Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6011

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-07-2017
Datum publicatie
14-07-2017
Zaaknummer
21-007406-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:5676, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tjeukemeerzaak. Het slachtoffer is door medeverdachten vermoord. Verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van het verbranden van het stoffelijk overschot van het slachtoffer met de bedoeling de ontdekking van de moord te voorkomen en het zo moeilijk mogelijk maken van het onderzoek en de nasporing door Justitie.

De betrouwbaarheid van de belastende verklaringen van de medeverdachte is ter discussie gesteld. Deze verklaringen worden voldoende betrouwbaar geacht aangezien deze op belangrijke onderdelen ondersteund worden door andere bewijsmiddelen.

Een enkelvoudige fotoconfrontatie wordt gebruikt voor het bewijs. Het resultaat hiervan vindt voldoende steun in andere bewijsmiddelen.

Ook is een overweging opgenomen over de 'unus testis nullus testis' regel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0624
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-007406-15

Uitspraak d.d.: 14 juli 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 10 december 2015 met parketnummer 18-730246-14 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres 1] ,

thans uit anderen hoofde verblijvende in het Huis van Bewaring van de P.I. Zwolle.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij het vonnis waarvan beroep is verdachte vrijgesproken van feit 2. Voor het onder feit 1 primair tenlastegelegde is verdachte daarbij veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. De benadeelde partijen zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 28 november 2016, 30 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot:

 veroordeling van verdachte ter zake het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest;

 niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] in hun vorderingen wegens het ontbreken van causaliteit.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. S.A.S. Jansen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep- tenlastegelegd dat:

1. primair:
in de periode van 19 juni 2013 tot en met 20 juni 2013 te [plaats 1] , (op/nabij de [straat] ) en/of te [plaats 2] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , heeft verbrand met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s),

 het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] in de kofferbak van een personenauto gelegd en/of

 telefonisch contact gehad met zijn mededader(s) en/of vervolgens die mededader(s) de weg gewezen waar het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] naar toe kon worden gebracht en/of

 (vervolgens) die [slachtoffer] naar [plaats 1] gebracht en/of

 het stoffelijk overschot van [slachtoffer] uit de kofferbak van een personenauto getild en/of op de grond gelegd en/of overgoten/besprenkeld met motorbenzine en/of

 vervolgens een stuk papier in de brand gestoken en/of dit stuk brandende papier gegooid op het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] , althans vuur in aanraking gebracht met het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] , tengevolge waarvan het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] is verbrand;

1.
subsidiair:
dat [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , in de periode van 19 juni 2013 tot en met 20 juni 2013 te [plaats 1] , (op/nabij de [straat] ) en/of te [plaats 2] en/of elders in Nederland, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , heeft verbrand met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, immers heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] in de kofferbak van een personenauto gelegd en/of vervolgens die [slachtoffer] naar [plaats 1] gebracht en/of het stoffelijk overschot van [slachtoffer] uit de kofferbak van een personenauto getild en/of op de grond gelegd en/of overgoten/besprenkeld met motorbenzine en/of vervolgens een stuk papier in de brand gestoken en/of dit stuk brandend papier gegooid op het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] , althans vuur in aanraking gebracht met het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] is verbrand,

bij en/of tot het plegen van welk strafbaar feit, verdachte toen aldaar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft immers, heeft verdachte een plaats aangewezen waar het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] naar toe kon worden gebracht en/of samen met die [medeverdachte 1] het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] uit de auto getild;

2:

hij in of omstreeks 19 juni 2013 tot en met 20 juni 2013 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , en/of elders in Friesland althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, nadat er in of omstreeks de periode van 19 juni 2013 tot en met 20 juni 2013 te [plaats 2] , het misdrijf was gepleegd van moord, althans doodslag, althans zware mishandeling met voorbedachte rade de dood ten gevolge hebbende, althans nadat er enig misdrijf was gepleegd, met het oogmerk om dat misdrijf te bedekken of de nasporing of vervolging daarvan te beletten of te bemoeilijken, een of meer voorwerpen waarop of waarmede dat misdrijf was gepleegd of andere sporen van dat misdrijf heeft/hebben vernietigd en/of weggemaakt en/of verborgen en/of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrokken, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

 een plaats aangewezen waar het stoffelijk overschot van [slachtoffer] naar toe kon worden gebracht en/of

 het stoffelijk overschot uit de personenauto getild en/of

 het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] vervolgens in brand gestoken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging

Door de raadsman is betoogd dat het Openbaar Ministerie om een tweetal redenen niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vervolging. Het betreft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende redenen:

1. In eerste aanleg heeft de verdediging niet alle stukken van het opsporingsonderzoek (tijdig) ontvangen.

2. Er is sprake van een tunnelvisie bij het Openbaar Ministerie.

Het hof overweegt hierover het volgende.

Voorop staat dat voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, de meest vergaande sanctie in geval van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot dit artikel, alleen dan plaats is indien ernstig inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Hetgeen de raadsman feitelijk heeft aangedragen kan niet de conclusie dragen dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan aan het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van de zaak. Reeds daarop strandt het verweer.

Het hof acht daarom het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Betrouwbaarheid van de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 2]

De raadsman heeft voor beide feiten vrijspraak bepleit en heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] niet betrouwbaar zijn en niet bruikbaar zijn voor het bewijs. [medeverdachte 2] heeft niet consistent verklaard en heeft zijn eigen rol in het geheel tot het uiterst minimale beperkt, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hierover het volgende.

In deze zaak is onbetwist dat het slachtoffer [slachtoffer] door geweld om het leven is gekomen, dat zijn handen en enkels op de rug waren samengebonden met elektriciteitssnoer, dat er bruine tape op zijn mond zat en dat zijn lichaam (na het overlijden) vervolgens in brand is gestoken nabij het Tjeukemeer.

Verdachte ontkent daarbij betrokken te zijn. Wel heeft hij ter zitting van het hof verklaard dat hij het slachtoffer vóór zijn dood kende en dat hij de (inmiddels overleden) mede- en hoofdverdachte [medeverdachte 1] ook kende. Naar eigen zeggen wist verdachte dat [medeverdachte 1] op zoek was naar [slachtoffer] .

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bij de politie uitgebreide verklaringen afgelegd, kort en zakelijk weergegeven, inhoudende onder meer dat:

 hij er op 19 juni 2013 bij aanwezig was toen het slachtoffer in [plaats 2] ernstig werd mishandeld en dat het slachtoffer ten gevolge hiervan overleed;

 dit in totaal uren heeft geduurd;

 het slachtoffer over de mond is getaped en dat zijn handen en voeten bij elkaar zijn gebonden;

 hij samen met [medeverdachte 1] , met het lichaam van het slachtoffer in de kofferbak van de auto, naar Friesland is gereden;

 zij onderweg bij een tankstation een jerrycan benzine, broodjes en drinken hebben gekocht;

 er in Friesland een ontmoeting plaatsvond met een compagnon van [medeverdachte 1] , met wie [medeverdachte 1] gedurende de autorit telefonisch contact hield;

 deze compagnon een Nederlander leek en in een grijze Mercedes stationcar reed met een hondenkooi en honden achterin;

 deze man hen de weg wees en dat [medeverdachte 1] en hij achter deze man aan zijn gereden;

 deze man en [medeverdachte 1] uiteindelijk het lichaam van het slachtoffer uit de kofferbak hebben gehaald en bij een berg zand in brand hebben gestoken.

Nadat [medeverdachte 2] heeft verklaard over de compagnon van [medeverdachte 1] (Nederlander, grijze Mercedes stationcar met hondenkooi en honden erin) wordt aan hem een foto getoond van verdachte [verdachte] . [medeverdachte 2] verklaart dan dat dit de man is waarover hij heeft verklaard als zijnde de compagnon van [medeverdachte 1] die heeft geholpen bij het verbranden van het lichaam.

Als verdachte [verdachte] wordt gevraagd of hij de compagnon was van [medeverdachte 1] beroept hij zich op zijn zwijgrecht.

De verklaringen van [medeverdachte 2] vinden op belangrijke onderdelen ondersteuning in (technische) bevindingen door de opsporingsambtenaren en een aansluitende verklaring van getuige [getuige] .


Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij zowel het slachtoffer [slachtoffer] als [medeverdachte 1] en [verdachte] uit [plaats 3] kent in het kader van betrokkenheid bij hennepteelt. Hij weet dat [medeverdachte 1] en [verdachte] samen in de hennepteelt zitten. Aan de hand van een hem getoonde foto herkent hij verdachte [verdachte] als de betreffende [verdachte] uit [plaats 3] . [getuige] heeft verklaard dat hij met deze zakenpartner [verdachte] ook telefonisch contact heeft gehad, dit was door middel van een één-op-één lijn. Het telefoonnummer van [verdachte] eindigt op [nummer] .
De twee telefoons van [getuige] zijn door de politie in beslag genomen en onderzocht. Uit digitaal onderzoek aan deze toestellen is gebleken dat de nummers van de twee toestellen zijn: [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] .
Onderzoek naar de door providers verstrekte gegevens heeft onder meer uitgewezen dat op 21 maart 2013 het telefoonnummer [telefoonnummer 3] gekoppeld is aan het Imei-nummer van een toestel van [getuige] . De telefoon straalt op dat moment een mast aan in [plaats 3] . Het toestel lijkt dan voor het eerst in het netwerk voor te komen. Diezelfde dag komt er een ander kaartje in het toestel terecht. Dat is het telefoonnummer [telefoonnummer 4] . Het toestel straalt dan een mast aan in [plaats 2] [adres 2] , waar het adres van [getuige] is). Beide nummers ( [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] ) hebben tussen 21 maart en 4 juni 2013 alleen maar onderling contact.

Gelet op deze technische gegevens en de verklaring van [getuige] kan er vanuit worden gegaan dat het nummer [telefoonnummer 3] in gebruik is bij verdachte [verdachte] .

Er is ook onderzoek gedaan naar het telefoonnummer dat in gebruik was bij medeverdachte [medeverdachte 1] . Hieruit blijkt dat er tussen 19 juni 2013 16.35 uur en 20 juni 2013 00.02 uur 12 keer telefonisch contact is tussen het telefoonnummer van [medeverdachte 1] en het telefoonnummer [telefoonnummer 3] , in gebruik bij verdachte [verdachte] . Het nummer van [medeverdachte 1] straalt op 19 juni 2013 masten aan vanaf [plaats 2] richting Friesland en op 20 juni 2013 in omgekeerde richting. Op 20 juni 2013 om 00.32.07 uur straalt deze telefoon een mast in [plaats 1] aan.

Het deels verbrande lichaam van het slachtoffer wordt op 20 juni 2013 's ochtends aangetroffen nabij het strandje aan de [straat] te [plaats 1] . De handen en de voeten zijn op de rug bij elkaar gebonden en op de mond zit bruine tape.

Hoe het lichaam wordt aangetroffen (handen en voeten vastgebonden op de rug, tape op de mond en verbrand) en de plaats van aantreffen past precies bij de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] . Ook de verzamelde telecomgegevens sluiten aan bij zijn verklaringen. De letsels die na sectie op het lichaam worden vastgesteld (ondanks bemoeilijking van het onderzoek door de staat waarin het lichaam is aangetroffen), passen ook bij de ernstige mishandeling waarover [medeverdachte 2] verklaart.

Gelet op het vorenstaande heeft het hof geen reden te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de verklaring van [medeverdachte 2] omtrent hetgeen deze heeft verklaard te hebben waargenomen met betrekking tot wat er met het slachtoffer is gebeurd en hoe geprobeerd is de sporen van het misdrijf uit te wissen. Zijn verklaringen hierover worden immers ondersteund door technisch bewijs in combinatie met de verklaring van [getuige] . De verklaringen van [medeverdachte 2] kunnen daarom voor het bewijs worden gebezigd. Verdachte stelt hier geen enkele verklaring tegenover maar blijft zich beroepen op zijn zwijgrecht.

Het verweer van de verdediging over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 2] wordt derhalve verworpen.

Daderschap verdachte [verdachte]

Verdachte heeft verklaard dat hij niet de man is uit Friesland die [medeverdachte 1] heeft geholpen met het uitwissen van de sporen van het gepleegde misdrijf.

Door de raadsman is in aansluiting daarop naar voren gebracht dat de herkenning van verdachte door [medeverdachte 2] middels een enkelvoudige fotoconfrontatie nauwelijks bewijswaarde heeft. Immers [medeverdachte 2] kende verdachte niet en een enkelvoudige fotoconfrontatie kan dan geen betrouwbare herkenning opleveren, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hierover het volgende.

Voorop staat dat bij het gebruik van een enkelvoudige fotoconfrontatie voor het bewijs behoedzaamheid op haar plaats is.

De enkele omstandigheid dat een herkenning heeft plaatsgevonden op basis van een enkelvoudige fotoconfrontatie behoeft er echter niet zonder meer toe te leiden dat die herkenning om die reden voor het bewijs buiten beschouwing dient te worden gelaten. Een dergelijke herkenning kan als ondersteuning van het reeds aanwezige bewijs dienen.

Het andere aanwezige bewijs met betrekking tot het daderschap van verdachte bestaat uit het volgende.

 De verklaringen van [medeverdachte 2] waarvan de inhoud eerder in dit arrest kort en zakelijk is weergegeven. Daarbij is met name van belang dat hij verklaart dat het de compagnon van [medeverdachte 1] was die hen de weg wees naar de plaats waar het lichaam van het slachtoffer in brand werd gestoken en dat deze compagnon ook hielp bij het uit de kofferbak halen van het lichaam en het in brand steken ervan. Voorafgaand hieraan had [medeverdachte 1] telefonisch contact met deze compagnon. [medeverdachte 2] beschrijft deze compagnon als een Nederlander met een grijze Mercedes en een hondenkooi met honden achterin de Mercedes.

 Verdachte verklaart dat hij uit [plaats 3] komt, in een grijze Mercedes combi met een hondenkooi achterin rijdt en vaak een hond in de auto mee heeft. Hij kende het slachtoffer en de hoofdverdachte [medeverdachte 1] al voordat het tenlastegelegde plaatsvond en hij wist dat [medeverdachte 1] het slachtoffer zocht.

 De verklaring van [getuige] dat hij met het slachtoffer [slachtoffer] , [medeverdachte 1] en [verdachte] uit [plaats 3] in de hennepteelt zat. Aan de hand van een hem getoonde foto herkent hij verdachte [verdachte] als de betreffende [verdachte] uit [plaats 3] . Verdachte [verdachte] is volgens [getuige] dus een compagnon van [medeverdachte 1] en het slachtoffer.

 De eerder in het arrest weergegeven telecomgegevens in combinatie met de verklaring van getuige [getuige] , waaruit blijkt dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde telefonisch contact had met [medeverdachte 1] .

Op grond van de vermelde vastgestelde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, is de herkenning van verdachte door [medeverdachte 2] bij een enkelvoudige fotoconfrontatie voldoende betrouwbaar om bij te dragen aan het bewijs tegen de verdachte, mede gelet op het feit dat de resultaten hiervan steun vinden in andere bewijsmiddelen.

Gelet op het vorenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte was die medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de weg heeft gewezen naar de plek waar het lichaam is verbrand en ter plaatse ook heeft geholpen bij het verbranden van het lichaam.

Medeplegen

Voorop staat dat de kwalificatie medeplegen slechts dan gerechtvaardigd is als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit.

Uit de bewijsmiddelen blijkt met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde dat:

 verdachte voorafgaand telefonisch contact had met [medeverdachte 1] ;

 blijkens de verklaring van [medeverdachte 2] er tevoren een plan is gemaakt door verdachte en de medeverdachte(n) (het lichaam van het slachtoffer zou aan de varkens worden gevoerd worden), en dat dit plan later veranderde (de varkens waren namelijk al gevoerd);

 verdachte aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de weg heeft gewezen naar de plaats waar het lichaam van het slachtoffer naar toe kon worden gebracht;

 verdachte samen met [medeverdachte 1] het lichaam van het slachtoffer uit de kofferbak van de auto heeft getild;

 verdachte toe heeft gekeken hoe [medeverdachte 1] benzine over het lichaam van het slachtoffer goot en het lichaam in brand stak.

Uit het voorgaande blijkt dat verdachte een zodanige intellectuele en materiële bijdrage aan het tenlastegelegde heeft geleverd dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte(n) bij het plegen van de tenlastegelegde feiten. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen van zowel feit 1 primair als feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

Geen 'unus-testis nullus testis'-situatie

Van een 'unus-testis nullus testis'-situatie, zoals door de raadsman gesteld, is geen sprake. Immers, zoals uit het eerder overwogene blijkt, is het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan niet uitsluitend aangenomen op de verklaring van één getuige ( [medeverdachte 2] ). De verklaring van deze getuige vindt voorts voldoende steun in de overige voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. primair:
in de periode van 19 juni 2013 tot en met 20 juni 2013 te [plaats 1] , op/nabij de [straat] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , heeft verbrand met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, immers hebben verdachte en/of zijn mededader(s),

 het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] in de kofferbak van een personenauto gelegd en

 telefonisch contact gehad met zijn mededader en vervolgens die mededader de weg gewezen waar het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] naar toe kon worden gebracht en

 vervolgens die [slachtoffer] naar [plaats 1] gebracht en

 het stoffelijk overschot van [slachtoffer] uit de kofferbak van een personenauto getild en op de grond gelegd en overgoten/besprenkeld met motorbenzine en

 vervolgens een stuk papier in brand gestoken en dit stuk brandend papier gegooid op het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] ,

ten gevolge waarvan het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] is verbrand;

2:
hij in de periode van 19 juni 2013 tot en met 20 juni 2013 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , en/of elders in Friesland, tezamen en in vereniging met een ander, nadat er in de periode van 19 juni 2013 tot en met 20 juni 2013 te [plaats 2] , het misdrijf was gepleegd van moord, met het oogmerk om dat misdrijf te bedekken of de nasporing of vervolging daarvan te beletten of te bemoeilijken, sporen van dat misdrijf heeft vernietigd en aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrokken, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

 een plaats aangewezen waar het stoffelijk overschot van [slachtoffer] naar toe kon worden gebracht en

 het stoffelijk overschot uit de personenauto getild en

 het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] vervolgens in de brand gestoken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van een lijk verbranden met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van nadat enig misdrijf is gepleegd, met het oogmerk om het te bedekken of de nasporing of vervolging te beletten of te bemoeilijken, sporen van het misdrijf vernietigen of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekken.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Nadat [slachtoffer] in [plaats 2] door anderen om het leven was gebracht, is zijn stoffelijk overschot in een kofferbak van een auto vervoerd naar Friesland. Verdachte heeft in Friesland de weg gewezen naar het strandje bij het Tjeukemeer in [plaats 1] . Op die plaats is door verdachte en zijn medeverdachte(n) het stoffelijk overschot uit de kofferbak gehaald en in brand gestoken. Het stoffelijk overschot is de volgende ochtend deels verbrand aangetroffen met de handen en voeten op de rug vastgebonden.

De manier waarop verdachte en zijn medeverdachten met het stoffelijk overschot van [slachtoffer] zijn omgegaan, is schokkend en mensonterend. Bovendien heeft het handelen van verdachte de nabestaanden onevenredig veel leed berokkend bij het afscheid nemen van hun dierbare. Dat het slachtoffer door moord om het leven was gekomen belastte dat afscheid al buitengewoon zwaar, maar dat het lichaam van het slachtoffer ook nog eens moedwillig ernstig verminkt was door, onder andere, verdachte maakte dat afscheid tot een droefmakende aangelegenheid zonder weerga.

Uit het de verdachte betreffende - 19 pagina's tellende - uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 mei 2017 blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, onder meer tot forse gevangenisstraffen, waaronder ook veroordelingen voor geweldsdelicten. Dat gegeven werkt ten nadele van verdachte mee bij de strafoplegging.

Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, kan het niet anders dan dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur wordt opgelegd aan verdachte. Van strafverlagende factoren is niet gebleken. De door de rechtbank opgelegde straf doet onvoldoende recht aan het weerzinwekkend karakter van de schending van de integriteit van het lichaam van het slachtoffer én de eveneens weerzinwekkende, maar tegelijkertijd potentieel ook buitengewoon effectieve en daardoor zeer ernstige, wijze van het vernietigen van sporen van de gepleegde moord.

Alles afwegende is naar het oordeel van het hof een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, zoals door de advocaat-generaal is geëist, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van materiële schade. Deze bedraagt € 8.419,12. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De vordering bestaat uit € 4.000,-- aan kosten voor de uitvaart en voor de repatriëring van het slachtoffer naar Marokko, een bedrag van € 4.110,-- aan reiskosten voor het bijwonen van de begrafenis door een aantal familieleden en vrienden en een bedrag van € 309,12 aan reiskosten in het kader van het strafproces.

Naar het oordeel van het hof is in de onderhavige zaak sprake van een te ver verwijderd verband tussen de gestelde schade en het handelen van verdachte. De gevorderde kosten (uitvaart, repatriëring slachtoffer naar Marokko en reiskosten) zijn immers veroorzaakt door de moord op het slachtoffer. Het nadien in brand steken van diens lijk heeft die kosten niet verhoogd of anderszins beïnvloed. In zoverre (€ 8.110,--) zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Met betrekking tot de reiskosten in het kader van het strafproces is echter geen sprake van een te ver verwijderd verband tussen de schade en het bewezenverklaarde. De benadeelde partij heeft als gevolg van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade geleden tot het bedrag van € 309,12. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering, die inhoudelijk op dit onderdeel (ook wat betreft de verschuldigde rente en de ingangsdatum daarvan) niet is betwist, tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20.150,--. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De vordering bestaat uit € 20.000,-- affectieschade (immateriële schade) en € 150,-- reiskosten van de wettelijk vertegenwoordiger in het kader van het strafproces.

Bij de huidige stand van zaken in het recht bestaat geen recht op vergoeding van affectieschade. De rechtbank heeft dat in het vonnis waarvan beroep juist gemotiveerd. Om die reden volstaat het hof met deze korte en kernachtige overweging. In zoverre
(€ 20.000,--) zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Met betrekking tot de reiskosten gemaakt door de wettelijke vertegenwoordiger in het kader van het strafproces is echter geen sprake van een te ver verwijderd verband tussen de schade en het bewezenverklaarde. De benadeelde partij heeft als gevolg van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade geleden tot het bedrag van € 150,--. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering die inhoudelijk op dit onderdeel (ook wat betreft de verschuldigde rente en de ingangsdatum daarvan) niet is betwist, tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 21.762,12. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De vordering bestaat uit € 20.000,-- affectieschade (immateriële schade), € 150,-- reiskosten van de wettelijk vertegenwoordiger in het kader van het strafproces en € 1.612,12 kosten kinderopvang in verband met de aanwezigheid van de wettelijk vertegenwoordiger bij het strafproces.

Bij de huidige stand van zaken in het recht bestaat geen recht op vergoeding van affectieschade. De rechtbank heeft dat in het vonnis waarvan beroep juist gemotiveerd. Om die reden volstaat het hof met deze korte en kernachtige overweging. In zoverre
(€ 20.000,--) zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Met betrekking tot de reiskosten en de kosten van de kinderopvang gemaakt door de wettelijke vertegenwoordiger in het kader van het strafproces is echter geen sprake van een te ver verwijderd verband tussen de schade en het bewezenverklaarde. De benadeelde partij heeft als gevolg van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade geleden tot het bedrag van € 1.762,12. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering, die inhoudelijk op dit onderdeel (ook wat betreft de verschuldigde rente en de ingangsdatum daarvan) niet is betwist, tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 57, 63, 151 en 189 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.

Beveelt - voor het geval daarvan sprake blijkt te zijn geweest - dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 309,12 (driehonderdnegen euro en twaalf cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 primair, 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 309,12 (driehonderdnegen euro en twaalf cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 primair, 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 primair, 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 150,00 (honderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde 3] ter zake van het onder 1 primair, 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.762,12 (duizend zevenhonderdtweeënzestig euro en twaalf cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 1 primair, 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.762,12 (duizend zevenhonderdtweeënzestig euro en twaalf cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 (zevenentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. W.P.M. ter Berg en mr. T.M.L. Wolters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier,

en op 14 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.