Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:6001

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-06-2017
Datum publicatie
13-07-2017
Zaaknummer
200.186.337/02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Wraking
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

zaaknummer 200.186.337/02

beslissing van de wrakingskamer van 13 juni 2017

inzake het verzoek tot wraking, gedaan door

[verzoekster] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

verzoekster tot wraking,

hierna: [verzoekster] ,

advocaat: mr. P.L.G. Buisman.

1 De procedure

1.1

In de bij dit hof aanhangige procedure met zaaknummer 200.186.337 tussen [verzoekster] als verzoekster (in het principaal hoger beroep en verweerster in het incidenteel hoger beroep) enerzijds en [X] (verder: [X] ) als verweerster (in het principaal hoger beroep en verzoekster in het incidenteel hoger beroep) anderzijds, heeft op 16 september 2016 ten overstaan van de raadsheren mrs. E.B. Knottnerus, M.E.L. Fikkers en O.E. Mulder een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Van die mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt dat is toegevoegd aan het dossier.

1.2

In de tussenbeschikking van 28 oktober 2016 heeft het hof [verzoekster] in het principaal hoger beroep toegelaten tot bewijs door middel van stukken en/of getuigen en iedere verdere beslissing in het principaal en het incidenteel hoger beroep aangehouden.

1.3

Op 7 november 2016 heeft mr. Buisman het hof verzocht om toezending van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 september 2016 wat hij

op 28 maart 2017 heeft ontvangen.

1.4

Op 7 april 2017 heeft mr. Buisman namens [verzoekster] een verzoek tot wraking ingediend van de voormelde drie raadsheren. In het verzoek zijn de gronden voor de verzochte wraking zijn opgenomen. Het verzoek tot wraking is bij de wrakingskamer ingekomen op 10 april 2017.

1.5

De drie raadsheren van wie de wraking wordt verzocht hebben niet in de wraking berust en hebben schriftelijk op het verzoek gereageerd.

1.6

De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op

30 mei 2017, waarbij [verzoekster] met haar advocaat is verschenen en haar verzoek nader heeft toegelicht.

1.7

Na de mondelinge behandeling is bij het hof binnengekomen een brief van de raadsman van [verzoekster] van 31 mei 2017.

1.8

De wrakingskamer heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 De beoordeling van het verzoek

2.1

Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld (art. 6 lid 1 EVRM).

2.2

Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden (art. 36 Rv). Het verzoek wordt gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden (art. 37 lid 1 Rv).

2.3

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit lijdt slechts uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Tevens geldt dat het middel van wraking niet een verkapt rechtsmiddel dient te zijn tegen de verzoeker onwelgevallige (processuele) beslissingen van de zittingsrechter. Het behoort tot de normale taak van de zittingsrechter om, gaande de procedure, beslissingen te nemen over (onder meer) de procedurele aspecten. Dit kunnen voor partijen nadelige beslissingen zijn. Dergelijke processuele beslissingen kunnen eventueel door het instellen van een rechtsmiddel ter toetsing worden voorgelegd.

Grond voor wraking bestaat alleen als in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval de rechter een beslissing heeft genomen die zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven.

2.4

Hoewel [verzoekster] zich in haar verzoek mede baseert op hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van 16 september 2016 is gezegd en op de in de tussenbeschikking van 28 oktober 2016 gegeven bewijsopdracht en het verzoek tot wraking eerst op 10 april 2017 bij de wrakingskamer is ingekomen, is [verzoekster] ontvankelijk is haar verzoek. Uit hetgeen ter zitting door mr. Buisman is toegelicht begrijpt de wrakingskamer namelijk dat [verzoekster] eerst door het lezen van het op 28 maart 2017 ontvangen proces-verbaal -om toezending waarvan reeds op 7 november 2016 was gevraagd- zodanige feiten en omstandigheden bekend zijn geworden dat zij aanleiding heeft gezien een verzoek tot wraking in te dienen. Hetgeen in het proces-verbaal is opgenomen stemt naar de mening van [verzoekster] niet overeen met hetgeen daadwerkelijk is gezegd op die mondelinge behandeling en is kennelijk mede redengevend geweest voor de haar onbegrijpelijke bewijsopdracht. Zo ontbreken in het proces-verbaal opmerkingen van het hof en zijn andere opmerkingen anders weergegeven dan ze daadwerkelijk zijn gezegd, aldus [verzoekster] .

2.5

Uit de opeenstapeling van opmerkingen door de leden van het hof, tussentijdse beslissingen van het hof, de onbegrijpelijk bewijsopdracht en de correspondentie tussen het hof en [verzoekster] na de mondelinge behandeling is bij [verzoekster] de indruk ontstaan dat bij de drie raadsheren sprake is van een subjectieve vooringenomen proceshouding. In de nadere toelichting tijdens de mondelinge behandeling van de wrakingskamer heeft Van de Broek vier feiten en omstandigheden genoemd die haar indruk van vooringenomenheid hebben bevestigd. De wrakingskamer zal deze feiten en omstandigheden puntsgewijs, zoals door mr. Buisman in diens pleitnota opgenomen, bespreken en beoordelen. Het gaat daarbij om het volgende:

a. toepassing van de twee-conclusie regel;

b. innemen van de stelling dat sprake zou kunnen zijn van een communicatieprobleem;

c. omkering van de bewijslast ten nadele van [verzoekster] ;

d. het dringend aansturen op een schikking.

2.6

Het eerste onderdeel betreft de toepassing van de zogenoemde twee-conclusie regel. Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling van 16 september 2016 – na beraad – besloten geen acht te slaan op een (gedeelte) van een schriftelijk stuk van mr. Buisman, nu het hof dit in strijd met genoemde twee-conclusie regel heeft geoordeeld. Deze overweging heeft het hof tevens opgenomen in de tussenbeschikking. Het hof heeft daarmee een procedurele beslissing genomen, gebaseerd op artikel 347 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en deze is niet onbegrijpelijk. Deze kan dus niet door vooringenomenheid zijn ingegeven en geen grond voor wraking opleveren.

2.7

Het tweede onderdeel betreft een uit het proces-verbaal blijkende vraag en opmerking van een van de raadsheren:

Mr. Fikkers: Als u achteraf hoort dat [verzoekster] denkt dat ze u duidelijk heeft gemaakt dat er sprake was van misbruik van de pupil. Kunt u zich dan voorstellen dat het voor [verzoekster] een vervelend gesprek is geweest?

(…)

Mr. Fikkers : Ik stel de vraag omdat je de stukken ook zo kunt lezen alsof er een grote miscommunicatie is geweest.

Hieruit blijkt naar de mening van [verzoekster] dat het hof zeer sturend is opgetreden, terwijl het hof lijdelijk dient te zijn. Bovendien is dit volgens [verzoekster] ter zitting niet zo gezegd.

Hoe dit ter zitting ook gezegd zou zijn, de wrakingskamer ziet hierin geen aanwijzing voor vooringenomenheid of partijdigheid van de betreffende raadsheer of combinatie. Het is aan de rechter om de regie van het geding te voeren en mede in dat kader vragen te stellen om daarmee tot een weloverwogen oordeel te komen in het hem voorgelegde geschil. Rechters hebben een grote vrijheid bij de invulling van deze taak. De wijze waarop het hof hieraan invulling heeft gegeven is naar het oordeel van de wrakingskamer niet zodanig onbegrijpelijk dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven. De raadsheren schrijven in hun schriftelijke reactie ook dat het een zakelijke vraag was met als doel om te kunnen vaststellen op welke wijze de communicatie tussen partijen is verlopen.

Ook dit kan derhalve niet leiden tot toewijzen van het verzoek tot wraking.

2.8

Het derde onderdeel betreft de bewijsopdracht die in de tussenbeschikking aan [verzoekster] is opgelegd. Zij stelt dat uit de stukken reeds afdoende blijkt van hetgeen zij moet bewijzen. De in het proces-verbaal opgenomen opmerking van mr. Fikkers “We kunnen niet uit de stukken halen dat [persoon 1] al eerder op de hoogte was van het seksueel misbruik van de pupil” is voor [verzoekster] dan ook onbegrijpelijk, temeer daar zij zich niet kan herinneren dat dit ter zitting is gezegd. Bovendien had de bewijsopdracht aan [X] moeten worden opgelegd uitgaande van de procesregel “wie stelt, moet bewijzen”. Dat de bewijsopdracht in strijd daarmee aan [verzoekster] is opgelegd getuigt volgens haar wederom van vooringenomenheid van het hof.

Ten aanzien hiervan overweegt de wrakingskamer als volgt. Daargelaten of de raadsheren de stukken waar [verzoekster] op doelt wel of niet over het hoofd hebben gezien, kan een rechter een partij toelaten tot bewijs van een door hem opgeworpen stelling. In hun schriftelijke reactie voeren de raadsheren aan dat de bewijsopdracht is gegeven in het kader van een door [verzoekster] te bewijzen aangeboden stelling. In dat licht bezien is de bewijsopdracht niet onbegrijpelijk en kan deze niet zijn ingegeven door vooringenomenheid of partijdigheid. Zelfs indien de raadsheren de betreffende stukken over het hoofd zouden hebben gezien is de bewijsopdracht een procedurele beslissing die op zichzelf geen aanleiding voor wraking kan zijn, maar waartegen een gewoon rechtsmiddel kan worden ingesteld. De wrakingskamer merkt op dat [verzoekster] niet heeft verzocht tussentijds cassatieberoep open te stellen van de tussenbeschikking van 28 oktober 2016.

2.9

Het vierde onderdeel ziet erop dat het hof volgens [verzoekster] dringend zou hebben aangestuurd op een te treffen schikking met de opmerking dat “het hof zo’n hoog bedrag nooit zou toewijzen en dat het beter was om te schikken”. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt de wrakingskamer niet dat het hof laatstgemelde opmerking heeft gemaakt. Wel blijkt daaruit dat de zitting enige tijd is geschorst om een schikkingspoging te ondernemen, doch dat een schikking niet tot stand is gekomen. De wrakingskamer overweegt dat het niet ongebruikelijk is dat ter zitting wordt onderzocht of partijen ten aanzien van het tussen hen in geding zijnde geschil tot een vergelijk kunnen komen. Dat hierbij in dit geval te dringend zou zijn opgetreden door het hof is de wrakingskamer niet gebleken, nog daargelaten dat geen schikking tot stand is gekomen. De wrakingskamer ziet in hetgeen ten aanzien van dit onderdeel is aangevoerd geen aanwijzingen dat het hof hier zodanig heeft gehandeld dat zij niet onpartijdig is of vooringenomen zou zijn.

2.10

Tijdens de mondelinge behandeling van de wrakingskamer is niet aan de orde geweest de in door [verzoekster] in haar wrakingsverzoek opgenomen grond voor wraking die voortvloeit uit de opmerking van de voorzitter van het hof dat de door [verzoekster] gevraagde billijke vergoeding exorbitant hoog is en dat zij ervan uit moest gaan dat dit bedrag zeker niet zou worden toegekend. Los van de vraag of deze opmerking daadwerkelijk is gemaakt is het niet ongebruikelijk dat een civiele rechter tijdens een mondelinge behandeling richting geeft ter voorkoming van verrassingsbeslissingen en behoort dit overigens ook tot de regie van de gedingvoering. Klachten hierover leveren in beginsel geen wrakingsgrond op. In de onderhavige zaak is niet duidelijk wat ten aanzien van de billijke vergoeding door partijen en het hof is gezegd, nu hierover in het proces-verbaal niets is vermeld. Ook al zouden de beweerdelijke bewoordingen als door [verzoekster] gesteld zijn gebruikt, is dit naar het oordeel van de wrakingskamer geen wrakingsgrond.

2.11

De wrakingskamer is gelet op het voorgaande van oordeel dat door [verzoekster] geen (uitzonderlijke) omstandigheden zijn aangevoerd die afzonderlijk dan wel in onderlinge samenhang bezien zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de raadsheren Knottnerus, Fikkers en Mulder jegens [verzoekster] een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij de [verzoekster] dienaangaande bestaande vrees objectief is gerechtvaardigd. Ook anderszins is niet gebleken dat het optreden van de raadsheren op wie het wrakingsverzoek is gericht in enig opzicht niet voldeed aan de vereisten die aan een eerlijk proces dienen te worden gesteld of dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden door hun optreden. Hetgeen in de nagekomen brief van 31 mei 2017 wordt gesteld is voornamelijk een herhaling van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is aangevoerd en besproken en kan reeds daarom niet tot een ander oordeel leiden.

De slotsom is dan ook dat het verzoek tot wraking gericht tegen de raadsheren Knottnerus, Fikkers en Mulder zal worden afgewezen.

3 De beslissing

De wrakingskamer van het gerechtshof, beslissende op het verzoek tot wraking:

wijst het verzoek tot wraking van de raadsheren E.B. Knottnerus, M.E.L. Fikkers en O.E. Mulder af.

Deze beslissing is gegeven door mrs. H. Wammes, C. Caminada en R.A.V. Boxem, is ondertekend door de voorzitter en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2017.