Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5944

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
14-07-2017
Zaaknummer
200.200.647
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

7:376 en 7:355 BW. Bedrijfsmatige landbouw. Onderverpachting.

Verpachtster vordert ontbinding van de pachtovereenkomst. Het hof gelast een comparitie en beveelt partijen nadere stukken in het geding te brengen, waaronder schriftelijke verklaringen van personen die weet hebben van de samenwerking tussen pachter en een andere agrariër.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2017/453
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem


afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.200.647

(zaaknummer rechtbank Noord Nederland 4804839)

arrest van de pachtkamer van 11 juli 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. J.M.E. Hamming,

tegen:

het kerkgenootschap
Protestantse Gemeente te Nes-Wierum,

gevestigd te Nes, gemeente Dongeradeel,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: de protestantse gemeente,

advocaat: mr. M. Schuring.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van
26 april 2016 en 23 augustus 2016 die de pachtkamer te Leeuwarden (rechtbank Noord-Nederland) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 21 september 2016 met grieven,

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

[appellant] vordert in het hoger beroep - kort samengevat - het vonnis van 23 augustus 2016 te vernietigen en de vorderingen van de protestantse gemeente alsnog af te wijzen met haar veroordeling in de kosten van beide instanties alsmede tot terugbetaling van de proceskosten in eerste instantie die [appellant] aan haar heeft voldaan.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten:

3.1

[appellant] pacht al geruime tijd van de protestantse gemeente vier percelen, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie C, nummers 623, 638, 1059 en 1060, totaal groot 6.77.20 ha, gelegen aan de [straat] te [plaats] en de [straat] te [plaats] tegen een pachtprijs van € 4.702,41. Hij heeft zelf in eigendom een boerderij met gebouwen en erf. Het totale areaal is ongeveer 7,5 ha.

3.2

Op de percelen worden pootaardappelen en tarwe geteeld (in het verleden ook uien). [appellant] werkt samen met [A] , die werkzaamheden op het gepachte verricht.

3.3

Op de gecombineerde opgave van 2013 heeft [appellant] onder ‘bedrijfsoppervlakte’ 4,31 ha opgegeven, op de opgave 2014, 2,61 ha en op de gecombineerde opgave 2015 5,41 ha.

3.4

In de jaarrekening 2014 van [appellant] staat onder de kerngegevens van de onderneming vermeld:
“Grootte van het bedrijf (in ha.) 2014 2013
In eigendom 1.06 1.06
Gepacht 6.50 6.50
Verpacht 4.11 -2.11
Bedrijfsoppervlakte 3.45 5.45.
In deze jaarrekening is ook vermeld dat in 2013 € 4.880 aan pacht is ontvangen en in 2014
€ 8.675.

3.5

Bij brief van 17 december 2015 heeft de protestantse gemeente [appellant] bericht dat hij tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen op grond waarvan de protestantse gemeente gerechtigd is de ontbinding van de pachtovereenkomst te vorderen. Zij heeft [appellant] een beëindigingsovereenkomst voorgelegd ter vermijding van een procedure. [appellant] heeft daarop niet gereageerd.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

De protestantse gemeente heeft in eerste aanleg de ontbinding van de pachtovereenkomsten gevorderd en ontruiming van de gepachte percelen.

4.2

De pachtkamer heeft bij vonnis van 23 augustus 2016 de vorderingen toegewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

5 Debeoordelingvanhethogerberoep

5.1

De protestantse gemeente grondt haar ontbindingsvordering op de stellingen dat [appellant] het gepachte niet (meer) aanwendt voor bedrijfsmatige landbouw en dat hij het gepachte zonder toestemming heeft onderverpacht aan [A] .

5.2

Gelet op jaarrekening 2014 had [appellant] in 2013 5,45 ha in gebruik en in 2014 3,45 ha. Volgens de gecombineerde opgaven was het in die jaren nog minder. Voor een akkerbouwbedrijf is dat bepaald weinig zodat het vermoeden gerechtvaardigd is dat geen sprake (meer) is van bedrijfsmatige landbouw. Ook indien moet worden aangenomen dat [appellant] het gehele areaal van 7,5 ha zelf beteelt, roept dat de vraag op of sprake is van bedrijfsmatige landbouw. Anderzijds volgt uit diezelfde jaarrekening 2014 dat de opbrengsten uit de akkerbouw in 2013 € 37.107 waren en in 2014 € 24.194 terwijl de kosten relatief laag zijn en er nog investeringen gepleegd lijken te worden. Uit de overgelegde overzichten 2009 – 2012 (productie 6 bij conclusie van antwoord) volgt dat [appellant] met de akkerbouw in die jaren steeds winst heeft geboekt, regelmatig voldoende om zich een redelijk inkomen te verwerven. [appellant] heeft daarnaast inkomsten uit loondienst omdat hij op tijdelijke basis als aardappelkeurmeester voor de N.A.K. werkt. Het hof zal in het licht van deze feiten en omstandigheden met partijen compareren over de vraag of sprake is van bedrijfsmatige landbouw. Het zal [appellant] opdragen om de opgave gewaspercelen van 2016 en 2017 en de jaarrekeningen van de laatste twee jaren (2015-2016) over te leggen.

5.3

De omvang van het volgens jaarrekening 2014 ter beschikking staande bedrijfsareaal heeft mede te maken met de samenwerking met [A] . Naar het hof begrijpt, stelt [appellant] een deel van het gepachte ter beschikking aan [A] voor de teelt van pootaardappelen. Volgens de jaarrekening gebeurt dat door onderverpachting, maar [appellant] stelt in deze procedure dat hij de zeggenschap over de gronden niet heeft afgestaan. Daarnaast heeft hij zich op het standpunt gesteld dat hij en [A] de afspraak hebben dat de winst van de pootaardappelen, die op het telersnummer van [A] worden verhandeld, bij helfte wordt gedeeld. In de jaarrekening 2014 is die afspraak, althans zijn de resultaten daarvan, overigens niet terug te vinden. Wat de overige teelten betreft, heeft [appellant] ter comparitie in eerste aanleg verklaard dat [A] veelal de werkzaamheden op het veld doet en daarvoor op basis van hectaretarief wordt betaald. Zaaigoed en kunstmest koopt [appellant] zelf in en de opbrengsten zijn ook voor hem, aldus [appellant] .

5.4

[appellant] heeft voorts aangevoerd dat de rechtsvoorganger van de protestantse gemeente, de Hervormde Gemeente, wist van de samenwerking met [A] en daarmee akkoord was. [appellant] biedt daar ook bewijs van aan. Hij heeft verklaringen in het geding gebracht van [B] , voormalig voorzitter van de kerkvoogdij van de Hervormde Gemeente (productie 10 in eerste aanleg) en een brief van [A] aan [C] , voormalig kerkrentmeester en ouderling (productie 8 in eerste aanleg).

5.5

Uit deze stukken volgt niet (voldoende) dat de rechtsvoorgangster van de protestantse gemeente van de hoed en de rand wist wat de samenwerking tussen [appellant] en [A] betreft, in het bijzonder niet dat zij ervan op de hoogte was dat de terbeschikkingstelling van een deel van het gepachte aan [A] een structureel karakter had, [A] aan [appellant] een vergoeding betaalde voor het gebruik (hetzij door winstdeling hetzij door de betaling van pacht, zoals vermeld in de jaarrekening 2014) en de werkzaamheden op het land grotendeels aan [A] werden overgelaten. Indien (alsnog) kan worden aangenomen dat men hiervan wel degelijk al jarenlang op de hoogte was en daartegen geen bezwaar had, kan worden uitgegaan van stilzwijgende toestemming voor het niet-persoonlijk gebruik van het gepachte/de onderverpachting.

5.6

Het hof zal [appellant] bevelen om voorafgaand aan de comparitie (nadere) schriftelijke verklaringen in het geding te brengen van [A] , [D] , voormalig rentmeester, [E] , voormalig kerkrentmeester en de voornoemde [B] en [C] . In de verklaringen van [D] , [E] , [B] en [C] zullen in ieder geval de volgende vragen aan de orde dienen te komen:
- hoe en in welke hoedanigheid kent u [appellant] en/of [A] ?
- hoe lang kent u elkaar en hoe intensief bent u bij elkaar betrokken (geweest)?
- wat weet u inhoudelijk precies over de samenwerking tussen [appellant] en [A] met betrekking tot de gepachte percelen?
- heeft u met [appellant] en/of [A] (een) gesprek(ken) gevoerd of gecommuniceerd over de pacht en de samenwerking tussen [appellant] en [A] en zo ja, wat was daarvan de inhoud of strekking?

5.7

Het hof beveelt de protestantse gemeente om eveneens schriftelijke verklaringen in het geding te brengen die licht kunnen werpen op de zaak.

5.8

Tijdens de comparitie zal naast het inwinnen van inlichtingen besproken worden of er aanleiding is voor (nadere) bewijslevering en zal tevens een minnelijke regeling beproefd worden.

Slotsom

5.9

Het hof gelast een comparitie van partijen. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bepaalt dat partijen, wat de protestantse gemeente betreft vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en hetzij bevoegd hetzij speciaal schriftelijk gemachtigd is tot het aangaan van een schikking, tezamen met hun advocaten zullen verschijnen voor de pachtkamer van het hof, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader te bepalen tijdstip, voor de hiervoor omschreven doelen en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden november 2017 tot en met april 2018 zullen opgeven op de roldatum 25 juli 2017, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat partijen de stukken als bedoeld in rov. 5.2, 5.6 en 5.7 in het geding dienen te brengen en dat partijen ervoor dienen te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van die stukken hebben ontvangen, wat betreft de voor het hof bestemde stukken in zesvoud;

bepaalt dat bij deze comparitie geen gelegenheid bestaat om pleitnotities voor te dragen;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van de comparitie van partijen nog een proces-handeling wenst te verrichten of andere producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat de pachtkamer en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen, wat betreft de voor het hof bestemde stukken in zesvoud;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, F.J.P. Lock en H.L. Wattel en de deskundige leden ir. W.G. Nijlant en ir. J.H. Jurrius, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2017.