Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:607

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-01-2017
Datum publicatie
08-02-2017
Zaaknummer
200.184.035/01 en 200.193.818/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging van het gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.184.035/01 en 200.193.818/01

(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland C/19/110597 / FA RK 15-1372 en C/19/113374 / FA RK 16-154)

beschikking van 26 januari 2017

in de zaak met zaaknummer 200.184.035/01 van

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: voorheen: mr. A.J. Admiraal te Amsterdam, thans: mr. H. Seton te Amersfoort,

en

de raad voor de kinderbescherming,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 de pleegouders van [de minderjarige1] (en [de minderjarige2] ),

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de pleegouders,

2. de Jeugd- en Gezinsbeschermers,

locatie te Alkmaar,

verder te noemen: de GI,

en in de zaak met zaaknummer 200.193.818/01 van

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. H. Seton te Amersfoort,

en

de raad voor de kinderbescherming,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 de pleegouders van [de minderjarige2] (en [de minderjarige1] ),

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de pleegouders,

2. de Jeugd- en Gezinsbeschermers,

locatie te Alkmaar,

verder te noemen: de GI.

1
1. Het geding in eerste aanleg

In de zaak met zaaknummer 200.184.035/01

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 14 oktober 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer C/19/110597 / FA RK 15-1372.

In de zaak met zaaknummer 200.193.818/01

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 18 mei 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer C/19/113374 / FA RK 16-154.

2 Het geding in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.184.035/01

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 12 januari 2016;

- het verweerschrift met productie(s);

- een brief namens mr. Admiraal van 3 februari 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Seton van 13 juni 2016 met productie(s).

In de zaak met zaaknummer 200.193.818/01

2.2

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 16 juni 2016;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Seton van 4 juli 2016 met productie(s).

In beide zaken

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 30 november 2016 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, vergezeld van haar begeleidster mevrouw [B] en bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad is de heer [C] verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

De moeder en de heer [D] (verder te noemen: de vader) zijn de ouders van - [de minderjarige1] , geboren [in] 2013 (verder te noemen: [de minderjarige1] ) en

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2014 (verder te noemen: [de minderjarige2] ). De moeder oefende van rechtswege alleen het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] uit.

3.2

De toen nog ongeboren [de minderjarige1] staat sinds 25 juni 2013 onder toezicht van de GI. Vanaf medio september 2013 is de moeder met [de minderjarige1] middels een veiligheidsplan opgenomen in de anonieme opvang van [E] . Op 13 februari 2014 is [de minderjarige1] middels een (spoed)machtiging uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg. Sinds april 2014 verblijft hij bij de pleegouders.

3.3

De toen nog ongeboren [de minderjarige2] staat sinds 12 december 2014 onder toezicht van de GI. Enkele dagen na zijn geboorte, op 31 december 2014, is [de minderjarige2] middels een (spoed)machtiging uit huis geplaatst. Sinds eind mei 2015 verblijft hij in hetzelfde, perspectiefbiedende pleeggezin als [de minderjarige1] .

3.4

De vader is veroordeeld voor het plegen van een gewapende overval en verblijft in detentie. Hij heeft geen contact en/of omgang met [de minderjarige1] en/of [de minderjarige2] .

3.5

De moeder verblijft sinds maart 2015 in (een 24-uurssetting) [F] , thans locatie [A] (hierna: zorgcentrum).

3.6

Bij de bestreden beschikking van 14 oktober 2015 heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, het gezag van de moeder over [de minderjarige1] beëindigd en de GI tot voogdes benoemd.

3.7

Bij de bestreden beschikking van 18 mei 2016 heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, het gezag van de moeder over [de minderjarige2] beëindigd en de GI tot voogdes benoemd.

4 De omvang van het geschil

In de zaak met zaaknummer 200.184.035/01

4.1

De moeder heeft het hof verzocht de bestreden beschikking van 14 oktober 2015 te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige1] wordt afgewezen.

In de zaak met zaaknummer 200.193.818/01

4.2

De moeder heeft het hof verzocht de bestreden beschikking van 18 mei 2016 te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige2] wordt afgewezen.

5 De motivering van de beslissing

In beide zaken

5.1

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2

Voor het hof is duidelijk dat de moeder een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Sinds maart 2015 verblijft de moeder in een zorgcentrum. Het hof acht het - mede gelet op het (fors) belaste verleden van de moeder en haar persoonlijke problematiek waaronder ook zwakbegaafdheid - bewonderenswaardig hoe de moeder sindsdien aan zichzelf heeft gewerkt en grote stappen heeft gezet. Zo gebruikt de moeder sinds langere tijd geen drugs meer en heeft zij therapieën gevolgd, onder meer om trauma's uit het verleden te verwerken.

Het hof acht het eveneens positief dat de omgangsmomenten tussen de moeder en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zeer goed verlopen. De moeder ziet de kinderen momenteel, in aanwezigheid van de pleegmoeder, eens in de drie weken gedurende anderhalf uur. De moeder heeft ter zitting verklaard dat het contact met de pleegmoeder goed verloopt en dat zij zeer regelmatig via whatsapp contact hebben.

Het hof acht het in het licht van de stappen die de moeder heeft gezet dan ook begrijpelijk dat het voor de moeder moeilijk te accepteren is dat de raad (alsnog) verzoeken tot beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] heeft ingediend en die verzoeken zijn toegewezen.

5.3

Echter hoezeer ook van belang, het gaat bij de beoordeling van deze zaak niet primair om de ontwikkelingen ten goede van de moeder. Gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief. Het hof overweegt met betrekking tot het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in het onderhavige geval als volgt.

5.4

[de minderjarige1] (thans ruim drie jaar) en [de minderjarige2] (thans ruim twee jaar) zijn vlak na hun geboorte ( [de minderjarige1] was destijds ongeveer zes maanden oud en [de minderjarige2] een paar dagen oud) uit huis geplaatst omdat er sprake was van een zeer zorgelijke opvoedomgeving, waardoor zij ernstig werden bedreigd in hun veiligheid, gezondheid en ontwikkeling. De kinderen waren voor een stabiele en veilige hechting aangewezen op een vervangende opvoedsituatie. Omdat duidelijk was dat moeder niet binnen een aanvaardbare termijn haar opvoedingsverantwoordelijkheid voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] kon waarmaken is al snel/direct gekozen voor een perspectiefbiedende plaatsing.

Gebleken is dat de pleegouders aansluiten bij wat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] nodig hebben, dat zij hun stabiliteit bieden en dat zij tegemoet komen aan hun opvoedingsbehoeften. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ontwikkelen zich goed bij de pleegouders en zijn een (veilige) hechtingsrelatie aangegaan met de pleegouders. Het doorbreken van de hechting kan hun ontwikkeling ernstig schaden. Nu de kinderen zo lang en al vanaf zo jonge leeftijd bij de pleegouders wonen en daar gehecht zijn geraakt - nog los van de vraag of inmiddels de verwachting gerechtvaardigd is dat de moeder (nu of op termijn) de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van de kinderen kan dragen - is de aanvaardbare termijn daarvoor verstreken. Het is in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , maar overigens ook de pleegouders, dat er nu duidelijkheid komt over hun opvoedingsperspectief.

Het belang bij duidelijkheid is des te groter nu de moeder de hoop lijkt te hebben dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op langere termijn weer bij haar kunnen wonen.

5.5

Met betrekking tot de stelling van de moeder dat de kinderen gelet op hun jonge leeftijd geen last zullen hebben van de jaarlijkse verlengingen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing en dat dit derhalve niet tot onzekerheid bij hen zal leiden, overweegt het hof als volgt. De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn in beginsel van tijdelijke aard en dienen gericht te zijn op (het werken aan) de terugkeer van het kind naar de ouder(s). Deze maatregel kan slechts worden verlengd indien de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn, in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en de opvoeding te dragen. Deze verwachting is, zoals het hof hiervoor heeft overwogen, niet (meer) aanwezig. Dat de moeder haar gezag op een goede manier gebruikt in de samenwerking met de pleegouders en de hulpverlening, doet, wat hier ook van zij, niet af aan bovenstaand oordeel. Het blijk geven van duurzame bereidheid van de ouder(s) om het kind in het pleeggezin waar het verblijft te laten opgroeien dient in de beoordeling te worden betrokken, maar staat - gelet op het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie - niet (zonder meer) in de weg aan beëindiging van het gezag.

5.6

Het hof wenst ten overvloede nog op te merken dat het feit dat het gezag van de moeder over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is beëindigd, niet met zich brengt dat zij voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] minder belangrijk is of dat zij geen rol meer in het leven van haar kinderen speelt. Immers, de moeder zal ondanks de beëindiging van het gezag altijd de moeder van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] blijven. Bovendien houdt zij het recht op informatie over de ontwikkeling van de kinderen en op contact met de kinderen voor zover het belang van de kinderen zich hiertegen niet verzet. Daarbij komt dat, zoals de raad ook in zijn verweerschrift inzake [de minderjarige1] heeft aangegeven, het van belang is dat de moeder de door haar ingezette positieve lijn volhoudt, zodat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zoveel mogelijk kunnen profiteren van het contact met de moeder.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, dient het hof de bestreden beschikkingen, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

in de zaak met zaaknummer 200.184.035/01

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 14 oktober 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

in de zaak met zaaknummer 200.193.818/01

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 18 mei 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, G.M. van der Meer en M.P. den Hollander, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 26 januari 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.