Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5910

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
16/00937
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:3434, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

LB/PVV. Belast loon? Tegemoetkoming van pensioenfonds voor Zvw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1820
V-N 2017/51.18.30
Viditax (FutD), 28-07-2017
FutD 2017-1894
NTFR 2017/2100 met annotatie van mr. J.D. Schouten
NLF 2017/1881 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 16/00937

uitspraakdatum: 11 juli 2017

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 juni 2016, nummer AWB 15/6683, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Op de pensioenbetalingen aan belanghebbende over de maanden juni en juli 2015 zijn bedragen aan loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: LB/PVV) ingehouden.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken de bezwaren afgewezen en geen teruggaaf verleend.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij mondelinge uitspraak van 28 juni 2016 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede de nadere stukken die nadien nog door belanghebbende zijn ingezonden.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2017 te Arnhem. Daarbij is verschenen en gehoord belanghebbende, tot bijstand vergezeld door zijn echtgenote. De Inspecteur heeft het Hof, voorafgaande aan de mondelinge behandeling, telefonisch bericht dat hij niet ter zitting kon verschijnen. De Inspecteur heeft niet om aanhouding van de mondelinge behandeling verzocht. Bij brief van 21 juni 2017 heeft de Inspecteur nader toegelicht dat sprake was van stremmingen in het openbaar vervoer. Het Hof is de mondelinge behandeling aangevangen op het aangezegde tijdstip 10.45 uur.

1.7

De Inspecteur heeft, na de aanvang van de mondelinge behandeling, per fax een pleitnota met bijlage aan het Hof verzonden. Deze pleitnota heeft de kamer van het Hof die de zaak behandelt niet eerder bereikt dan na de sluiting van de mondelinge behandeling. Nu de Inspecteur niet ter zitting is verschenen kan van een pleitnota in eigenlijke zin geen sprake zijn. De Inspecteur heeft immers zijn standpunt niet aan de hand van de pleitnota kunnen bepleiten. Het in aanmerking nemen van de pleitnota als een gedingstuk zou, gelet op de late indiening ervan en de omstandigheid dat belanghebbende daarop niet heeft kunnen reageren, in strijd komen met de goede procesorde. Op grond daarvan zal het Hof voor de beslissing van het geding geen acht slaan op de pleitnota met bijlage. Het Hof vindt in de pleitnota met bijlage evenmin aanleiding het onderzoek te heropenen.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is werkzaam geweest in de verzekeringsbranche. Hij is gepensioneerd en ontvangt sedert 1 april 2006 een ouderdomspensioen van de Stichting [A] (hierna: het pensioenfonds).

2.2

Belanghebbende ontving in de jaren vóór 2013, in verband met het vervallen van een personeelskorting op de tot 1 januari 2006 geldende particuliere ziektekostenverzekering, een tegemoetkoming van het pensioenfonds die verband hield met de verschuldigde premie Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw). Deze tegemoetkoming werd bij het bepalen van de in te houden LB/PVV tot het loon gerekend.

2.3

Ook na de invoering van de Wet uniformering loonbegrip met ingang van 1 januari 2013 ontvangt belanghebbende van het pensioenfonds maandelijks een zogenoemde ‘tegemoetkoming ZVW BB’ (hierna: de tegemoetkoming). De tegemoetkoming bedroeg in 2015 € 180,56 per maand.

2.4

Bij het bepalen van de in te houden LB/PVV heeft het pensioenfonds het bruto pensioen van € 3.723 per maand verhoogd met de tegemoetkoming van € 180,56 en de inhoudingen berekend over een brutoloon van € 3.903,56. Tevens is door het pensioenfonds op het netto pensioen een bedrag aan door belanghebbende verschuldigde premie Zvw ingehouden van € 180,56.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de tegemoetkoming die belanghebbende ontvangt van het pensioenfonds tot zijn belastbare loon moet worden gerekend.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan heeft belanghebbende ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de Inspecteur en tot teruggaaf van de teveel ingehouden LB/PVV.

3.4

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Anders dan belanghebbende stelt, is het Hof niet gebleken dat het dossier waarover de Rechtbank heeft beschikt en waarop zij haar beslissing heeft gebaseerd, niet compleet was. Evenmin kan uit de bewoordingen in het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank worden afgeleid dat de Inspecteur van standpunt is veranderd in die zin dat hij het standpunt van belanghebbende (alsnog) onderschrijft. De Inspecteur heeft dit in zijn verweerschrift in hoger beroep ook nadrukkelijk verklaard.

4.2

Op grond van artikel 41 van de Zvw, zoals die bepaling luidt met ingang van 1 januari 2013, zijn de inhoudingsplichtige en de verzekeringsplichtige ieder zelfstandig en uit eigen hoofde een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd. Op grond van artikel 49 van de Zvw wordt de door de inhoudingsplichtige verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van loonbelasting geldende regels. Dat betekent dat de inhoudingsplichtige de door hem verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage periodiek op aangifte moet afdragen aan de Belastingdienst. De eigen premieplicht van de inhoudingsplichtige met ingang van de genoemde datum houdt verband met de door de wetgever gewenste uniformering en vereenvoudiging van het loonbegrip. Op dezelfde datum is artikel 46 van de Zvw komen te vervallen in welk artikel de plicht voor de inhoudingsplichtige was opgenomen om de inkomensafhankelijke bijdrage aan de verzekeringsplichtige te vergoeden.

4.3

Anders dan belanghebbende kennelijk meent, ziet de bepaling in artikel 42, eerste lid, van de Zvw, dat de “inhoudingsplichtige (…) een inkomensafhankelijke bijdrage [is] verschuldigd over het door hem verstrekte loon (…)” niet op de tegemoetkoming die het pensioenfonds verplicht is aan hem uit te betalen, maar op de in artikel 41 van de Zvw opgenomen verplichting van de inhoudingsplichtige tot periodieke afdracht van de inkomensafhankelijke bijdrage aan de Belastingdienst. Gesteld noch gebleken is dat de tegemoetkoming die belanghebbende ontvangt op enige andere bepaling in de Zvw is gebaseerd.

4.4

De tegemoetkoming die belanghebbende ontvangt van het pensioenfonds moet op grond van de in artikel 10, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB) opgenomen hoofdregel dat “loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten”, tot het belastbare loon van belanghebbende worden gerekend. Dat in het tweede gedeelte van genoemd eerste lid het begrip ‘vroegere dienstbetrekking’ niet wordt herhaald, doet daaraan niet af.

4.5

Belanghebbende beroept zich, voor zijn standpunt dat de tegemoetkoming niet tot zijn belastbare loon behoort, op artikel 11d van de Wet LB. Dit artikel is per 1 januari 2013 eveneens ingevoerd in het kader van de reeds genoemde uniformering en vereenvoudiging van het loonbegrip en strekt blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling ertoe dat bij de bepaling van het belastbare loon de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zvw die de inhoudingsplichtige en de verzekeringsplichtige verschuldigd zijn buiten aanmerking blijven (Kamerstukken II 2009/10, 32 131, nr. 3, blz. 33). Zoals hiervoor reeds is geoordeeld, vindt de tegemoetkoming die belanghebbende van het pensioenfonds ontvangt echter niet haar grond in enige bepaling van de Zvw.

4.6

Met zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel miskent belanghebbende dat in het onderhavige geval geen sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Voor zover sprake is van een inkomensafhankelijke bijdrage die de inhoudingsplichtige is verschuldigd bestaat, bij de toepassing van artikel 11d van de Wet LB, geen verschil in behandeling van actieve werknemers en gepensioneerden. In beide gevallen behoort de inkomensafhankelijke bijdrage die de inhoudingsplichtige op grond van de Zvw is verschuldigd, niet tot het loon. In het geval een actieve werknemer een tegemoetkoming van zijn inhoudingsplichtige ontvangt die vergelijkbaar is met de tegemoetkoming die belanghebbende ontvangt, behoort ook die tegemoetkoming tot het belastbare loon van die actieve werknemer op grond van artikel 10 van de Wet LB. Het standpunt van belanghebbende is gebaseerd op de, onjuiste, gedachte dat de tegemoetkoming zijn grond vindt in artikel 42 van de Zvw.

4.7

Gelet op het vorenstaande is het standpunt van de Inspecteur juist en heeft het pensioenfonds de tegemoetkoming terecht tot het belastbare loon van belanghebbende gerekend. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. N. Djebali en mr. J. Lamens, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is op 11 juli 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.H. Riethorst)

(J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 11 juli 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.