Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5999

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
12-07-2017
Zaaknummer
21-001705-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tenlastelegging in strijd met artikel 69, lid 4 AWR. Verbeterde lezing. Strafbaarheid van een adviseur voor het plegen van een kwaliteitsdelict. Straf in eerste aanleg van 10 maanden en een geldboete van € 75.000,--. Het hof legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 29 maanden op. Nu de draagkracht van verdachte niet is vast te stellen, wordt geen geldboete opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 18-07-2017
FutD 2017-1855
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001705-16

Uitspraak d.d.: 5 juli 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 16 maart 2016 met parketnummer 16-990331-12 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1946] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

2 Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J.L.J. Leijendekker, naar voren is gebracht.

3 Omvang van het hoger beroep

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep van het hem onder 3 ten laste gelegde vrijgesproken. Hoger beroep tegen deze vrijspraak staat niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep verklaren.

De raadsman van verdachte heeft gesteld dat het hoger beroep zich evenmin richt tegen het eerste deel van het ten laste gelegde feit 1, nu verdachte daarvan is vrijgesproken. De raadsman heeft voorts (primair) gesteld dat het ontslag van alle rechtsvervolging ter zake van feit 4 zijns inziens niet aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Het hof is van oordeel dat het onder feit 1 ten laste gelegde integraal aan de beoordeling van het hof is onderworpen. Het hof leest het onder feit 1 ten laste gelegde verbeterd en wel als volgt.

Feit 1 betreft de facturen als daar genoemd. In het eerste deel van feit 1 betreft dit het beschikbaar stellen van deze facturen aan de fiscus en is ten laste gelegd met het oog op artikel 68, lid 1, sub c juncto artikel 69, lid 2 AWR. In het tweede deel van feit 1 betreft dit exact dezelfde facturen en ook het gebruik ervan (mede/middellijk) jegens de belastingdienst, daar echter met het oog op artikel 225, lid 2 Wetboek van Strafrecht. De steller van de tenlastelegging heeft naar het oordeel van het hof op deze wijze gelet op artikel 69, lid 4 AWR en aldus beoogd primair artikel 69, lid 2 ten laste te leggen en subsidiair artikel 225, lid 2 voor het geval het gebruik maken van de facturen niet gekwalificeerd kan worden onder artikel 69, lid 2.

Dit leidt het hof tot het oordeel dat het verbindingswoord “EN” in strijd komt met bedoeld artikel 69, lid 4 en het openbaar ministerie in zoverre niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Gelet op het vorenstaande trekt het hof niet deze vergaande conclusie doch zal de tenlastelegging lezen met (enkel) het verbindingswoord “OF” en dat feit 1 primair het oog heeft op artikel 69, lid 2 en subsidiair – voor het geval het primaire niet zou vallen onder de bepaling van het tweede lid van artikel 69 - op artikel 225, lid 2.

Mede gelet op de inhoud van het dossier waardoor duidelijk is dat de facturen uitsluitend zijn gebruikt met het oog op verstrekking aan - en gebruik maken van - jegens de fiscus, acht het hof verdachte niet in zijn belangen geschaad.

Hoger beroep kan slechts tegen het vonnis in zijn geheel worden ingesteld. Ingevolge artikel 404, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is ten aanzien van de verdachte slechts een uitzondering gemaakt voor ten laste gelegde feiten waar een algehele vrijspraak op is gevolgd. Een ontslag van rechtsvervolging wordt derhalve niet van een beoordeling in hoger beroep uitgesloten. Nu het hof heeft vastgesteld dat er sprake is van een subsidiaire tenlastelegging ten aanzien van feit 1, zijn alle ten laste gelegde feiten -met uitzondering van feit 3- integraal aan het oordeel van het hof onderworpen.

4 Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, nu het tot een andere bewijsbeslissing, kwalificatie en strafmaat komt, vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

5 De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en na wijziging door het hof als genoemd onder punt 3-, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten laste gelegd dat:

1 primair:
hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 augustus 2006 tot en met 28 augustus 2007, te Cothen en/of Barneveld en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) als degene die ingevolge de belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, opzettelijk, deze in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar heeft/hebben gesteld en/of heeft/hebben doen stellen aan (een) ambtena(a)r(en) van de Belastingdienst, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk

- 2 (twee) facturen, afkomstig van [bedrijf 1] , gericht aan [medeverdachte] en/of

- 5 (vijf) facturen, afkomstig van [bedrijf 2] , gericht aan [medeverdachte] en/of

- 1 (een) factuur, afkomstig van [bedrijf 3] , gericht aan [medeverdachte] en/of

- 1 (een) factuur, afkomstig van [bedrijf 4] , gericht aan [medeverdachte] en/of

- 1 (een) factuur, afkomstig van [bedrijf 5] , gericht aan [medeverdachte] en/of

- 1 (een) factuur, afkomstig van [bedrijf 6] , gericht aan [medeverdachte] (telkens) aan (een) ambtena(a)r(en) van de Belastingdienst ter beschikking gesteld en/of doen (laten) stellen,

bestaande de valsheid/valsheden hierin dat op dat/die geschrift(en), in strijd met de waarheid, melding is gemaakt van geleverde goederen en/of verrichte diensten door [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] ten behoeve van [medeverdachte] , terwijl deze/die levering(en) en/of dienst(en) niet heeft/hebben plaatsgevonden,

terwijl dat feit/die feiten er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;

OF

1. subsidiair

hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 augustus 2006 tot en met 28 augustus 2007, te Cothen en/of Barneveld en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

- 2 (twee) facturen, afkomstig van [bedrijf 1] , gericht aan [medeverdachte] en/of

- 5 (vijf) facturen, afkomstig van [bedrijf 2] , gericht aan [medeverdachte] en/of

- 1 (een) factuur, afkomstig van [bedrijf 3] , gericht aan [medeverdachte] en/of

- 1 (een) factuur, afkomstig van [bedrijf 4] , gericht aan [medeverdachte] en/of

- 1 (een) factuur, afkomstig van [bedrijf 5] , gericht aan [medeverdachte] en/of

- 1 (een) factuur, afkomstig van [bedrijf 6] , [medeverdachte]

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben afgeleverd en/of heeft/hebben doen afleveren,

immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) deze factu(u)r(en) afgegeven/opgestuurd/afgeleverd bij het kantoor van de accountant [getuige 1] van Accon AVM Accountants en adviseurs en/of doen laten sturen naar de Belastingdienst, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het/zij echt en onvervalst,

bestaande die valsheid/valsheden hierin dat op dat/die geschriften, in strijd met de waarheid, melding is gemaakt van geleverde goederen en/of verrichte diensten door [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] ten behoeve van [medeverdachte] , terwijl deze/die levering(en) en/of dienst(en) niet heeft/hebben plaatsgevonden;

2:
hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2008 tot en met 1 april 2009, te Hilversum en/of elders in Nederland, alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) ander (en),

- 1 (een) factuur, afkomstig van [bedrijf 6] , gericht aan [bedrijf 8] en/of

- 1 (een\) factuur, afkomstig van [bedrijf 7] , gericht aan [bedrijf 8] ,

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft afgeleverd en/of heeft doen afleveren, immers heeft hij en/of zijn mededader(s) deze factu(u)r(en) gegeven/ter hand gesteld aan mevrouw [getuige 2] ,

terwijl hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het/zij echt en onvervalst,

bestaande die valsheid/valsheden hierin dat op dat/die geschriften, in strijd met de waarheid, melding is gemaakt van geleverde goederen en/of verrichte diensten door [bedrijf 6] en/of [bedrijf 7] ten behoeve van [getuige 2] , terwijl deze/die levering(en) en/of dienst(en) niet heeft/hebben plaatsgevonden.

4:
hij op één of meer tijdstip(pen), gelegen in of omstreeks de periode van 1 februari 2007 tot en met 31 december 2012 te Cothen en/of Barneveld en/of Hilversum, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

(een) voorwerp(en), te weten één of meer geldbedrag(en) waaronder 149.987,38 euro en/of 8.500,50 euro, althans enig(e) geldbedrag(en), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten genoemd(e) geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf, immers heeft verdachte (onder meer):

- een of meer geldbedragen via de bankrekening overgemaakt naar zijn vriendin [zus van getuige 3] en/of andere bankrekeningen zoals de bankrekening van [naam] te Polen en/of

- een/of meer vermogensbestandde(e)l(en) in Polen verworven en/of

- een of meer siera(a)den en/of haarstuk(ken) betaald;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

6 Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.

6.1

Ten aanzien van feit 1

6.1.1

Het standpunt van de verdachte en zijn raadsman

Verdachte heeft elke betrokkenheid bij het ten laste gelegde feit ontkend en steeds volgehouden dat hij medeverdachte [medeverdachte] slechts begeleidde bij de bouwkundige aspecten van de investeringen. Hij zou geen bemoeienis hebben gehad met de financiële en fiscale zaken van [medeverdachte] . De raadsman van verdachte heeft betoogd dat hij er altijd van uit is gegaan dat medeverdachte een vermogend man was. Verdachte heeft erkend dat hij geld heeft ontvangen van [medeverdachte] (zonder factuur), maar dat zouden betalingen zijn voor de werkzaamheden die hij voor hem heeft verricht. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat was afgesproken dat hij voorschotten zou ontvangen en er uiteindelijk op basis van nacalculatie zou worden gefactureerd. Bovendien zou [medeverdachte] aandelen in zijn vennootschappen overnemen, daar had hij een voorschot van € 60.000,-- op ontvangen. De aandelentransactie was echter niet doorgegaan en toen is het voorschot van € 60.000,-- met zijn werkzaamheden verrekend. Volgens verdachte was dat mondeling met medeverdachte afgesproken.

6.1.2

Oordeel van het hof

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep verdachte vrijgesproken van het eerste deel van het onder feit 1 ten laste gelegde (thans feit 1, primair), nu het -aldus de rechtbank- niet verdachte is op wie de ten laste gelegde verplichting rustte tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van facturen aan de Belastingdienst. Dat oordeel van de rechtbank berust op de opvatting dat een kwaliteitsdelict -voor zover er hier al sprake is van een kwaliteitsdelict- niet kan worden medegepleegd door iemand die de desbetreffende kwaliteit mist. Die opvatting is onjuist (vergelijk HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9096).

Het hof acht bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair ten laste gelegde heeft medegepleegd en overweegt daarbij als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat hij [medeverdachte] slechts als bouwkundig adviseur heeft bijgestaan. Hij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij nooit administratieve werkzaamheden verricht, zelfs zijn eigen administratie brengt hij onder bij een boekhouder.

Alle geldbedragen die hij heeft ontvangen van [medeverdachte] zouden zijn werkzaamheden betreffen dan wel een geplande maar niet gerealiseerde aandelenoverdracht. Het hof acht het volstrekt ongeloofwaardig dat verdachte slechts als bouwkundig adviseur bij de zaken van [medeverdachte] betrokken is geweest. De accountant van [medeverdachte] , getuige

[getuige 1] , heeft verklaard dat hij verdachte een of twee keer heeft ontmoet en een paar keer telefonisch heeft gesproken. Het ging dan om de financiële aspecten van de nieuwbouw. [verdachte] zou de financiering regelen. [getuige 1] heeft voorts verklaard: "Ik ging er volledig van uit dat hij (opmerking hof: bedoeld wordt [medeverdachte]) met de heer [verdachte] dat traject ging lopen. Naar mijn idee was het iets samen van de heer [verdachte] en [medeverdachte] , niet dat ze samen in een onderneming stapten, maar meer dat ze samen een idee hadden." Uit de verklaring blijkt voorts dat het indienen van valse facturen is begonnen nadat [verdachte] bij [medeverdachte] in beeld kwam. De ex-echtgenote van [medeverdachte] , [ex-echtgenote medeverdachte] , heeft verklaard dat [medeverdachte] veel met [verdachte] op pad was. [verdachte] kwam ook wekelijks bij hen thuis. Zij heeft tegenover de FIOD verklaard dat zij tot einde 2006 zicht had op de boekhouding van de boerderij. Toen [medeverdachte] een nieuwe rekening had geopend bij de ABNAMRO kreeg zij geen inzage meer in de boekhouding. Volgens [ex-echtgenote medeverdachte] werkten er vanaf 2006 door bemiddeling van [verdachte] ook Polen op de boerderij. [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte regelmatig uren bij hem thuis achter de computer zat.

Uit het proces-verbaal Analyse Bankrekening van 31 oktober 2012 (codenummer AH-016) blijkt dat verdachte vanaf 2007 een aantal grotere bedragen krijgt overgemaakt van de bankrekening van medeverdachte [medeverdachte] . De verbalisanten hebben in het OPV-1, pagina 7, gerelateerd dat voor deze betalingen geen facturen zijn aangetroffen en dat is opgevallen dat deze bedragen vaak samenvallen met de data waarop medeverdachte [medeverdachte] de onterechte teruggaven van de Belastingdienst heeft ontvangen.

Verdachte heeft geen geloofwaardige verklaring voor deze overboekingen gegeven.

Ter terechtzitting verklaarde hij dat € 150.000,-- geen exorbitant bedrag is voor drie jaren bouwkundig advies en dat € 60.000,-- een voorschot op een aandelentransactie betrof. Ook heeft verdachte ter zitting verklaard dat de vennootschap ( [bedrijf 9] ) klandizie met betrekking tot bouwmanagement bevatte, maar dat hij niet meer weet hoeveel de vennootschap waard was. Uit de geconsolideerde balans van [bedrijf 9] blijkt dat het eigen vermogen van de vennootschap per 31 december 2006 € 6.417,--. bedroeg. Het hof acht het uiterst onwaarschijnlijk dat [medeverdachte] de aandelen van deze vennootschap, waarin uitsluitend goodwill m.b.t. bouwactiviteiten, voor € 60.000,-- zou overnemen. Tijdens het verhoor door de FIOD op 7 december 2012 heeft verdachte verklaard (V02-02, pagina 2) dat de hele bouw van de stal drie jaar zou duren en dat hij daar 'al een getal voor in zijn hoofd had', dat was € 150.000,-- . In hetzelfde verhoor heeft verdachte verklaard dat hij op verzoek van [medeverdachte] en op diens aanwijzingen en in diens bijzijn weleens overboekingen voor [medeverdachte] deed. Verdachte kreeg dan het bankpasje en de code voor het internetbankieren van [medeverdachte] .

Verdachte heeft voorts verklaard dat er geen facturen zijn opgemaakt van zijn werkzaamheden voor [medeverdachte] en er evenmin een contract met [medeverdachte] is opgesteld. Het hof acht het niet voor de hand liggend dat verdachte ten behoeve van de bouw werkzaamheden heeft uitgevoerd die een dergelijk honorarium verklaren. Verder dan het realiseren van enige bouwtekeningen is de bouw immers niet gekomen.

Voorts is in de bedrijfsadministratie van [medeverdachte] een valse factuur aangetroffen van [bedrijf 6] . Ook in de administratie van [bedrijf 8] is een valse factuur van [bedrijf 6] aangetroffen. Getuige [getuige 2] van [bedrijf 8] heeft verklaard dat verdachte haar die factuur persoonlijk heeft overhandigd. Van enige betrokkenheid van de medeverdachte [medeverdachte] bij [bedrijf 8] is in het dossier niet gebleken.

Het hof is van oordeel dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [medeverdachte] opzettelijk valse facturen heeft ingediend bij de Belastingdienst, terwijl beiden van de daaruit voortvloeiende belastingteruggaven hebben geprofiteerd.

6.2

Ten aanzien van feit 2

6.2.1

Het standpunt van verdachte en zijn raadsman

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van feit 2 moet worden vrijgesproken. De verdediging heeft immers getuige [getuige 3] niet kunnen horen. [getuige 3] had tenminste bevraagd moeten worden over de computer en het gebruik van de computer. Verdachte heeft steeds aangegeven dat deze computer niet van hem was, hij woonde niet op het adres waar de computer is aangetroffen en meer mensen maakten van deze computer gebruik. Het bewijs berust op een verklaring van [getuige 2] en op de computer die is aangetroffen in de woning van de zus van [getuige 3] . Ook zou [getuige 3] werkzaamheden hebben verricht bij de door

[getuige 2] gedreven onderneming. De verklaring van [getuige 3] maar ook de feiten en omstandigheden die in het dossier worden opgevoerd met betrekking tot de computer en de valse facturen zijn van groot gewicht en beslissend in deze zaak. De verdediging heeft ten aanzien van het niet kunnen horen van [getuige 3] een uitdrukkelijk beroep gedaan op artikel 6, lid 3 sub d van het EVRM en verwezen naar het arrest Vidgen vs Nederland. De verdediging heeft gesteld dat er sprake is van een 'sole or decisive' getuigenverklaring van [getuige 3] die ook van gewicht is om de verklaring van [getuige 2] te toetsen.

6.2.2

Het oordeel van het hof

Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een 'sole or decisive' getuigenverklaring van [getuige 3] als waarvan sprake was in het Vidgen arrest. De getuigenverklaring van [getuige 3] wordt voldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat [verdachte] klant bij haar was en dat hij had aangegeven dat hij de verbouwing van haar bedrijf kon regelen. De verbouwing is naar tevredenheid uitgevoerd door een aantal Polen die door [verdachte] waren 'geregeld.' Er was geen schriftelijke overeenkomst en zij heeft een deel van de kosten contant betaald. Zij verklaarde voorts dat [verdachte] haar facturen van bedrijven gaf, die materialen hadden geleverd en dat zij die dan deels per bank aan [verdachte] betaalde of verrekende met haarstukken.

Tijdens een doorzoeking van het pand [adres] is een computer, merk Fujitsu Siemens Esprimo aangetroffen. [getuige 3] heeft verklaard dat verdachte gebruik maakte van zijn computer. Op de computer is een nota aangetroffen, gericht aan [bedrijf 8] . Deze nota is op het logo na (dat is op het digitale exemplaar blanco) identiek aan de door [verdachte] aan [getuige 2] overhandigde nota van [bedrijf 7] . Volgens het proces-verbaal bevindingen van de FIOD van 19 februari 2013 staat bij de bestandseigenschappen van dit document in de tabel "Permissions" de naam " [roepnaam verdachte] " en in de kolom Property de waarde "Allow" en "owner" vermeld. Verdachte heeft ter zitting gezegd dat hij [roepnaam verdachte] wordt genoemd. Verdachte is aangetroffen in het betreffende pand, waar ook

[zus van getuige 3] woonde. Hij verklaarde destijds dat hij hier logeerde en op dat moment geen vast woonadres had. Volgens [verdachte] is [zus van getuige 3] "gewoon een goede vriendin." Door de FIOD gevraagd naar een verklaring voor het gebruik van de computer en de daarop aangetroffen documenten heeft verdachte telkens een beroep gedaan op zijn zwijgrecht.

Naar het oordeel van het hof is er voldoende bewijs, naast de verklaring van [getuige 3] , in het dossier voorhanden voor een bewezenverklaring van het onder feit 2 ten laste gelegde.

6.3

Ten aanzien van feit 4

6.3.1.

Het standpunt van verdachte en zijn raadsman

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de van [medeverdachte] ontvangen geldbedragen heeft gebruikt om zijn belastingaanslagen met boeten te betalen.

6.3.2.

Het oordeel van het hof

De rechtbank heeft verdachte ontslagen van rechtsvervolging, omdat niet (meer) ten laste zou zijn gelegd het verhullen van uit misdrijf afkomstig geld. Het hof stelt echter vast dat er wel degelijk sprake is van verhullingshandelingen alsmede dat het omzetten van uit misdrijf afkomstig geld (mede) ten laste is gelegd, waardoor de bewezen verklaarde handelingen van verdachte gekwalificeerd kunnen worden overeenkomstig de tenlastelegging.

Verdachte heeft ten aanzien van zijn inkomen bij de FIOD verklaard dat hij niet in loondienst was in de periode vanaf 2005. Op de vraag waar hij dan van geleefd heeft antwoordde verdachte: "Dat is een lastig verhaal. Ik kreeg af en toe wat uit de boedel, dit is al een tijd geleden gestopt." [zus van getuige 3] heeft verklaard dat zij door verdachte werd onderhouden. Hij betaalde voor haar eten, drinken, kleding en de huur. Uit het proces-verbaal inzake onroerende goederen Polen van 4 april 2013 blijkt dat verdachte via zijn vriendin [zus van getuige 3] en haar moeder diverse onroerende zaken in Polen heeft aangekocht

(zes percelen/woningen). Op 25 juni 2007 heeft verdachte € 43.000,-- voor de aankoop van onroerende zaken overgemaakt naar de moeder van [zus van getuige 3] . Een niet-ingezetene van Polen kan geen onroerende zaken op zijn naam kopen. Dit probleem heeft verdachte omzeild door de zaken op naam van [zus van getuige 3] te stellen met het voorbehoud dat, zodra de Poolse regelgeving wijzigt, de zaken aan verdachte zouden worden geleverd. Van de rekening van de broer van [zus van getuige 3] , [getuige 3] is € 78.278,28 overgemaakt naar een Poolse bankrekening van verdachte. Voorts heeft verdachte vanaf zijn Nederlandse bankrekening € 23.524,33 overgemaakt naar zijn Poolse bankrekening voor contante opnamen en aankopen van Zloty's. Verdachte had volgens zijn eigen verklaring geen ander (legaal) inkomen dat de aanwezige geldbedragen zou kunnen verklaren.

Het hof acht bewezen dat verdachte geldbedragen, wetende dat die geldbedragen afkomstig waren uit misdrijf, heeft omgezet door deze te storten op Poolse bankrekeningen, onroerende zaken in Polen aan te kopen -al dan niet op naam van zijn vriendin en haar familieleden- en door daarmee haarstukken te kopen dan wel te laten onderhouden.

7 Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. primair:
hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 augustus 2006 tot en met 28 augustus 2007, te Cothen en/of Barneveld en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) als degene die ingevolge de belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, opzettelijk, deze in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar heeft/hebben gesteld en/of heeft/hebben doen stellen aan (een) ambtena(a)r(en) van de Belastingdienst, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk

- 2 ( twee) facturen, afkomstig van [bedrijf 1] , gericht aan [medeverdachte] en/of

- 5 ( vijf) facturen, afkomstig van [bedrijf 2] , gericht aan [medeverdachte] en/of

- 1 ( een) factuur, afkomstig van [bedrijf 3] , gericht aan [medeverdachte] en/of

- 1 ( een) factuur, afkomstig van [bedrijf 4] , gericht aan [medeverdachte] en/of

- 1 ( een) factuur, afkomstig van [bedrijf 5] , gericht aan [medeverdachte] en/of

- 1 ( een) factuur, afkomstig van [bedrijf 6] , gericht aan [medeverdachte] (telkens) aan ambtena(a)r(en) van de Belastingdienst ter beschikking gesteld en/of doen (laten) stellen,

bestaande de valsheid/valsheden hierin dat op dat/die geschrift(en), in strijd met de waarheid, melding is gemaakt van geleverde goederen en/of verrichte diensten door [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] ten behoeve van [medeverdachte] ,

terwijl deze/die levering(en) en/of dienst(en) niet heeft/hebben plaatsgevonden, terwijl dat feit/die feiten er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;

2:
hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2008 tot en met 1 april 2009, te Hilversum en/of elders in Nederland, alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) ander (en),

- 1 ( een) factuur, afkomstig van [bedrijf 6] , gericht aan [bedrijf 8] en/of

- 1 ( een) factuur, afkomstig van [bedrijf 7] , gericht aan [bedrijf 8] ,

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft afgeleverd en/of heeft doen afleveren, immers heeft hij en/of zijn mededader(s) deze factu(u)r(en) gegeven/ter hand gesteld aan mevrouw [getuige 2] , terwijl hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het/zij echt en onvervalst,

bestaande die valsheid/valsheden hierin dat op dat/die geschriften, in strijd met de waarheid, melding is gemaakt van geleverde goederen en/of verrichte diensten door [bedrijf 6] en/of [bedrijf 7] ten behoeve van [getuige 2] , terwijl deze/die levering(en) en/of dienst(en) niet heeft/hebben plaatsgevonden.

4:
hij op één of meer tijdstip(pen), gelegen in of omstreeks de periode van 1 februari 2007 tot en met 31 december 2012 te Cothen en/of Barneveld en/of Hilversum, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een voorwerp(en), te weten één of meer geldbedrag(en) waaronder 149.987,38 euro en/of 8.500,50 euro, althans enig(e) geldbedrag(en), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten genoemd(e) geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf, immers heeft verdachte (onder meer):

- een of meer geldbedragen via de bankrekening overgemaakt naar zijn vriendin [zus van getuige 3] en/of andere bankrekeningen zoals de bankrekening van [naam] te Polen en/of

- een/of meer vermogensbestandde(e)l(en) in Polen verworven en/of

- een of meer siera(a)den en/of haarstuk(ken) betaald.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

8 Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van ingevolge de belastingwet verplicht zijnde boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan voor raadpleging beschikbaar te stellen, deze voor dit doel opzettelijk in valse of vervalste vorm beschikbaar stellen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

Witwassen, meermalen gepleegd.

9 Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Anders dan de rechtbank heeft beslist, is het als feit 4 ten laste gelegde witwassen wel te kwalificeren nu het hof tot een bewezenverklaring komt van het overdragen en omzetten van geldbedragen en vermogensbestanddelen.

10 Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De officier van justitie heeft in eerste aanleg gevorderd dat verdachte veroordeeld zal worden tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en een geldboete van € 75.000,--. De rechtbank heeft, bij vonnis waarvan beroep, verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een geldboete van € 75.000,-- . De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte, conform de beslissing van de rechtbank, zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden met aftrek voorarrest en een geldboete van € 75.000,--.

De huidige financiële positie van verdachte is onduidelijk. De advocaat-generaal heeft zich niet uitgelaten over de stand van zaken met betrekking tot het gelegde beslag en omtrent eventuele claims van de fiscus in het kader van derdenbeslag. Het hof zal daarom geen geldboete aan verdachte opleggen, maar uitsluitend een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hij ernstig ziek is (hij zou prostaatkanker hebben) en dat hij zich bepaalde zaken door het medicijngebruik niet meer herinnert. Het hof heeft bij de strafoplegging geen rekening gehouden met de gezondheidstoestand van verdachte, nu zijn bewering noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep op enigerlei wijze is onderbouwd, bijvoorbeeld door een medische verklaring, een afsprakenoverzicht of een medicijnenoverzicht. Daar komt nog bij dat de getuige [getuige 2] in haar verklaring op 28 februari 2013 (G18-01, pagina 2) heeft verklaard:

"In december 2012 was hij (het hof: verdachte) ook nog bij mij geweest. Hij vertelde dat hij door zijn ex-vrouw in een nieuwe hel was gekomen en in grote problemen zat. Hij vertelde mij dat hij binnenkort voor de rechter moest komen en vroeg mij of ik zijn haarwerk grijs kon verven. Hij zag er dan zielig uit, vertelde hij."

Het hof heeft geconstateerd dat verdachte geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor de door hem gepleegde feiten, waarmee hij niet alleen zichzelf maar ook anderen in grote problemen heeft gebracht. Door zijn listige handelwijze heeft hij de fiscus en daarmee de Staat der Nederlanden en de samenleving voor een zeer aanzienlijk geldbedrag benadeeld, kennelijk uitsluitend met het doel zijn eigen persoonlijk gewin. De belastingdienst heeft in twee jaar tijd ruim € 2.400.000,-- uitgekeerd aan de medeverdachte [medeverdachte] in verband met teruggaven omzetbelasting ter zake van investeringen in onder meer een nieuwe stal, machines en dergelijke, terwijl er geen nieuwe stal was gebouwd op het terrein en ook de overige (grote) investeringen niet hadden plaatsgevonden. Daaraan is pas een einde gekomen na controle door de Belastingdienst. Door het handelen van verdachte is het vertrouwen dat moet kunnen worden gesteld in bepaalde geschriften ernstig geschaad.

Voor zover verdachte al verklaringen heeft afgelegd omtrent zijn malversaties, acht het hof die verklaringen leugenachtig en in strijd met de verklaringen van getuigen. Ook het -ook in hoger beroep- tegen de klippen op ontkennen van zijn betrokkenheid bij de fraude neemt het hof verdachte in het bijzonder kwalijk.

In het voordeel van verdachte is rekening gehouden met zijn blanco strafblad en zijn leeftijd, alsmede met het feit dat niet het volledige benadelingsbedrag aan hem zelf ten goede is gekomen.

Vorenstaande in aanmerking genomen, doet de door de advocaat-generaal geëiste straf onvoldoende recht aan de bewezen verklaarde feiten.

Overschrijding van de redelijke termijn

De redelijke termijn is aangevangen op de datum van inverzekeringstelling, zijnde 6 december 2012. De redelijke termijn is in eerste aanleg aanzienlijk overschreden. Deze overschrijding wordt in de procedure in hoger beroep echter grotendeels gecompenseerd. Het hof is van oordeel dat de overschrijding in de totale procedure tot op heden vijf maanden bedraagt.

Gelet op de ernst van de feiten en rekening houdende met de rechterlijke oriëntatiepunten zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden passend zijn geweest. Nu er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, acht het hof compensatie in de vorm van een strafvermindering met vier maanden aangewezen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 47, 57, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 ten laste gelegde;

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan;

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 29 (negenentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. R. de Groot, voorzitter,

mr. T.M.L. Wolters en mr. P.L.M van Gorkom, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.E. Versloot, griffier,

en op 5 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.