Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6069

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-07-2017
Datum publicatie
14-07-2017
Zaaknummer
21-000118-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtmatigheidsverweer m.b.t. onderzoek smartphone. Artikel 8 EVRM.

Inhoudelijk: voorhanden hebben vuurwapens. Poseren met wapens voor foto.

Vordering herroeping VI.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 94
Wetboek van Strafvordering 95
Wetboek van Strafvordering 96
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2017/59

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000118-17

Uitspraak d.d.: 14 juli 2017

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 30 december 2016 met parketnummer 16-705898-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

wonende te [woonplaats] ,

thans verblijvende in PI Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos, te Heerhugowaard.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast dient de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling te worden toegewezen. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K. Blonk, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte ter zake van het voorhanden hebben van twee Kalashnikovs en een pistool met bijbehorende munitie veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is bij afzonderlijke beslissing een vordering tot herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen. Van het voorhanden hebben van een raketwerper is verdachte vrijgesproken.

Het hof zal het vonnis en de beslissing waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 18 maart 2016 in de gemeente [gemeente] en/of elders in Nederland een of meer wapens van categorie II, te weten

- één of meerdere vuurwapen(s), type aanvalsgeweer (Kalashnikov) en/of

- een raketwerper, voorhanden heeft gehad.


2:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 maart 2016 tot en met 16 april 2016 in de gemeente [gemeente] en/of elders in Nederland, een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (merk Glock, type 19, 9mm) en/of munitie van categorie III, te weten één of meerdere (15) patro(o)n(en) (behorende bij voornoemd pistool) voorhanden heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Rechtmatigheidsverweren

De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat de inbeslagname van de mobiele telefoon van verdachte en het onderzoek aan die telefoon onrechtmatig zijn geweest omdat er op dat moment geen redelijke verdenking (meer) bestond tegen verdachte. Daarnaast heeft de raadsvrouw bepleit dat met het onderzoek aan de mobiele telefoon een inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verdachte als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

De vruchten van voornoemd handelen dienen van het bewijs te worden uitgesloten en dit zal tot vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde moeten leiden, aldus de raadsvrouw.

De advocaat-generaal heeft zich ter zitting van het hof op het standpunt gesteld dat er met betrekking tot het onderzoek aan de telefoon inderdaad sprake is van een schending van artikel 8 EVRM. Het onderzoek aan de telefoon heeft plaatsgevonden zonder dat daartoe een bevel van de Officier van Justitie was afgegeven, hetgeen een onherstelbaar vormverzuim oplevert. Gelet op de beperkte ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt, hoeft dit volgens de advocaat-generaal niet tot bewijsuitsluiting te leiden maar kan worden volstaan met de vaststelling dat een vormvoorschrift is geschonden.

Voornoemd verweer is in eerste aanleg ook door de verdediging gevoerd. De rechtbank heeft daaromtrent in het vonnis onder meer overwogen:

“De rechtbank overweegt dat op 12 april 2016 [medeverdachte 1] ter zake van betrokkenheid bij een moord is aangehouden. Verdachte is, terwijl hij in de auto zat bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , ook aangehouden. De mobiele telefoons van verdachte en [medeverdachte 2] zijn vervolgens op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering in beslag genomen en onderzocht. Gelet op de verdenking van het strafbare feit waarvoor [medeverdachte 1] is aangehouden, is deze inbeslagname rechtmatig geweest. Voor inbeslagneming waren ook vatbaar voorwerpen die niet aan de verdachte [medeverdachte 1] toebehoorden. De officier van justitie heeft bovendien aangegeven dat de verzamelde mobiele telefoons samen met de verdachten door het arrestatieteam zijn aangeleverd en dat daarna onderzocht is wie de eigenaar van welke telefoon was. De telefoon van verdachte kon derhalve onderzocht worden. De heenzending en de mededeling van een politieambtenaar dat de telefoon aan verdachte teruggegeven zou worden staan daar niet aan in de weg.”

Deze overweging is juist. Het hof sluit zich hierbij aan en concludeert op grond daarvan dat de inbeslagname van de telefoon rechtmatig is geweest.

Voorts is met betrekking tot het onderzoek dat vervolgens aan de telefoon heeft plaatsgevonden de volgende overweging van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:588) van belang:

“Voor het doen van onderzoek door een opsporingsambtenaar aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken teneinde de beschikking te krijgen over daarin opgeslagen of beschikbare gegevens vereist de wet geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie. Indien de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd, biedt de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 94, in verbinding met art. 95 en 96 Sv, daarvoor voldoende legitimatie. Dit zal het geval kunnen zijn indien het onderzoek slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de elektronische gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens. Indien dat onderzoek zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de gegevensdrager of het geautomatiseerde werk, kan dat onderzoek jegens hem onrechtmatig zijn. Daarvan zal in het bijzonder sprake kunnen zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle in de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens met gebruikmaking van technische hulpmiddelen.”

Uit het dossier blijkt dat op 15 april 2016 de gegevens van de mobiele telefoon en de daarbij behorende SD-kaart zijn veiliggesteld en dat een onderzoek is ingesteld naar de afbeeldingen en video’s die waren opgeslagen op voornoemde SD-kaart. Op 14 juni 2016 heeft nader onderzoek aan de inbeslaggenomen telefoon plaatsgevonden, zo blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 juni 2016. In dit proces-verbaal is gerelateerd: “In deze telefoon staan onder andere chats, contacten en foto’s. Ik heb de foto’s bekeken. Dit zijn foto’s van [verdachte] zelf, diverse vrouwen, feesten, vakantie, maar ook wapens en geld.” Ook het proces-verbaal “herkenning schoenen” d.d. 14 juli 2016 en een aanvulling op dat proces-verbaal bevatten (enkel) een beschrijving van hetgeen op de foto’s en video’s in de telefoon van verdachte te zien zou zijn.

Uit voornoemde processen-verbaal blijkt niet meer dan dat de politie de foto’s en video’s die op de telefoon en/of de SD-kaart stonden, heeft bekeken. In het proces-verbaal van bevindingen van 16 juni 2016 wordt weliswaar melding gemaakt van het feit dat op de telefoon (ook) chats en contacten staan, maar niet blijkt dat de verbalisanten kennis hebben genomen van die informatie. Integendeel: uit voornoemde processen-verbaal is af te leiden dat de politie selectief is geweest in het onderzoek van die telefoon en alleen de foto’s en video’s heeft bekeken. Uit het onderzoek ter zitting van het hof zijn ook geen aanwijzingen naar voren gekomen dat er een verdergaand onderzoek heeft plaatsgevonden. Van een onderzoek dat zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is gekregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van verdachte is niet gebleken.

Dat de inhoud van de mobiele telefoon en de SD-kaart door de politie kennelijk is gekopieerd en opgeslagen, maakt dit niet anders. Het hof acht de uitleg van de advocaat-generaal daaromtrent, inhoudende dat dit een standaard werkwijze van de politie betreft, teneinde te voorkomen dat door het (herhaaldelijk) benaderen van de informatie op de mobiele telefoon ten behoeve van het onderzoek de inhoud daarvan wordt gewijzigd, aannemelijk. Dat er een kopie van de inhoud van de telefoon is gemaakt, betekent niet dat de volledige inhoud ook is onderzocht.

Anders dan de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof op grond van het voorgaande van oordeel dat met het onderzoek aan de telefoon van verdachte niet meer dan een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte is gemaakt. De algemene bevoegdheid van artikel 94 jo. artikel 95 en 96 van het Wetboek van Strafvordering biedt voor dit onderzoek daarom voldoende legitimatie.

Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

Feit 1:

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte de persoon op de foto’s is die de Kalasjnikovs vasthoudt. De processen-verbaal in het dossier omtrent de gelijkenis tussen de kleding en slippers van de persoon op de foto en de kleding en slippers die bij verdachte thuis zijn aangetroffen, vormen daartoe onvoldoende grond. De betreffende spijkerbroek heeft weinig onderscheidend vermogen en de slippers van verdachte lijken anders van kleur dan de slippers die de persoon op de foto draagt. Een belangrijk punt is bovendien dat verdachte op beide onderarmen tatoeages heeft, terwijl de persoon op de foto’s geen tatoeages lijkt te hebben.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat overeenkomstig het vonnis wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 18 maart 2016 twee Kalashnikovs voorhanden heeft gehad. Verdachte is volgens hem terecht vrijgesproken van het voorhanden hebben van een raketwerper.

Het hof oordeelt als volgt.

Op 15 april 2016 zijn op de mobiele telefoon van verdachte diverse afbeeldingen aangetroffen waarop te zien is dat een man twee op Kalashnikovs gelijkende vuurwapens in handen heeft. Op een video die eveneens op de telefoon is aangetroffen, zijn de wapens goed zichtbaar en wordt er regelmatig ingezoomd, waardoor onder meer het serienummer van één van de wapens te zien is. Aan de hand van dit serienummer en de houten kleurdetails van het andere wapen is door de politie vastgesteld dat deze wapens reeds eerder in het onderzoek [naam onderzoek] in de woning van verdachte [medeverdachte 3] zijn aangetroffen en in beslag zijn genomen. Hiermee staat vast dat de wapens die de persoon op de afbeeldingen vasthoudt, daadwerkelijk wapens zijn als bedoeld in categorie II van de Wet wapens en munitie.

Uit onderzoek is gebleken dat de aangetroffen afbeeldingen niet door middel van Whatsapp of soortgelijke social media op de telefoon van verdachte terecht zijn gekomen. De bestandsnaam en de zogenoemde EXIF-informatie geven daarnaast aan dat de betreffende afbeeldingen op 18 maart 2016 zijn vervaardigd met een GSM, merk en type Samsung GT-I9082, zoals die van verdachte.

De persoon op de betreffende afbeeldingen heeft een licht getinte huidskleur en is gekleed in een blauw T-shirt, een blauwe broek, lichte sokken met daar overheen zwarte slippers. Blijkens het ‘proces-verbaal herkenning kleding’ d.d. 19 april 2016 is in de woning van verdachte een broek aangetroffen die sterk overeen komt met de broek van de man op de foto. Deze broek is voorzien van een kleine rits direct onder de broekzakken aan de voorzijde van de broek, zowel op de linkerpijp als de rechterpijp. Ook de kleurenschakering van de broek is blijkens dat proces-verbaal gelijk aan de kleurenschakering van de broek op de foto.

Voorts is er in de woning van verdachte een riem aangetroffen waarvan de gesp qua vorm en kleur gelijk is aan de gesp aan de riem van de man op de foto’s. Ook lagen er in de woning van verdachte badslippers die wat betreft type en kleur volgens de verbalisant geheel overeenkomen met de badslippers die de man op de foto droeg.

Met betrekking tot het verweer van de raadsvrouw inhoudende dat de slippers van verdachte anders van kleur zouden zijn dan de slippers van de man op de foto’s, is van belang dat verdachte ter terechtzitting van het hof de schoenen en slippers die bij hem thuis zijn aangetroffen en die zijn weergegeven op de foto op p. 334 van het dossier, als de zijne heeft herkend en dat op deze foto is te zien dat de badslippers zwart van kleur zijn, net zoals die van de man op de foto’s.

Ook ten aanzien van de aangetroffen kleren heeft verdachte eerder verklaard dat deze aan hem toebehoren. Verdachte leent zijn kleding naar eigen zeggen ook niet uit.

Ten slotte is de specifieke haardracht van verdachte van belang: verdachte draagt zijn haar in dreadlocks die ongeveer tot zijn knieën reiken, net zoals de man op de foto’s.

Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof bewezen dat verdachte de persoon is die op de foto’s twee Kalashnikovs vasthoudt. Dat op de foto’s niet duidelijk tatoeages op de onderarmen zichtbaar zijn, maakt dat niet anders. Het hof wijt dit - anders dan de rechtbank - aan de beperkte kwaliteit van de foto’s en/of de positie van de onderarmen waardoor deze kennelijk (grotendeels) aan het zicht onttrokken zijn. Opmerking verdient dat het hof op de foto in ieder geval op de rechteronderarm een verkleuring in de huid heeft ter terechtzitting heeft waargenomen.

Dat het poseren met een wapen voor een foto niet aangemerkt kan worden als het ‘voorhanden hebben’ van een wapen als bedoeld in de Wet wapens en munitie, zoals de raadsvrouw heeft aangevoerd, volgt het hof niet. Op het moment dat de foto’s en/of video’s zijn gemaakt heeft verdachte de wapens in zijn beschikkingsmacht gehad en daarmee artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie overtreden.

Op grond van het voorgaande acht het hof bewezen dat verdachte op het moment dat voornoemde foto werd gemaakt, 18 maart 2016, de vuurwapens voorhanden heeft gehad. Bij het ontbreken van bewijs zal het hof verdachte vrijspreken van het voorhanden hebben van die wapens gedurende de resterende periode genoemd in de tenlastelegging.

Nu het hof de verklaring van verdachte niet als kennelijk leugenachtig voor het bewijs zal gebruiken, behoeft het verweer van de raadsvrouw daaromtrent geen bespreking.

Evenals de rechtbank, advocaat-generaal en de raadsvrouw, acht het hof niet bewezen dat verdachte tevens een raketwerper voorhanden heeft gehad, nu niet vastgesteld kan worden dat het groene buisvormige voorwerp dat op de foto te zien is daadwerkelijk een raketwerper is. Verdachte wordt van dit onderdeel vrijgesproken.

Feit 2:

De raadsvrouw heeft te kennen gegeven dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, met dien verstande dat de pleegperiode - overeenkomstig het vonnis - beperkt dient te worden tot 15 en 16 april 2016.

Volgens de advocaat-generaal kan er een bewezenverklaring volgen, óók voor wat betreft de ten laste gelegde periode van 18 maart 2016 tot en met 16 april 2016. De advocaat-generaal heeft hierbij gewezen op de samenhang met het onder 1 ten laste gelegde feit, te weten dat de persoon op de daar genoemde afbeeldingen een pistool in zijn broeksband heeft zitten dat grote gelijkenis vertoont met een pistool van het merk Glock, zoals dat op 16 april 2016 bij verdachte thuis is aangetroffen.

Het hof volgt de advocaat-generaal hierin niet. Het dossier bevat onvoldoende informatie om te kunnen vaststellen dat het pistool dat op de foto’s van 18 maart 2016 bij verdachte te zien is, hetzelfde pistool is dat op 16 april 2016 in zijn woning is aangetroffen. Op grond van het feit dat een vingerafdruk van verdachte is aangetroffen op het magazijn in het wapen zonder dat verdachte daarvoor op enigerlei wijze een logische verklaring heeft gegeven, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat hij dit wapen op 15 en 16 april 2016 voorhanden heeft gehad.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:
hij op 18 maart 2016 in Nederland wapens van categorie II, te weten

- meerdere vuurwapens, type aanvalsgeweer (Kalashnikov)

voorhanden heeft gehad.


2:
hij in de periode van 15 april 2016 tot en met 16 april 2016 in de gemeente [gemeente] een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (merk Glock, type 19, 9mm) en munitie van categorie III, te weten 15 patronen behorende bij voornoemd pistool voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee Kalashnikovs en een pistool met bijbehorende munitie. Het onbevoegd voorhanden hebben van dergelijke wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en tast de veiligheid van de samenleving ernstig aan.

Ten nadele van verdachte spreekt dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 30 mei 2017 eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder soortgelijke feiten als de onderhavige. Hem zijn in het verleden langdurige gevangenisstraffen opgelegd.

Het hof houdt voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier en zoals die ter terechtzitting van het hof aan de orde zijn gekomen. Blijkens een ‘afloopbericht toezicht’ d.d. 21 maart 2016 heeft verdachte het reclasseringstoezicht dat in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling is uitgevoerd, positief afgerond. Blijkens een reclasseringsadvies d.d. 22 juni 2016 wordt het recidiverisico als laag/gemiddeld ingeschat.

Ondanks voornoemde rapporten van de reclassering die in het voordeel van verdachte kunnen worden uitgelegd, zijn de aard en ernst van de gepleegde strafbare feiten, mede gelet op verdachtes strafrechtelijk verleden, zodanig dat afdoening middels een forse gevangenisstraf de enige optie is. Overeenkomstig het vonnis en de vordering van de advocaat-generaal acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en noodzakelijk.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

De rechtbank heeft bij afzonderlijke beslissing op de vordering tot herroeping beslist. Nu die beslissing tegelijkertijd met het vonnis waarvan beroep is uitgesproken en op de daarin opgenomen veroordeling is gebaseerd is het hof van oordeel dat deze beslissing geacht moet worden deel uit te maken van het vonnis waarvan beroep en staat er hoger beroep open van die beslissing. Het hof zal daarom in dit arrest op die vordering in hoger beroep een beslissing nemen.

De veroordeelde is bij arrest van de meervoudige kamer van het gerechtshof te ’s-Gravenhage d.d. 22 november 2010 onder parketnummer 22-000569-09 veroordeeld tot een onherroepelijke vrijheidsstraf met een v.i.-periode van 669 dagen.

De veroordeelde is in die zaak op 14 april 2014 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De officier van justitie heeft op 14 juli 2016 een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland. Deze vordering strekt tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in verband met de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak onder 1 tenlastegelegde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. Dit betreft een schending van voornoemde algemene voorwaarde.

Door de raadsvouw is aangevoerd dat het bewezenverklaarde feit is gepleegd in de allerlaatste fase van de proeftijd en verdachte zich aan alle regels van de reclassering had gehouden. De vordering zou volgens haar daarom moeten worden afgewezen dan wel de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling zou gedeeltelijk moeten plaatsvinden.

Het bewezenverklaarde heeft betrekking op het voorhanden hebben van zeer gevaarlijke vuurwapens en de risico’s voor de maatschappelijk veiligheid zijn zo groot dat het hof in hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd geen aanleiding ziet om iets anders dan de volledige herroeping te gelasten van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Het hof zal deze vordering daarom toewijzen en gelasten dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel moet worden ondergaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 15g, 15i, 15j, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe en gelast dat het gedeelte van de bij arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 22 november 2010 onder parketnummer 22-000569-09 opgelegde vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel wordt ondergaan, te weten voor de duur van 669 dagen.

Aldus gewezen door

mr. K. Lahuis, voorzitter,

mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. G.A. Versteeg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 14 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.