Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5998

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
12-07-2017
Zaaknummer
21-001814-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tenlastelegging in strijd met artikel 69, lid 4 AWR. Verbeterde lezing. Verdachte heeft bijna 2,5 miljoen euro omzetbelasting teruggevraagd met valse facturen. Onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 29 maanden, aanzienlijk hoger dan de rechtbank en de advocaat-generaal oordeelden(18 maanden).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 18-07-2017
FutD 2017-1855
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001814-16

Uitspraak d.d.: 5 juli 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 16 maart 2016 met parketnummer 16-990316-12 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1949] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P. van der Geest, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, nu het tot een andere bewijsbeslissing, kwalificatie en strafmaat komt, vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en na wijziging door het hof, zoals hieronder aangegeven - ten laste gelegd dat:

1:
hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 september 2006 tot en met 31 augustus 2008, te Cothen en/of Barneveld en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een of meerdere aangifte(n) omzetbelasting over het/de tijdvak(ken):

- augustus 2006 en/of

- oktober 2006 en/of

- november 2006 en/of

- mei 2007 en/of

- augustus 2007 en/of

- oktober 2007 en/of

- november 2007 en/of

- februari 2008 en/of

- juli 2008,

(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of laten doen, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s), (telkens) opzettelijk op de/het bij de Inspecteur der belastingen (digitaal) ingeleverde aangiftebiljet(ten) Omzetbelasting over genoemd(e) tijdvak(ken) (telkens) een te hoog, althans onjuist, bedrag aan voorbelasting opgegeven en/of vermeld, althans doen of laten opgeven en/of vermelden, terwijl die gedraging(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;

2 primair:
hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 augustus 2006 tot en met 28 augustus 2007, te Cothen en/of Barneveld en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) als degene die ingevolge de belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, deze in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar heeft/hebben gesteld en/of heeft/hebben doen stellen aan (een) ambtena(a)r(en) van de Belastingdienst, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk

- 2 (twee) facturen, afkomstig van [bedrijf 1] , gericht aan [verdachte] en/of

- 5 (vijf) facturen, afkomstig van [bedrijf 2] , gericht aan [verdachte] en/of

- 1 (een) factuur, afkomstig van [bedrijf 3] , gericht aan [verdachte] en/of

- 1 (een) factuur, afkomstig van [bedrijf 4] , gericht aan [verdachte] en/of

- 1 (een) factuur, afkomstig van [bedrijf 5] , gericht aan [verdachte] en/of

- 1 (een) factuur, afkomstig van [bedrijf 6] , gericht aan [verdachte] , (telkens) aan (een) ambtena(a)r(en) van de Belastingdienst ter beschikking gesteld en/of doen (laten) stellen, bestaande de valsheid/valsheden hierin dat op dat/die geschrift(en), in strijd met de waarheid, melding is gemaakt van geleverde goederen en/of verrichte diensten door [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] ten behoeve van [verdachte] , terwijl die leveringen en/of diensten niet hebben plaatsgevonden, terwijl dat feit/die feiten er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;

OF

2. subsidiair

hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 augustus 2006 tot en met 28 augustus 2007, te Cothen en/of Barneveld en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

- 2 (twee) facturen, afkomstig van [bedrijf 1] , gericht aan [verdachte] en/of

- 5 (vijf) facturen, afkomstig van [bedrijf 2] , gericht aan [verdachte] en/of

- 1 (een) factuur, afkomstig van [bedrijf 3] , gericht aan [verdachte] en/of

- 1 (een) factuur, afkomstig van [bedrijf 4] , gericht aan [verdachte] (D-023) en/of

- 1 (een) factuur, afkomstig van [bedrijf 5] , gericht aan [verdachte] en/of

- 1 (een) factuur, afkomstig van [bedrijf 6] , [verdachte] ,

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben afgeleverd en/of heeft/hebben doen afleveren,

immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) deze factu(u)r(en) afgegeven/opgestuurd/afgeleverd bij het kantoor van accountant [getuige 4] van [accountantskantoor] en/of doen laten sturen naar de Belastingdienst,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het/zij echt en onvervalst,

bestaande die valsheid/valsheden hierin dat op dat/die geschriften, in strijd met de waarheid, melding is gemaakt van geleverde goederen en/of verrichte diensten door [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] ten behoeve van [verdachte] , terwijl die leveringen en/of diensten niet hebben plaatsgevonden;

3:
hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 augustus 2006 tot en met 28 juni 2007, te Cothen en/of Barneveld en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, zijn bedrijfsadministratie, zijnde (telkens) een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van het daarin vermelde te dienen, valselijk heeft opgemaakt of doen opmaken en/of vervalst of doen vervalsen, immers heeft hij en/of zijn medeverdachte (telkens) een of meerdere valse geschrift(en), te weten

- 2 (twee) facturen, afkomstig van [bedrijf 1] , gericht aan [verdachte] en/of

- 5 (vijf) facturen, afkomstig van [bedrijf 2] , gericht aan [verdachte] en/of

- 1 (een) factuur, afkomstig van [bedrijf 3] , gericht aan [verdachte] en/of

- 1 (een) factuur, afkomstig van [bedrijf 4] , gericht aan [verdachte] en/of

- 1 (een) factuur, afkomstig van [bedrijf 5] , gericht aan [verdachte] en/of

- 1 ( - 1 (een) factuur, afkomstig van [bedrijf 6] , [verdachte] ,

opgenomen en/of samengesteld en/of verwerkt en/of doen opnemen en/of doen samenstellen en/of doen verwerken in zijn bedrijfsadministratie, bestaande de valsheid/valsheden hierin dat op dat/die geschrift(en) (telkens) is opgenomen dat een of meer bovengenoemde bedrijven goederen hebben geleverd en/of diensten hebben verricht, terwijl in werkelijkheid de in de bovengenoemde factu(u)r(en) goederen en/of diensten niet zijn geleverd en/of verricht door bovengenoemde bedrijven, zulks (telkens) met het oogmerk om die bedrijfsadministratie (dat samenstel van geschriften) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

Het hof leest het onder feit 2 ten laste gelegde verbeterd en wel als volgt.

Feit 2 betreft de facturen als daar genoemd. In het eerste deel van feit 2 betreft dit het beschikbaar stellen van deze facturen aan de fiscus en is ten laste gelegd met het oog op artikel 68, lid 1, sub c juncto artikel 69, lid 2 AWR. In het tweede deel van feit 2 betreft dit exact dezelfde facturen en ook het gebruik ervan (mede/middellijk) jegens de belastingdienst, daar echter met het oog op artikel 225, lid 2 Wetboek van Strafrecht. De steller van de tenlastelegging heeft naar het oordeel van het hof op deze wijze gelet op artikel 69, lid 4 AWR en aldus beoogd primair artikel 69, lid 2 ten laste te leggen en subsidiair artikel 225, lid 2 voor het geval het gebruik maken van de facturen niet gekwalificeerd kan worden onder artikel 69, lid 2.

Dit leidt het hof tot het oordeel dat het verbindingswoord “EN” in strijd komt met bedoeld artikel 69, lid 4 en het openbaar ministerie in zoverre niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Gelet op het vorenstaande trekt het hof niet deze vergaande conclusie doch zal de tenlastelegging lezen met (enkel) het verbindingswoord “OF” en dat feit 2 primair het oog heeft op artikel 69, lid 2 en subsidiair - voor het geval het primaire niet zou vallen onder de bepaling van het tweede lid van artikel 69 - op artikel 225, lid 2.

Mede gelet op de inhoud van het dossier waardoor duidelijk is dat de facturen uitsluitend zijn gebruikt met het oog op verstrekking aan - en gebruik maken van - jegens de fiscus, acht het hof verdachte niet in zijn belangen geschaad.

Indien in de tenlastelegging voorts taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor evenmin geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het standpunt van de verdachte en zijn raadsvrouw

De raadsvrouw van verdachte heeft betoogd dat er geen sprake is geweest van opzet en heeft het hof daarom verzocht verdachte van alle ten laste gelegde feiten vrij te spreken. Verdachte is in 2006 in contact gekomen met medeverdachte [medeverdachte] . Verdachte wilde zijn bedrijf fors uitbreiden en [medeverdachte] gaf aan dat hij verdachte daar in financiële en fiscale zin mee kon helpen. Verdachte zou allerlei offertes moeten opvragen, die [medeverdachte] vervolgens 'ombouwde' tot facturen. [medeverdachte] zou de hele administratie van de ex-echtgenote van verdachte hebben overgenomen. De raadsvrouw stelde voorts dat verdachte gesloten enveloppen naar de accountant [accountantskantoor] moest brengen en dat alleen [medeverdachte] over de bankpassen van de bankrekeningen beschikte. Verdachte had zodoende geen idee wat zich afspeelde; hij was niet op de hoogte van de inhoud van de enveloppen en vertrouwde blindelings op [medeverdachte] . Die verklaring van verdachte wordt volgens de raadsvrouw door de verklaringen van getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] ondersteund. De aanname van de rechtbank dat verdachte had moeten weten of vermoeden dat er valse facturen bij de belastingdienst werden ingediend wordt gelogenstraft door de persoon van verdachte, die maar 'een simpele boer' is, zo bepleit de raadsvrouw.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De belastingdienst heeft in twee jaar tijd ruim € 2.300.000,-- uitgekeerd aan verdachte ter zake van teruggaven omzetbelasting. De belastingteruggaven zijn gestort op bankrekeningen die toebehoorden verdachte. Verdachte heeft ontkend opzettelijk onjuiste aangiften te hebben gedaan. Uit de verklaringen van [getuige 4] , accountant bij [accountantskantoor] , blijkt echter dat hij de aangiften ter accordering naar verdachte stuurde, dat hij hem het BTW-systeem heeft uitgelegd en dat verdachte steeds de indruk wekte dat er op grote schaal werd geïnvesteerd. Ook moet het voor verdachte duidelijk zijn geweest dat hij opeens aanzienlijke bedragen op zijn bankrekeningen ontving. Bankrekeningen die hij speciaal voor de teruggaven van de omzetbelasting opende om die zo buiten het zicht van zijn (ex)-echtgenote te houden. Vervolgens werden van die teruggaven betalingen gedaan aan [getuige 1] en de medeverdachte [medeverdachte] . Het moet verdachte duidelijk zijn geweest, dat de facturen vals waren. Er waren immers geen diensten of goederen geleverd. Verdachte is verantwoordelijk voor zijn bedrijf en de administratie, dat hoort bij het ondernemerschap. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank.

Het oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de ten laste gelegde feiten wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt voorts als volgt.

Verdachte heeft in de jaren 2005 tot en met 2008 € 2.430.924,-- omzetbelasting teruggevraagd ter zake van investeringen in onder meer een nieuwe stal, machines en dergelijke. Omdat dit niet in verhouding stond tot de opbrengst van de verkoop van het bedrijf in 2008, zijnde € 1.850.000,--, heeft de Belastingdienst een onderzoek ingesteld. Uit het onderzoek kwam naar voren dat er geen nieuwe stal was gebouwd op het terrein en ook de overige (grote) investeringen niet hadden plaatsgevonden.

De teruggaven zijn gestort op een ABNAMRO rekening op naam van verdachte. Nader onderzoek bracht aan het licht dat er van die rekening direct of indirect grote geldbedragen zijn overgemaakt aan de ex-schoonmoeder van verdachte, medeverdachte [medeverdachte] , [getuige 1] en later ook aan [getuige 5] . Tevens werden openstaande schulden van verdachte van deze bankrekening betaald.

Bij controle van de aan de teruggaven ten grondslag liggende facturen, zoals genoemd in de tenlastelegging, bleek dat de facturen vals waren. Er werden ook geen betalingen aangetroffen van deze facturen.

Verdachte was voornemens om zijn bedrijf uit te breiden. In 2006 kwam hij in contact met medeverdachte [medeverdachte] . Verdachte heeft verklaard dat hij vanaf dat moment alle zakelijke en financiële handelingen, zoals het betalen van rekeningen, overliet aan [medeverdachte] . [medeverdachte] zat uren achter zijn computer en beschikte over de bankpassen. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij samen met [medeverdachte] bedrijven bezocht, die vervolgens offertes uitbrachten. Die offertes gaf hij aan [medeverdachte] . [medeverdachte] zou hem hebben verteld dat hij de omzetbelasting op die offertes alvast terug kon vragen bij de Belastingdienst. De valse facturen werden hem in een gesloten enveloppe door [medeverdachte] overhandigd en, zo verklaarde verdachte, hij gaf de enveloppe dan af bij accountantskantoor [accountantskantoor] voor de aangifte omzetbelasting. Verdachte heeft, ook ter terechtzitting bij het hof, ten stelligste ontkend dat hij op enige wijze betrokken is geweest bij de onjuiste aangiften, de valse facturen of de opname van die facturen in zijn bedrijfsadministratie.

Het hof acht de verklaringen van verdachte volstrekt ongeloofwaardig. Het is een feit van algemene bekendheid dat omzetbelasting vermeld op offertes niet terug gevraagd kan worden bij de Belastingdienst. Bovendien kan het niet anders dan dat het verdachte is opgevallen dat er opeens grote geldbedragen beschikbaar waren, onder andere om bestaande schulden af te lossen. Accountantskantoor [accountantskantoor] heeft verdachte er bij brief van 31 oktober 2007 op gewezen dat de door hem overgelegde facturen niet (altijd) voldeden aan de door de wet daaraan gestelde eisen. In dezelfde brief waarschuwt de accountant dat hij de Belastingdienst niet mag gebruiken ter financiering van lopende activiteiten en merkt de accountant op dat de factuur uit 2006 van stallenbouwer [bedrijf 7] nog steeds niet is voldaan, terwijl de omzetbelasting wel is afgetrokken. Op 7 november 2007 heeft verdachte deze brief beantwoord. Hoewel verdachte heeft ontkend dat deze brief van zijn hand is, constateert het hof dat de handtekening onder de brief identiek lijkt aan de handtekeningen van verdachte in de processen-verbaal van verhoor. Ook getuige [getuige 4] , accountant bij [accountantskantoor] , heeft verklaard dat hij er, gezien de handtekening, vanuit ging dat de brief van verdachte afkomstig was.

In het proces-verbaal van verhoor van 9 november 2012 heeft verdachte ten aanzien van de nota's van [bedrijf 5] verklaard:

"Ik ben met hem (opmerking hof: bedoeld wordt [medeverdachte]) mee geweest naar de Mercedes garage in [plaats] . Ik weet dat [medeverdachte] de offertes van Mercedes heeft omgebouwd tot facturen, hij heeft namelijk verteld dat er hierdoor € 50.000,-- zou terugkomen van de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft uiteindelijk € 51.813,-- gestort op de Raborekening. Daardoor wist ik dat er geld binnen zou komen op de net geopende Raborekening en kon ik het direct doorsluizen naar Marokko."

Verdachte heeft aangevoerd dat hij niet weet om te gaan met computers en niet zelf kon internetbankieren. Dit is door zijn ex-echtgenote en een medewerkster van de ABN-Amro, [getuige 3] , bevestigd. [getuige 3] heeft echter ook verklaard dat verdachte een aantal keren bij de bank is geweest met anderen, die dan voor hem internetbankierden. Volgens [getuige 3] waren er tijden dat verdachte bijna iedere dag met anderen bij de bank kwam. Later kwam hij ook, zo verklaarde zij voorts, met een Marokkaanse vrouw, voor wie hij een tweede pasje wilde aanvragen. Verdachte had [getuige 3] verteld dat hij naar Marokko wilde, omdat hij daar een stuk grond had. Ook getuige [getuige 5] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij samen met verdachte achter de computer zat. Het feit dat verdachte niet zelf kan internetbankieren betekent nog niet dat hij geen opdrachten tot betaling kan verstrekken of niet kan waarnemen welke mutaties er plaatsvinden op zijn bankrekeningen. Kennelijk hebben anderen in zijn bijzijn en vanaf zijn account (via internet) transacties uitgevoerd. Verdachte heeft bovendien meermalen (contant) geldbedragen van zijn bankrekeningen opgenomen. Kortom, verdachte had de volledige beschikking over zijn bankrekeningen.

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij de aangiften omzetbelasting eerst ter accordering naar verdachte stuurde. Bovendien stuurde hij van alle correspondentie met de Belastingdienst een kopie naar verdachte. Hij verklaarde dat de facturen in een enveloppe in de brievenbus werden gedaan. Hij verklaarde voorts: "Ik heb nog wel eens gebeld met [verdachte] over de facturen. Hij had het altijd over stallen. Op een bepaald moment kwamen er twee facturen van stallen. Ik zei toen: ik zie deze factuur en ik zie er nog een factuur bij. Toen heeft hij een heel relaas gegeven voor de onderbouwing daarvan."

[getuige 4] heeft voorts verklaard dat hij op 8 augustus 2008 telefonisch contact met verdachte heeft gehad, waarin verdachte aangaf dat hij allerlei facturen bij hem had ingediend, dat zijn kantoor daarvoor BTW had terug gevraagd, maar dat dat niet terecht was geweest. Verdachte heeft overigens niet betwist dat de facturen valselijk zijn opgemaakt. Verdachte heeft, zo blijkt uit de verklaring van [getuige 4] , ook in de periode dat zijn ex-echtgenote de administratie voerde, zelf de contacten met de accountant onderhouden.

Uit het proces-verbaal Analyse bankrekening (codenummer AH-016) van 31 oktober 2012 blijkt dat verdachte vanaf 2007 een aantal grotere bedragen heeft overgemaakt naar de bankrekening van medeverdachte [medeverdachte] . De verbalisanten hebben in het OPV-1, pagina 7, gerelateerd dat voor deze betalingen geen facturen zijn aangetroffen en dat is opgevallen dat deze bedragen vaak samenvallen met de data waarop verdachte de onterechte teruggaven van de Belastingdienst heeft ontvangen.

Het hof is van oordeel dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] opzettelijk valse facturen heeft ingediend bij de Belastingdienst, terwijl beiden van de daaruit voortvloeiende belastingteruggaven hebben geprofiteerd. Verdachte heeft voor die teruggaven welbewust een nieuwe bankrekening geopend, zodat noch zijn accountant noch zijn toenmalige echtgenote inzicht hadden in de gang van zaken.

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:
hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 september 2006 tot en met 31 augustus 2008, te Cothen en/of Barneveld en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een of meerdere aangifte(n) omzetbelasting over het/de tijdvak(ken):

- augustus 2006 en/of;

- oktober 2006 en/of;

- november 2006 en/of;

- mei 2007 en/of;

- augustus 2007 en/of;

- oktober 2007 en/of;

- november 2007 en/of;

- februari 2008 en/of;

- juli 2008,

(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of laten doen, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s), (telkens) opzettelijk op de/het bij de Inspecteur der belastingen (digitaal) ingeleverde aangiftebiljet(ten) Omzetbelasting over genoemd(e) tijdvak(ken) (telkens) een te hoog, althans onjuist, bedrag aan voorbelasting opgegeven en/of vermeld, althans doen of laten opgeven en/of vermelden, terwijl die gedraging(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;

2 primair:
hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 augustus 2006 tot en met 28 augustus 2007, te Cothen en/of Barneveld en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) als degene die ingevolge de belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, deze in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar heeft/hebben gesteld en/of heeft/hebben doen stellen aan (een) ambtena(a)r(en) van de Belastingdienst, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk

- 2 ( twee) facturen, afkomstig van [bedrijf 1] , gericht aan [verdachte] en/of

- 5 ( vijf) facturen, afkomstig van [bedrijf 2] , gericht aan [verdachte] en/of

- 1 ( een) factuur, afkomstig van [bedrijf 3] , gericht aan [verdachte] en/of

- 1 ( een) factuur, afkomstig van [bedrijf 4] , gericht aan [verdachte] en/of

- 1 ( een) factuur, afkomstig van [bedrijf 5] , gericht aan [verdachte] en/of

- 1 ( een) factuur, afkomstig van [bedrijf 6] , gericht aan [verdachte]

(telkens) aan (een) ambtena(a)r(en) van de Belastingdienst ter beschikking gesteld en/of doen (laten) stellen, bestaande de valsheid/valsheden hierin dat op dat/die geschrift(en), in strijd met de waarheid, melding is gemaakt van geleverde goederen en/of verrichte diensten door [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] ten behoeve van [verdachte] , terwijl die leveringen en/of diensten niet hebben plaatsgevonden, terwijl dat feit/die feiten er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;

3:
hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 augustus 2006 tot en met 28 juni 2007, te Cothen en/of Barneveld en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, zijn bedrijfsadministratie, zijnde (telkens) een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van het daarin vermelde te dienen, valselijk heeft opgemaakt of doen opmaken en/of vervalst of doen vervalsen, immers heeft hij en/of zijn medeverdachte (telkens) een of meerdere valse geschrift(en), te weten

- 2 ( twee) facturen, afkomstig van [bedrijf 1] , gericht aan [verdachte] en/of

- 5 ( vijf) facturen, afkomstig van [bedrijf 2] , gericht aan [verdachte] en/of

- 1 ( een) factuur, afkomstig van [bedrijf 3] , gericht aan [verdachte] en/of

- 1 ( een) factuur, afkomstig van [bedrijf 4] , gericht aan [verdachte] en/of

- 1 ( een) factuur, afkomstig van [bedrijf 5] , gericht aan [verdachte] en/of

- 1 ( een) factuur, afkomstig van [bedrijf 6] , [verdachte] (D-025),

opgenomen en/of samengesteld en/of verwerkt en/of doen opnemen en/of doen samenstellen en/of doen verwerken in zijn bedrijfsadministratie, bestaande de valsheid/valsheden hierin dat op dat/die geschrift(en) (telkens) is opgenomen dat een of meer bovengenoemde bedrijven goederen hebben geleverd en/of diensten hebben verricht, terwijl in werkelijkheid de in de bovengenoemde factu(u)r(en) goederen en/of diensten niet zijn geleverd en/of verricht door bovengenoemde bedrijven, zulks (telkens) met het oogmerk om die bedrijfsadministratie (dat samenstel van geschriften) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van ingevolge de belastingwet verplicht zijnde bescheiden voor raadpleging beschikbaar te stellen, deze voor dit doel opzettelijk in valse of vervalste vorm beschikbaar stellen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De officier van justitie heeft in eerste aanleg gevorderd dat verdachte veroordeeld zal worden tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. De rechtbank heeft, bij vonnis waarvan beroep, verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte, conform de beslissing van de rechtbank, zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek voorarrest.

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat bij het opleggen van de straf rekening gehouden dient te worden met de samenloopregeling, de overschrijding van de redelijke termijn, het gelijkheidsbeginsel en de persoonlijke omstandigheden. Verdachte is volgens de raadsvrouw berooid en alleen achtergebleven en heeft hierdoor te kampen met psychische problemen. De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte, mede gelet op zijn hoge leeftijd, mogelijk detentieongeschikt is.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden:

Verdachte heeft met zijn handelen de fiscus en daarmee de Staat der Nederlanden en de samenleving voor een zeer aanzienlijk geldbedrag benadeeld, kennelijk uitsluitend met het doel zijn eigen persoonlijk gewin. Door het handelen van verdachte is het vertrouwen dat moet kunnen worden gesteld in bepaalde geschriften en het vertrouwen in de aangiften door de belastingplichtige ernstig geschaad. Verdachte heeft in een aantal jaren ten onrechte meer dan 2 miljoen euro omzetbelasting teruggevraagd, waaraan pas een einde is gekomen na controle door de Belastingdienst. Het hof neemt verdachte in het bijzonder kwalijk de listigheid door het ter beschikking stellen van valse facturen aan de Belastingdienst en het -ook in hoger beroep- tegen de klippen op ontkennen van zijn betrokkenheid bij de fraude.

De raadsvrouw heeft een beroep gedaan op de samenloopregeling ex artikel 56, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht. Daarbij heeft de raadsvrouw naar het oordeel van het hof miskend, dat het bewezen verklaarde feit 2 het beschikbaar stellen van valse facturen betreft en het bewezen verklaarde feit 3 het vervalsen van de bedrijfsadministratie. De raadsvrouw heeft voorts gesteld dat het verbazingwekkend is dat verdachte en medeverdachte strafrechtelijk worden vervolgd, terwijl verdachte de zaak bij voorkeur -net als [getuige 1] - met een fiscale boete wilde afhandelen. Het hof is niet op de hoogte van de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het afzien van strafrechtelijke vervolging van [getuige 1] . De zaak van verdachte voldoet echter ruimschoots aan de criteria voor strafrechtelijke vervolging zoals vastgelegd in de "Aanwijzing fiscale fraude" en de daarbij behorende bijlage "ATV-richtlijnen".

In het voordeel van verdachte wordt rekening gehouden met zijn leeftijd en overige door de raadsvrouw aangevoerde persoonlijke omstandigheden. De raadsvrouw heeft zich de vraag gesteld, zonder deze te beantwoorden, of verdachte wel detentiegeschikt is. Of verdachte door zijn leeftijd en psychische problemen detentieongeschikt is, is thans niet gebleken. Voor zover de raadsvrouw een beroep wil doen op detentieongeschiktheid zal dat in de executiefase worden getoetst. Voorts is verdachte niet eerder ter zake van een vermogensdelict veroordeeld en is rekening gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Vorenstaande in aanmerking genomen, doet de door de advocaat-generaal geëiste straf onvoldoende recht aan de bewezenverklaarde feiten.

Overschrijding van de redelijke termijn

De redelijke termijn is aangevangen op de datum van inverzekeringstelling, zijnde 6 november 2012. De redelijke termijn is in eerste aanleg aanzienlijk overschreden. Deze overschrijding wordt in de procedure in hoger beroep echter grotendeels gecompenseerd. Het hof is van oordeel dat de overschrijding in de totale procedure tot op heden zes maanden bedraagt.

Gelet op de ernst van de feiten en rekening houdende met de rechterlijke oriëntatiepunten zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden passend zijn geweest. Nu er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, acht het hof compensatie in de vorm van een strafvermindering met vier maanden aangewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 47, 57, 63 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 29 (negenentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. R. de Groot, voorzitter,

mr. T.M.L. Wolters en mr. P.L.M van Gorkom, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.E. Versloot, griffier,

en op 5 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.