Utrecht, en de advocaat generaal mr. A.M. Vries.

Overwegingen:

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsvrouw

De terbeschikkinggestelde is van mening dat de terbeschikkingstelling ten onrechte aan hem is opgelegd ter zake belaging en bedreiging. Hij erkent de indexdelicten te hebben begaan, maar hij is het niet eens met de gestelde diagnose. Volgens hem kreeg hij leuke reacties op zijn e-mailberichten aan televisiepresentatrices via de televisie. Hij ontving via de televisie boodschappen die de NOS opzettelijk verpakte in filmpjes over onderwerpen die onderhoudend en ondersteunend op hem overkwamen. Het is hem nu wel duidelijk dat hij in ieder geval eerder had moeten stoppen met het zoeken van contact met de slachtoffers van de indexdelicten. De terbeschikkinggestelde vindt het frustrerend dat over hem wordt gezegd dat hij lijdt aan waandenkbeelden.

De raadsvrouw heeft betoogd dat de totale duur van de terbeschikkingstelling gemaximeerd is. Gelet op de bewezenverklaring en de motivering van het vonnis waarbij de maatregel is opgelegd, alsmede de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, is er geen sprake van gewelddelicten. Ten aanzien van de voorzienbaarheid heeft zij opgemerkt dat de officier van justitie, de kliniek en de terbeschikkinggestelde er altijd vanuit zijn gegaan dat de totale duur van de maatregel is gemaximeerd tot vier jaren. De raadsvrouw heeft primair verzocht de reclassering te laten rapporteren over de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht (diagnostisch) onderzoek naar de terbeschikkinggestelde te laten verrichten door een onafhankelijke deskundige om de impasse in de behandeling van de terbeschikkinggestelde te doorbreken. De raadsvrouw heeft meer subsidiair verzocht in de beslissing te overwegen dat vóór de volgende verlengingsprocedure door de reclassering wordt geapporteerd over de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Bij de oplegging van de terbeschikkingstelling dient de rechter nadrukkelijk te motiveren dat de totale duur van de maatregel ongemaximeerd is. Het gaat om de vraag of er gevaar is geweest voor de lichamelijke integriteit van personen. Gelet op de aard van de indexdelicten - belaging en bedreiging via e-mailberichten zonder fysiek contact met de slachtoffers - volgt de advocaat-generaal het standpunt van de officier van justitie dat de totale duur van de terbeschikkingstelling is gemaximeerd tot vier jaren.

De kliniek blijft bij het goed onderbouwde verlengingsadvies in de update. De terbeschikkinggestelde heeft nog altijd last van wanen. Er is ook nog steeds sprake van herhalingsgevaar. De kliniek werkt voortvarend toe naar het einde van de gemaximeerde terbeschikkingstelling door middel van een verloftraject. Als dit traject goed verloopt, kan na een verlenging van de maatregel met één jaar worden bezien of er dan een maatregelrapport dient te worden opgesteld. Op dit moment is een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege nog prematuur. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de verlengingsbeslissing van de rechtbank, zo nodig met een aanvullende overweging met betrekking tot de maximale duur van de terbeschikkingstelling.

Het oordeel van het hof

Verzoeken

Het hof acht zich voldoende voorgelicht om te kunnen oordelen op het door de terbeschikkinggestelde ingestelde beroep. Het verzoek tot het door de reclassering doen onderzoeken van de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege wordt afgewezen, nu de noodzakelijkheid daarvan niet is gebleken. Het hof acht een voorwaardelijke beëindiging van de maatregel thans prematuur gezien het belang van een gefaseerde uitbreiding van de vrijheden van de terbeschikkinggestelde en de stappen die nog moeten worden gezet in het behandel- en resocialisatietraject. Het traject dat is ingezet dient te worden voortgezet. De terbeschikkinggestelde staat nu nog aan het begin van dit traject. Het hof ziet daarom ook geen aanleiding om reeds nu te overwegen dat het gewenst is dat voor de eventuele volgende verlengingszitting een dergelijk onderzoek door de reclassering wordt verricht. Ook het subsidiaire verzoek om (diagnostisch) onderzoek te laten verrichten door een onafhankelijke deskundige wordt afgewezen, nu de noodzakelijkheid daarvan niet is gebleken. Een onderzoek van een onafhankelijk deskundige is niet noodzakelijk om een impasse in de behandeling van de terbeschikkinggestelde te doorbreken, nu er geen sprake is van een impasse.

(On)gemaximeerde terbeschikkingstelling?

De rechtbank is in de beslissing waarvan beroep ingegaan op de vraag of de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en daarmee op de vraag of de totale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege een periode van vier jaar te boven kan gaan (art. 38e Sr). De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Het hof volgt de rechtbank daarin niet.

De rechtbank heeft de terbeschikkinggestelde in haar vonnis van 30 januari 2015 ontslagen van alle rechtsvervolging en aan hem de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd ter zake van 1) en 3) belaging en 2) bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. De bewezenverklaring luidt als volgt:

1. Hij op tijdstippen in de periode van 21 april 2013 tot en met 8 juli 2014 te Hilversum wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijk levenssfeer van [slachtoffer 1] , telkens met het oogmerk [slachtoffer 1] te dwingen iets te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers is/heeft hij, verdachte,

  • -

    op verschillende tijdstippen emailberichten, te weten 124 emailberichten, gericht aan [slachtoffer 1] verzonden (aan/via reacties@NOS.nl, terwijl die [slachtoffer 1] werkzaam is bij de NOS) en

  • -

    meer malen naar het Mediapark is toegegaan, terwijl die [slachtoffer 1] aldaar (met regelmaat) verbleef, met als kennelijk doel die [slachtoffer 1] te ontmoeten en

  • -

    die [slachtoffer 1] onder meer schriftelijk de woorden heeft toegevoegd: “ [voornaam slachtoffer 1] , mot jou ergens tegen komen: maak je af; kan wel als ’t moet!”;

2. Hij op 5 juli 2014 te Hilversum [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk dreigend die [slachtoffer 1] schriftelijk (per email gericht aan de NOS, zijnde het werkadres van die [slachtoffer 1] ) de woorden toegevoegd: “ [voornaam slachtoffer 1] , mot jou ergens tegen komen: maak je af; kan wel als ’t moet!”;

3. Hij op tijdstippen in de periode van 14 mei 2013 tot en met 14 augustus 2014 te Amsterdam, te Heerlen, te Leeuwarden, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijk levenssfeer van [slachtoffer 2] , met het oogmerk [slachtoffer 2] te dwingen iets te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte,

  • -

    op verschillende tijdstippen (telkens) van meerdere emailadressen (op zijn naam) meerdere emailberichten verzonden aan die [slachtoffer 2] (via haar website en haar persoonlijk mailadres) (terwijl die [slachtoffer 2] niet antwoordde op zijn mails en zijn emailadressen blokkeerde) en

  • -

    op verschillende tijdstippen (in mei 2014) gebeld, gesmst met de ex-vriend van die [slachtoffer 2] [ex-vriend slachtoffer 2] genaamd) en (vervolgens) die [ex-vriend slachtoffer 2] medegedeeld dat hij, verdachte, graag met die [slachtoffer 2] in contact zou willen komen en

  • -

    op verschillende tijdstippen (telkens) die [slachtoffer 2] benaderd en (als contactpersoon) toegevoegd op/via Skype en

  • -

    die [slachtoffer 2] op verschillende tijdstippen (in de periode van juli 2014 tot en met augustus 2014) (telkens) handgeschreven brieven gestuurd (op haar werkadres) met daarin onder meer de mededeling dat hij die [slachtoffer 2] thuis wil opzoeken en haar wil meenemen naar één of meer locaties.

Met betrekking tot de oplegging van de maatregel heeft de rechtbank overwogen dat blijkens de aanvullende Pro Justitia-rapportage van [naam 1] van 9 januari 2015 de waanstoornis zich niet heeft laten inperken door de voorlopige hechtenis. De terbeschikkinggestelde houdt niet alleen vast aan zijn waanovertuigingen, maar breidt deze waan uit naar andere vrouwen. In zijn waan is hij bedreigend naar vrouwen wanneer zij niet beantwoorden aan zijn behoefte aan contact en eventueel een relatie. De terbeschikkinggestelde is in zijn waan dwingend en eisend en wanneer hij de gelegenheid daartoe krijgt, zal hij mogelijk niet schromen fysiek contact te zoeken met personen die in zijn waan zijn betrokken. In een dergelijke situatie is het gevaar van escalatie aanwezig, omdat niet kan worden uitgesloten dat de terbeschikkinggestelde vanuit zijn waan zijn dreigementen zal waarmaken. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat blijkens de Pro Justitia-rapportage van [naam 2] van 14 januari 2015 het risico op soortgelijke feiten als bijzonder hoog wordt ingeschat en dat verdachte tijdens zijn voorlopige hechtenis nog steeds in de overtuiging verkeert dat hij een relatie kan krijgen met een vrouwelijk persoon die bekend is van televisie. De rechtbank heeft het oordeel van deze deskundigen overgenomen. Het hof merkt in dit verband op dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de terbeschikkinggestelde, nadat hij in de periode vanaf 21 april 2013 een groot aantal emailberichten aan [slachtoffer 1] had verstuurd, op 30 juni 2014 en op 5 juli 2014 heeft geprobeerd haar op te zoeken op haar werk op het Mediapark en, toen het hem op 5 juli 2014 door interventie van de politie wederom niet lukte om contact met haar te krijgen, haar een email met de tekst: “ [voornaam slachtoffer 1] , mot jou ergens tegen komen: maak je af; kan wel als ’t moet!”, heeft gestuurd.

Ingeval aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is opgelegd, dient de rechter - bij voorkeur in de bewoordingen van artikel 359, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering - in zijn motivering van de maatregel tot uitdrukking te brengen dat deze wel of niet ter zake van een geweldsmisdrijf is opgelegd. Zulks is vooral van belang indien het misdrijf ter zake waarvan de terbeschikkingstelling is opgelegd, niet zonder meer kan worden gekarakteriseerd als een geweldsmisdrijf - dus als een misdrijf dat was gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen - bijvoorbeeld in geval van bedreiging (art. 285 Sr) of belaging (art. 285b Sr), ter zake waarvan op grond van art. 37a, eerste lid onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht de maatregel van terbeschikkingstelling kan worden opgelegd (Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR: 2013:BY8434, NJ 2013/161, en

HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:646).

De rechtbank heeft echter in haar vonnis van 30 januari 2015 niet expliciet in voornoemde zin verwoord dat de hierboven genoemde misdrijven waren gericht tegen of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zal de verlengingsrechter zich een oordeel dienen te vormen over de vraag of - gelet op alle feiten en omstandigheden die destijds bekend waren - de bewezenverklaarde bedreiging en belaging geweldsmisdrijven in de zin van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht opleveren. De verlengingsrechter moet daarbij alle relevante omstandigheden in aanmerking nemen en kan daarbij onder meer betrekken of de bedreiging werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag ten opzichte van de bedreigde dan wel op enigerlei (andere) wijze werd ondersteund, alsmede of destijds aannemelijk was dat de bedreiging zou worden uitgevoerd (Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR: 2013:BY8434, NJ 2013/161).

Naar het oordeel van het hof ligt in de bewezenverklaring, de vaststelling met betrekking tot het gedrag van de terbeschikkinggestelde op 30 juni 2014 en 5 juli 2014, dat de bedreiging en de belaging ondersteunt, en de motivering van de oplegging van de maatregel, waaruit blijkt dat de rechtbank de mogelijkheid dat de terbeschikkinggestelde de daad bij het woord voegt reëel acht, in onderling verband en samenhang bezien, besloten dat sprake is van geweldsmisdrijven in de zin van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht. De terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is derhalve in dit geval niet gemaximeerd tot een duur van vier jaar. Gelet op de strekking van de hiervoor aangehaalde beslissing van de Hoge Raad van 12 februari 2013 was dit oordeel van het hof in redelijkheid voorzienbaar.

Bevestiging

Het hof is met voormelde verbetering met betrekking tot de duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist om de terbeschikkingstelling te verlengen met een termijn van één jaar. Daarom zal het hof de beslissing waarvan beroep met die verbetering bevestigen.

Beslissing

Het hof:

Wijst af het verzoek tot het doen onderzoeken van de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege;

Wijst af het verzoek tot het laten verrichten van (diagnostisch) onderzoek door een onafhankelijk deskundige;

Bevestigt met verbetering als voormeld de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 6 maart 2017 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [naam terbeschikkinggestelde].

Aldus gedaan door

mr. E.A.K.G. Ruys als voorzitter,

mr. A.B.A.P.M. Ficq en mr. Y.A.J.M. van Kuijck als raadsheren,

en drs. E.M.M. Mol en Drs. E.L.M. Klein Haneveld als raden,

in tegenwoordigheid van mr. R. Hermans als griffier,

en op 20 juli 2017 in het openbaar uitgesproken.

mr. A.B.A.P.M. Ficq, mr. Y.A.J.M. van Kuijck en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.