Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5960

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
27-07-2017
Zaaknummer
200.185.598/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

CAO voor het Voortgezet Onderwijs; entreerecht.

Heeft de school niet gehandeld als goed werkgever door leraar voor het jaar 2014/2105 niet tenminste 50% van haar lessen in de bovenbouw Havo/VWO toe te delen, waardoor zij niet voldoet aan het zgn. entreerecht (art. 5.2 van de cao) en niet

per 1 augustus 2014 in aanmerking komt voor benoeming in een LD-schaal.

Het hof is, anders dan de kantonrechter, van oordeel dat de school haar verplichtingen als goed werkgever niet heeft geschonden. De leraar mocht in de omstandigheden van het geval er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij ook voor het jaar 2014/2015 50% of meer van haar uren in de bovenbouw toegedeeld zou krijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3950
Onderwijs Totaal 2018/756
AR-Updates.nl 2017-0945
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.185.598

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 3961404/MC EXPL 15-2678)

arrest van 11 juli 2017

in de zaak van

de stichting

Stichting verenigde scholen J.A. Alberdingk Thijm Voortgezet Onderwijs,

gevestigd te Hilversum,

appellante in principaal appel,
geïntimeerde in (voorwaardelijk) incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: ATC,

advocaat: mr. G.J. Spaans, kantoorhoudend te Woerden,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde in principaal appel,
appellante in (voorwaardelijk) incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.L. Aarts, kantoorhoudend te Utrecht.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 17 maart 2017, waarbij een comparitie van partijen is gelast, hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces verbaal van de op 21 juni 2017 gehouden comparitie van partijen, dat bij de stukken is gevoegd.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op de vóór de comparitie door partijen gefourneerde procesdossiers.

1.4

De vordering van ATC in hoger beroep strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis van de kantonrechter te Almere van 11 november 2015, en opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vorderingen van [geïntimeerde] af te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] , zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- te gehengen en te gedogen dat zij met terugwerkende kracht tot 1 augustus 2014 wordt benoemd in de salarisschaal LC;

- tot terugbetaling van al hetgeen ATC ingevolge het bestreden vonnis aan haar heeft voldaan, te vermeerderen met (a) alle aan derden ter zake door ATC afgedragen belasting en pensioen- en sociale zekerheidspremies, inclusief de werkgeverslasten, (b) de wettelijke rente vanaf de dag van betaling en (c) de nakosten;
- in de proceskosten in beide instanties.

1.5

De vordering van [geïntimeerde] in (voorwaardelijk) incidenteel appel strekt tot vernietiging van het vonnis van 11 november 2015 en opnieuw rechtdoende:

- voor recht te verklaren dat ATC handelt in strijd met de cao VO, door aan [geïntimeerde]

ingaande 01-08-2014 het entreerecht te ontzeggen door haar niet te benoemen in

een LD-functie,

- ATC te veroordelen [geïntimeerde] ingaande 01-08-2014 een arbeidsovereenkomst op basis van de LD-functie aan te bieden met toedeling van 50% of meer lessen in de jaren 4 en

5 HAVO en/of 4,5 en 6 VWO,
- ATC te veroordelen in de proceskosten in beide instanties, waaronder begrepen de nakosten.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.7 van het bestreden vonnis. Aangevuld met nog enkele feiten in hoger beroep luiden de feiten als volgt.

2.1

[geïntimeerde] is bij ATC voor onbepaalde tijd in dienst in de functie van leraar, met een deeltijdfactor van 0,82 fte. [geïntimeerde] is eerstegraads bevoegd voor het vak Frans. Zij is deels werkzaam in de onderbouw en deels werkzaam in de bovenbouw.

[geïntimeerde] was benoemd in een zogenaamde LC-functie.

2.2

Op de arbeidsovereenkomst tussen partijen is de “collectieve arbeidsovereenkomst voor het Voortgezet Onderwijs” (hierna: cao VO) van toepassing.

2.3

In het Convenant Leerkracht van Nederland, dat per 1 juli 2008 van kracht is

geworden, hebben de sociale partners en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en

Wetenschap (OCW) onder meer afgesproken dat het voor de versterking van het beroep van

leraar nodig is om de beloning van de leraar te verbeteren. Daartoe is de mogelijkheid

geopend om via een zogenaamde functiemix het aantal LC- en LD-functies te verhogen. Een

andere afspraak in het convenant betrof het zogenoemde entreerecht.

2.4

Dat entreerecht is vastgelegd in artikel 5.2 van de opeenvolgende cao’s VO.
In de cao VO 2008-2010 luidde artikel 5.2 als volgt:

Vanaf 1 augustus 2014 heeft elke docent met een eerstegraads bevoegdheid, die structureel - ongeacht de omvang- lesgeeft in een of meer van de jaren 4 en 5 HAVO en/of 4,5 en 6 VWO recht op een LD-functie.

en in de opvolgende cao VO 2011-2012:
Vanaf 1 augustus 2014 heeft elke docent met een eerstegraads bevoegdheid, die structureel 50% of meer van zijn lessen geeft in een of meer van de jaren 4 en 5 HAVO en/of 4,5 en 6 VWO recht op een LD functie.
2.5 In het kader van de totstandkoming van de cao VO 2014-2015 (de opvolger van de verlengde cao VO 2011-2012) hebben de sociale partners op 15 april 2014 een Onderhandelaarsakkoord gesloten waarin met betrekking tot het entreerecht het volgende is opgenomen:

“h. Entreerecht

Partijen erkennen dat het entreerecht onevenwichtige en ongewenste effecten heeft. Er zijn echter verwachtingen gewekt, en partijen vinden het niet acceptabel zo vlak voor de inwerkingtreding van het recht die verwachtingen ongedaan te maken. Daarom zal het entreerecht als volgt worden aangepast:

• Vanaf 1 augustus 2014 heeft elke docent met een eerstegraads bevoegdheid, die meer dan 50% van zijn lessen, binnen structurele formatie* geeft in een of meer van de jaren 4 en 5 HAVO en/of 4,5 en 6 VWO recht op een LD functie.

• Het entreerecht vervalt per 31 juli 2015

• Docenten die voor 1 augustus 2014 zijn gestart voor een master/eerste graads-bevoegdheid en meer dan 50% lesgeven in de bovenbouw hebben tot en met 31 juli 2017 nog recht op het entreerecht.

In de toelichting op het artikel betreffende het entreerecht komt te staan:

• Indien een docent die benoemd is op basis van het entreerecht uiterlijk op 1 augustus 2016

niet voldoet aan de functievereisten van de functiebeschrijving die de werkgever op grond van artikel 11.5 CAO-VO heeft vastgesteld, kan hij teruggeplaatst worden in zijn oude functie met bijbehorende salaristrede, zonder behoud van het salarisperspectief van de LD functie.

De voetnoot waarnaar in de eerste bullit wordt verwezen luidt:
“Onder structurele formatie wordt verstaan formatie niet zijnde projectformatie en kortdurende vervanging minder dan een jaar.”

2.6

In de cao VO 2014-2015 is in artikel 5.2 het entreerecht LD vervolgens als volgt verwoord:

“1. Vanaf 1 augustus 2014 heeft elke leraar met een eerstegraadsbevoegdheid die 50% of meer van zijn lessen binnen structurele formatie geeft in een of meer van de jaren 4 en 5 HAVO en/of 4, 5 en 6 vwo recht op een LD-functie.

2. Het entreerecht vervalt per 31 juli 2015”

Bij het artikel is een voetnoot opgenomen, die luidt:
"Onder structurele formatie wordt verstaan formatie niet zijnde projectformatie en kortdurende vervanging minder dan een jaar."

2.7

Het aantal uren dat [geïntimeerde] in het schooljaar 2014-2015 is ingeroosterd is als

volgt: 14 lessen in de onderbouw en 7 lessen in de bovenbouw. Daarnaast is aan [geïntimeerde]

nog één zogenaamd Z-uur (zelfstandig werken) toegedeeld alsmede één mentoruur.

2.8

Op 12 januari 2015 heeft de Centrale Commissie van Beroep voor het Katholiek

Voortgezet Onderwijs (hierna: de Commissie van Beroep) uitspraak gedaan naar aanleiding van een door [geïntimeerde] ingediend beroepschrift tegen het besluit van ATC om haar voor het schooljaar 2014-2015 minder dan 50% van haar lessen in de bovenbouw te geven, waardoor haar het entreerecht wordt onthouden. De Commissie van Beroep heeft het beroep van [geïntimeerde] ongegrond verklaard.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg (in conventie) kort samengevat gevorderd voor recht te verklaren primair dat ATC in strijd handelt met de cao VO althans met regels van goed werkgeverschap, althans onrechtmatig handelt, door [geïntimeerde] niet ingaande 1 augustus 2014 te benoemen in een LD-functie (door partijen ook aangeduid als het haar onthouden van het entreerecht), en subsidiair dat ATC in strijd handelt met regels van goed werkgeverschap door de bij [geïntimeerde] gewekte verwachtingen niet te honoreren en [geïntimeerde] ingaande 1 augustus 2014 minder dan 50% lessen bovenbouw havo/vwo toe te delen waardoor haar het entreerecht/recht op benoeming in een LD-functie wordt onthouden. Voorts heeft [geïntimeerde] gevorderd om ATC te veroordelen primair [geïntimeerde] ingaande 1 augustus 2014 direct te benoemen in een LD-functie en subsidiair haar ingaande 1 augustus 2014 50% of meer lessen in de bovenbouw havo/vwo toe te delen. Een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.

3.2

ATC heeft verweer gevoerd.

3.3

De kantonrechter heeft in haar vonnis van 11 november 2015, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaard dat ATC in strijd handelt met de regels van goed werkgeverschap door de bij [geïntimeerde] gewekte verwachtingen niet te honoreren en [geïntimeerde] ingaande 1 augustus 2014 minder dan 50% lessen in de bovenbouw havo/vwo toe te delen waardoor haar het entreerecht/benoeming in een LD-functie wordt onthouden, en ATC veroordeeld om [geïntimeerde] ingaande 1 augustus 2014 het entreerecht toe te kennen/te benoemen in een LD-functie, met veroordeling van ATC in de proceskosten.

3.4

Ter uitvoering van dit vonnis heeft ATC per brief van 1 februari 2016 [geïntimeerde] met terugwerkende kracht tot 1 augustus 2014 op grond van het entreerecht benoemd in een LD-functie. In de brief is vermeld dat de benoeming plaats vindt onder het uitdrukkelijke voorbehoud dat de benoeming slechts geldig is indien het vonnis in hoger beroep en eventueel in cassatie bevestigd wordt. [geïntimeerde] wordt er daarbij op gewezen dat als zij in hoger beroep of eventueel cassatie in het ongelijk wordt gesteld zij het teveel betaalde volledige brutobedrag ineens dient terug te betalen.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

in voorwaardelijk incidenteel appel

4.1

Het hof ziet uit systematisch oogpunt en gelet op hetgeen hierna in het principale appel zal worden overwogen aanleiding om eerst het incidentele appel te behandelen, dat overigens niet is gericht op een ander dictum en een in appel gehandhaafde grondslag voor de vordering betreft die het hof anders op grond van de devolutieve werking van het appel ook aan de orde had moeten stellen.

4.2

Het voorwaardelijk incidenteel van [geïntimeerde] is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de vraag of [geïntimeerde] vanwege het entreerecht per 1 augustus 2014 recht heeft op benoeming in een LD-functie moet worden beoordeeld aan de hand van de tekst van de cao VO 2014-2015.

De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat zowel volgens de cao VO 2011-2012 als volgens de cao VO 2014-2015, voor de vraag of een docent recht heeft op een LD functie als peildatum 1 augustus 2014 geldt en dat op die datum de cao VO 2014-2015 van toepassing is.

[geïntimeerde] stelt zich in haar grief op het standpunt, zo begrijpt het hof haar stellingen, dat toen in juli 2014 door ATC werd besloten over de urentoedeling aan [geïntimeerde] voor het schooljaar 2014/2015, de cao VO 2011-2012 nog gold en dat daarom op basis van die cao dient te worden beoordeeld of [geïntimeerde] per 1 augustus 2014 recht had op benoeming in een LD-functie.

4.3

Het hof verwerpt het standpunt van [geïntimeerde] .

Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de vraag of [geïntimeerde] vanaf 1 augustus 2014 recht heeft op een LD-functie dient te worden beoordeeld naar de cao die op die datum gold. Op 1 augustus had de cao 2011-2012 haar werking verloren en was daarvoor de
cao 2014-2015 in de plaats getreden, zodat het entreerecht beoordeeld dient te worden naar (de tekst van) die cao. Dat al vóór de inwerkingtreding van die cao door ATC was besloten over de urentoedeling voor het schooljaar 2014/2015 maakt dat niet anders. Bovendien was al vanaf de totstandkoming van het Onderhandelaarsakkoord (zie 2.5) bekend hoe het entreerecht vanaf 1 augustus 2014 zou luiden. Dat de Commissie van Beroep Christelijk VO/HBO in verschillende van haar uitspraken wél als toetsingskader de cao 211-2012 hanteert, zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd, geeft evenmin aanleiding voor een ander oordeel; het hof is aan die uitspraken niet gebonden.

4.4

De grief faalt derhalve.

in principaal appel

4.5

De kantonrechter heeft overwogen dat nu [geïntimeerde] vanaf 1 augustus 2014 minder dan 50% van haar lessen binnen de structurele formatie geeft in de bovenbouw, zij ingevolge het bepaalde in artikel 5.2 cao VO 2014-2015 niet in aanmerking komt voor een LD-functie (r.o. 4.2.laatste zin). De stellingen van [geïntimeerde] houden niet in dat, ook als getoetst zou moeten worden aan de cao VO 2014-2015, zij op grond van het entreerecht zoals dat in die cao is vastgelegd aanspraak heeft op een LD-functie. Nu het hof ook anderszins geen redenen heeft om deze uitleg van de kantonrechter voor onjuist te houden, neemt het hof die als de zijne over.

4.6

De kantonrechter oordeelt vervolgens dat ATC heeft gehandeld in strijd met regels van goed werkgeverschap door [geïntimeerde] ingaande 1 augustus 2014 minder dan 50% lessen in de bovenbouw havo/vwo toe te delen en haar daardoor het recht op benoeming in een LD-functie te onthouden. Daartoe overweegt de kantonrechter, kort weergegeven, dat [geïntimeerde] in de jaren 2011/2012, 2012/2013 en 2013/2014 telkens 50% of meer van haar lesuren heeft gegeven in de bovenbouw havo en vwo, en dat zij daarmee voldeed aan de voorwaarden die de cao VO 2011-2012 (in artikel 5.2) stelde aan een benoeming in een LD-functie per 1 augustus 2014. Mede in het licht van de teksten van de opeenvolgende cao’s over het entreerecht en de tekst van het Onderhandelaarsakkoord, heeft [geïntimeerde] daaraan de gerechtvaardigde verwachting kunnen ontlenen dat zij ook na 1 augustus 2014 overwegend in de bovenbouw havo/vwo zou worden ingezet en dan in een LD-functie zou worden benoemd, aldus de kantonrechter. Het niet honoreren van die verwachting acht de kantonrechter in strijd met goed werkgeverschap.

4.7

De grieven van ATC (zeven in totaal, genummerd 1 t/m 7) richten zich vanuit verschillende invalshoeken tegen het hiervoor onder 4.6 weergegeven oordeel van de kantonrechter en de gronden waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij beogen de vraag of ATC heeft gehandeld in strijd met goed werkgeverschap door [geïntimeerde] per 1 augustus 2014 minder dan 50% lesuren in de bovenbouw havo/vwo toe te delen in volle omvang aan het hof voor te leggen.

4.8

Bij de beantwoording van die vraag stelt het hof voorop dat indien [geïntimeerde] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat aan haar (ook) per 1 augustus 2014 50% of meer lesuren zouden worden toebedeeld in de bovenbouw havo/vwo, zich de situatie kan voordoen dat ATC heeft gehandeld in strijd met goed werkgeverschap door die verwachting niet te honoreren. Daarbij geldt dat op [geïntimeerde] , die zich erop heeft beroepen dat ATC heeft gehandeld in strijd met goed werkgeverschap, de bewijslast rust van feiten en omstandigheden die, alle overige omstandigheden mede in aanmerking nemend, dat vertrouwen kunnen rechtvaardigen. De vraag of [geïntimeerde] onder de werking van de (verlengde) cao VO 2011-2012 wél voldeed aan de voorwaarden van het entreerecht is daarbij niet bepalend. Zoals hiervoor is overwogen gold die cao immers niet meer per
1 augustus 2014. Daarmee strookt niet dat die cao indirect (via de band van goed werkgeverschap) nog wel bepalend zou zijn voor het entreerecht.
4.9 Het hof is, alle omstandigheden in aanmerking nemend, niet van oordeel dat [geïntimeerde] bedoelde gerechtvaardigde verwachting mocht hebben. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.9.1

Niet in geschil is dat [geïntimeerde] in de jaren van 2008/2009 - het jaar waarin het entreerecht voor het eerst in de cao is opgenomen -, 2009/2010 en 2010/2011 minder dan 50% van haar lesuren gaf in de bovenbouw, d.w.z. Havo 4/5 en VWO 4/5/6.

4.9.2

In 2011/2012 gaf zij volgens een door ATC overgelegd en door [geïntimeerde] niet betwist urenoverzicht (prod. 4 bij MvG) precies 50% van haar lesuren in de bovenbouw (13 uren bovenbouw en 13 uren onderbouw), indien Z-uren (uren waarin leerlingen geacht worden zelfstandig te werken en waar voor de leraar geen voor- en nawerk aan is verbonden) en mentoruren worden meegerekend. Zonder Z- en mentoruren zou [geïntimeerde] zijn uitgekomen op een percentage van minder dan 50% (in dat geval: 10 uren bovenbouw en 12 uren onderbouw).

Gelet op het ontbreken in de cao van een omschrijving van het begrip lesuur - de invulling van dat begrip is na de cao VO 1998-1999 aan de onderwijsinstellingen zelf overgelaten - en de definitie die ATC in haar “taakbeleid” zelf geeft van lesuren, te weten:
“Een les is een ingeroosterd moment waarop aan leerlingen kennis wordt overgedragen, begeleiding of ondersteuning in dienst van het onderwijskundig proces wordt gegeven, dan wel prestaties van een of meer leerlingen aan een mondeling of schriftelijk onderzoek worden onderworpen. De studielessen en begeleidingsuren en het surveilleren tijdens examens vallen onder het begrip les.”,
is het hof van oordeel dat Z-uren en mentoruren echter wel voor de berekening meegeteld dienen te worden en dat onvoldoende grond bestaat voor het door ATC gemaakte onderscheid tussen vakuren (waar wel voor- en nawerk aan is verbonden) en overige lessen. Dat aan Z-uren en mentoruren anders dan aan vakuren geen voor- en nawerk is verbonden, is naar het oordeel van het hof voor dat onderscheid niet toereikend.

4.9.3

Niet in geschil is dat [geïntimeerde] in 2012/2013 meer dan 50% van haar lessen in de bovenbouw gaf (17 uren bovenbouw en 9 uren onderbouw), ook als alleen gekeken zou worden naar de vakuren (in dat geval: 13 uren bovenbouw en 9 uren onderbouw). ATC heeft onweersproken aangevoerd dat in dat jaar echter één van de andere eerstegraads leraren ( [B] ) een “sabbatical” had en dat daarom [geïntimeerde] dat jaar extra bovenbouwuren heeft gekregen. In dit verband merkt het hof op dat volgens het urenoverzicht [B] in 2011/2012 nog 12 bovenbouwuren had waarvan 9 vakuren en in 2012/2013 (dus) nul uren).

4.9.4

Evenmin is in geschil dat [geïntimeerde] ook in 2013/2014 meer dan 50% van haar lessen in de bovenbouw gaf (13 uren bovenbouw en 10 uren onderbouw), ook als alleen gekeken zou worden naar de vakuren (in dat geval: 10 uren bovenbouw en 9 uren onderbouw). ATC heeft echter aangevoerd dat [geïntimeerde] in dat jaar extra bovenbouwuren heeft gekregen, omdat [B] pas in een zo laat stadium bekend had gemaakt dat zij na haar sabbatical zou terugkeren, hetgeen (onweersproken) vooraf niet vast stond, dat zij roostertechnisch niet meer volledig kon worden ingeroosterd in de bovenbouw, ondanks dat zij terugkeerde als leidinggevende voor de bovenbouw VWO in plaats van de bovenbouw HAVO, waardoor inroostering van haar zoveel mogelijk in de bovenbouw VWO voor de hand had gelegen. Schuiven in de bovenbouw is volgens ATC echter moeilijk vanwege de clusters waarin les wordt gegeven. De stelling dat [B] niet meer volledig kon worden ingeroosterd in de bovenbouw vindt steun in het urenoverzicht, in zoverre daaruit blijkt dat [B] in 2013/2014 naast 6 vakuren in de onderbouw 8 bovenbouw uren had waarvan 6 vakuren.

4.9.5

Het hof concludeert uit deze feiten en omstandigheden dat geen sprake is van een situatie dat [geïntimeerde] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij ook in 2014/2015 50% of meer van haar lesuren in de bovenbouw toebedeeld zou krijgen. Voor het hof is voldoende aannemelijk dat [geïntimeerde] door toevallige omstandigheden in de jaren 2012/2013 en 2013/2014 extra bovenbouwuren heeft gekregen. Niet kan worden vastgesteld en evenmin is door [geïntimeerde] (voldoende onderbouwd) aangevoerd dat zonder die extra uren zij in die jaren ook aan de 50% norm zou hebben voldaan. Alleen in 2011/2012 heeft [geïntimeerde] zonder bijkomende omstandigheden (net) aan die norm voldaan. In aanmerking nemend dat [geïntimeerde] in de jaren vóór 2011/2012 telkens niet aan die norm voldeed is het hof niet van oordeel dat, objectief bezien, [geïntimeerde] er dan op dan mocht rekenen dat zij 2014/2015 50% of meer lesuren in de bovenbouw toebedeeld zou krijgen.
Daar doet niet aan af dat [geïntimeerde] mogelijk niet bekend was met de omstandigheid dat het pas laat bekend worden van de terugkeer van [B] haar in 2013/2014 extra bovenbouwuren heeft bezorgd. Zij mag in ieder geval bekend verondersteld worden met de omstandigheid dat het door [B] in 2012/2013 opgenomen sabbatical haar dat jaar extra bovenbouwuren had opgeleverd.

4.10

De vraag of [geïntimeerde] voldeed aan de voorwaarden voor het entreerecht zoals verwoord in artikel 5.2 van de cao VO 2011-2012 behoeft bij deze stand van zaken geen beantwoording; het antwoord op die vraag zal immers niet leiden tot een ander oordeel over de vraag of [geïntimeerde] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij ook in 2014/2015 50% of meer lesuren in de bovenbouw toebedeeld zou krijgen. Voor de goede orde tekent het hof daarbij nog aan dat die vraag beantwoord zou dienen te worden door uitleg van artikel 5.2 van de cao aan de hand van de in de jurisprudentie ontwikkelde zogenaamde cao-norm. Voor die uitleg is op zichzelf niet bepalend dat de Commissie van Beroep in verschillende van haar uitspraken heeft geoordeeld dat van “structureel” als bedoeld in artikel 5.2 van die cao sprake is indien een leraar in twee of meer opeenvolgende schooljaren 50% of meer van diens lesuren in de bovenbouw heeft gegeven.

4.11

Voor zover in de stellingen van [geïntimeerde] gelezen zou moeten worden dat zij zich er tevens op beroept dat ATC in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld door bij de urentoedeling voor 2014/2015 haar te benadelen, dient die stelling te worden verworpen. ATC zou in strijd met goed werkgeverschap gehandeld kunnen hebben indien zij bij de urentoedeling voor 2014/2015 ten nadele van [geïntimeerde] zou zijn afgeweken van haar gebruikelijke toedelingsbeleid en daardoor [geïntimeerde] het entreerecht zou hebben ontnomen.
Stelplicht en bewijslast dat dit het geval is geweest, rusten op [geïntimeerde] .
4.12 ATC heeft tijdens de mondelinge behandeling (onweersproken) nader toegelicht dat haar toedelingsbeleid erop is gericht om de bovenbouw uren zoveel mogelijk gelijk over de eerstegraads leraren te verdelen, zonder daarbij rekening te houden met deeltijdfactoren. Daarbij was gebruikelijk dat na een 'voorzet' van de rector de sectie Frans zelf een voorstel aan de rector deed, dat doorgaans door de rector werd gevolgd. Naar voren is gekomen dat volgens de aanvankelijke door de sectie zelf voorgestelde toedeling [geïntimeerde] in 2014/2015 minder dan 50% van haar lesuren in de bovenbouw zou geven. Op het laatst bleek er echter onverwacht nog een extra Havo-4 klas bij te komen. De sectie heeft toen voorgesteld die klas aan [geïntimeerde] toe te delen. ATC heeft, volgens haar verklaring, die uren (drie) toegedeeld aan een tweedegraads leraar die een opleiding tot eerstegraads leraar volgde en die in het aanvankelijke voorstel alleen onder supervisie aan een bovenbouwgroep les zou geven. ATC achtte in het kader van die opleiding het wenselijker dat desbetreffende docent een eigen klas zou krijgen, waartoe de extra Havo-4 klas de mogelijkheid bood. Daarom heeft de schoolleiding op dit punt het nadere voorstel van de sectie Frans niet gevolgd.
Het hof is van oordeel dat die keuze viel binnen de beleidsvrijheid die ATC toekomt, ook ten aanzien van haar urentoedeling.
Omstandigheden die anderszins tot het oordeel zouden moeten leiden dat ATC bij de urentoedeling voor 2014/2015 heeft gehandeld op een wijze die jegens [geïntimeerde] in strijd met goed werkgeverschap is, zijn niet aangevoerd.

4.13

Het hof komt aldus tot de slotsom dat niet kan worden vastgesteld dat ATC heeft gehandeld in strijd met goed werkgeverschap door [geïntimeerde] in 2014/2015 minder dan 50% van haar lesuren in de bovenbouw toe te delen. De grieven slagen derhalve, zodat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven. De oorspronkelijke vorderingen van [geïntimeerde] dienen afgewezen te worden.

4.14

Het hof acht geen grond aanwezig voor toewijzing van de vordering van ATC om [geïntimeerde] te veroordelen te gehengen en te gedogen dat zij met terugwerkende kracht tot
1 augustus 2014 alsnog wordt benoemd in salarisschaal LC. Dit is reeds niet mogelijk omdat ATC in eerste aanleg geen tegenvordering heeft ingesteld en zij niet voor het eerst in appel een vordering kan instellen, behoudens een vordering tot ongedaanmaking. Hoewel haar vordering wel enige elementen daarvan bevat, heeft de vordering evenwel een verdergaande strekking. Bovendien heeft ATC ook op andere wijze reeds voorzien in de ongedaanmaking indien het hof tot een ander oordeel zou komen dan de kantonrechter. In de brief van
1 februari 2016, waarin [geïntimeerde] met terugwerkende kracht tot 1 augustus 2014 op grond van het entreerecht is benoemd in een LD-functie, is immers vermeld dat de benoeming plaats vindt onder het uitdrukkelijke voorbehoud dat de benoeming slechts geldig is indien het vonnis in hoger beroep en eventueel in cassatie bevestigd wordt. Nu het vonnis in hoger beroep niet wordt bevestigd komt daarmee, terugwerkend tot 1 augustus 2014, aan die benoeming de grond te ontvallen.

4.15

[geïntimeerde] zal gezien hetgeen hiervoor is overwogen aan ATC dienen terug te betalen hetgeen zij op grond van die benoeming in een LD-functie meer heeft ontvangen dan zonder die benoeming het geval zou zijn geweest. Maximaal bedraagt dat het verschil tussen hetgeen [geïntimeerde] bruto ontvangen heeft (volgens de LD schaal) en hetgeen zij anders (volgens de LC schaal) bruto ontvangen zou hebben.

De vordering van ATC om [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen ATC ingevolge het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, te vermeerderen met de aan derden afgedragen belasting en pensioen- en sociale zekerheidspremies, inclusief de werkgeverslasten, en met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling, is echter ruimer geredigeerd en bovendien ook onvoldoende gespecificeerd. Daarmee is die vordering niet toewijsbaar.

Overigens merkt het hof op dat er alleen grond kan bestaan voor gehoudenheid van [geïntimeerde] om hetgeen zij teveel heeft ontvangen bruto terug te betalen indien ATC (vanuit haar gehoudenheid om haar schade te beperken) tevergeefs heeft getracht de door haar over het te hoge salaris betaalde belasting en premies terug te vragen bij de ontvangende instanties.

Gesteld noch gebleken is dat ATC dat inmiddels heeft gedaan.

5 De slotsom

5.1

De grieven in het principaal appel slagen en de grief in het (voorwaardelijk) incidenteel appel slaagt niet. Het bestreden vonnis moet worden vernietigd. De vorderingen van [geïntimeerde] zullen alsnog worden afgewezen. De onder 4.13 en 4.14 besproken vorderingen van ATC zijn echter evenmin toewijsbaar.

5.2

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van ATC zullen worden vastgesteld op € 400,- aan salaris gemachtigde.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van ATC zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 95,71

- griffierecht € 314,-

subtotaal verschotten € 409,71

- salaris advocaat € 1.788,00 (2 punten x tarief II)

Totaal € 2.197,71

5.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Almere van 11 november 2015, en opnieuw rechtdoende;

wijst af de (oorspronkelijke) vorderingen van [geïntimeerde] ;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van ATC wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 400,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 409,71 voor verschotten en op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. O.E. Mulder, mr. J.H. Kuiper en mr. H. de Hek en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

11 juli 2017.