Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6162

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
WAHV 200.178.126
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 WAHV. Als wordt aangevoerd dat het bekeuren op kenteken achterwege had moeten blijven en de beschikking aan de bestuurder had moeten worden opgelegd, dient een uitdrukkelijke beslissing te worden genomen en zal zonodig aan de verbalisant een nadere toelichting gevraagd kunnen worden omtrent de vraag of zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heft voorgedaan. De betrokkene vraagt van meet af aan waarom de verbalisant de betrokkene niet heeft staande gehouden. Het hof acht het niet geraden alsnog nadere informatie op te vragen bij de verbalisant. Op grond van de stukken blijkt niet dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. De sanctiebeschikking wordt vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2017/274
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.178.126

18 juli 2017

CJIB 180569247

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland

van 2 september 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “stilstaan langs een gele doorgetrokken streep”, welke gedraging zou zijn verricht op 4 maart 2014 om 14.29 uur op de N201 te Schiphol-Rijk met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De betrokkene voert aan dat hij deze gedraging niet heeft verricht en dat er geen bewijsmateriaal beschikbaar is. Hij verzoekt om nadere gegevens met betrekking tot de constatering van de verbalisant, waaronder een afschrift van een ijkrapport van de gebruikte apparatuur. Daarnaast klaagt hij erover dat hij niet staande is gehouden door de verbalisant. Verder voert de betrokkene aan dat hij geen hinder of gevaar heeft veroorzaakt en dat hij beroepschauffeur is en wel wat beters te doen heeft dan opzettelijk voor inkomstenderving te zorgen.

3. Anders dan de betrokkene mogelijk meent, biedt de verklaring van de verbalisant in WAHV-zaken in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

4. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB in - voor zover van belang en zakelijk weergegeven - dat met voormeld voertuig in strijd met het bepaalde in artikel 23, eerste lid, aanhef en onder g, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) werd stilgestaan dan wel geparkeerd langs een gele doorgetrokken streep, waarbij tevens een bord E2 uit bijlage 1 bij het RVV 1990 - inhoudende: verbod stil te

staan - was geplaatst.

5. Het hof stelt voorop dat deze constatering van de verbalisant een visuele waarneming betreft waarbij geen meetapparatuur is gebruikt. Aan het verzoek van de betrokkene om een afschrift van het ijkrapport van de gebruikte apparatuur kan derhalve geen gevolg worden gegeven.

6. Tegenover de verklaring van de verbalisant heeft de betrokkene in feite niet meer gesteld dan de niet nader onderbouwde ontkenning de gedraging te hebben verricht. Dat is onvoldoende om bij het hof twijfel te doen ontstaan aan de verklaring van de verbalisant. Ook overigens blijkt uit het dossier niet van feiten of omstandigheden die daartoe aanleiding geven. Naar de overtuiging van het hof staat derhalve vast dat de gedraging is verricht.

7. Het hof is niet gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat het opleggen van een sanctie niet te billijken valt, dan wel dat matiging van de sanctie gerechtvaardigd is. Op grond van artikel 2, derde lid, van de WAHV is de hoogte van de sanctie voor elke gedraging vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. Deze in hoge mate tariefsmatige afdoening van gedragingen brengt mee dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om van de vastgestelde tarieven af te wijken.

Naar het oordeel van het hof is er in het onderhavige geval geen sprake van bijzondere omstandigheden als vorenbedoeld. De omstandigheid dat de betrokkene niet doelbewust de gedraging heeft begaan en geen gevaar of hinder zou hebben veroorzaakt, zijn geen omstandigheden die aanleiding geven af te wijken van de vastgestelde tarieven. Het verrichten van een gedraging als de onderhavige kan op zichzelf al het opleggen van een sanctie rechtvaardigen. De mogelijkheid tot oplegging van een sanctie als de onderhavige heeft de wetgever niet afhankelijk gesteld van opzet of gevaarzetting. Om die reden kan niet worden gezegd dat de omstandigheden dusdanig zijn dat de sanctie dient te worden gematigd of in zijn geheel achterwege dient te blijven.

8. Voor zover de betrokkene erover klaagt dat hij niet staande is gehouden door de verbalisant, overweegt het hof als volgt. Artikel 5 van de WAHV bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd. De rechter zal, indien de gedraging met toepassing van artikel 5 van de WAHV is opgelegd, zoals in dezen het geval, in het algemeen - dus ook zonder dat dat met zoveel woorden uit het dossier blijkt - ervan mogen uitgaan dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. Ingeval dienaangaande een verweer wordt gevoerd, zal de rechter daarop een uitdrukkelijke beslissing dienen te geven en zal hij zonodig aan de verbalisant een nadere toelichting dienen te vragen (HR 14 maart 2000, VR 2000,148).

9. Het hof stelt vast dat de verbalisant in de in het zaakoverzicht van het CJIB opgenomen verklaring niet heeft aangegeven, waarom hij deze sanctie met toepassing van artikel 5 van de WAHV aan de kentekenhouder heeft opgelegd. Op grond van die verklaring kan derhalve niet blijken dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig heeft voorgedaan, terwijl het dossier ook overigens geen basis biedt voor een zodanige vaststelling. Hoewel de betrokkene dit verweer van meet af aan naar voren heeft gebracht in deze procedure, is hieromtrent door zowel de officier van justitie, de kantonrechter als de advocaat-generaal geen nader onderzoek ingesteld. Het hof acht het niet geraden om thans alsnog nadere informatie op te (doen) vragen bij de verbalisant.

10. Nu op grond van de stukken niet blijkt dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig heeft voorgedaan, moet het ervoor worden gehouden dat de verbalisant ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 5 van de WAHV, door de sanctie aan de kentekenhouder op te leggen. Aan die onjuiste toepassing verbindt het hof de consequentie dat de beschikking, waarbij de sanctie aan de betrokkene is opgelegd, moet worden vernietigd.

11. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep van de betrokkene gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking vernietigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 180569247 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de WAHV tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan haar wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Verdoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.