Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5888

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-07-2017
Datum publicatie
13-07-2017
Zaaknummer
WAHV 200.149.613
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Meervoudig arrest. Was de boa domein I Openbare Ruimte die in deze zaak de sanctie heeft opgelegd voor het handelen in strijd met een gesloten verklaring daartoe bevoegd? Ingevolge de destijds geldende Circulaire Buitengewoon Opsporingsambtenaar zijn de betreffende boa's bevoegd tot handhaving ter zake van de WVW 1994 en artikel 62 van het RVV 1990 in relatie tot de openbare orde. In de brief van het College van Procureurs-Generaal van 12 april 2011 met kenmerk Pag/B&S/15674 is een nadere invulling gegeven aan het begrip 'openbare orde.' Het hof beschouwt die brief niet als richtinggevend bij de beoordeling in deze zaak. Uit het verkeersbesluit valt niet op te maken dat 'openbare orde' ten grondslag heeft gelegen aan de instelling van de geslotenverklaring. Dat brengt mee dat de boa die de sanctie heeft opgelegd niet zonder meer bevoegd kan worden geacht verbaliserend op te treden ter zake van handelen in strijd met deze geslotenverklaring. De verbalisant heeft ook geen feiten of omstandigheden betrekking hebbend op de 'openbare orde' vermeld die voor hem aanleiding hebben gevormd om de sanctie op te leggen. De opgelegde sanctie wordt vernietigd omdat onvoldoende is gebleken dat deze is opgelegd door een daartoe bevoegde verbalisant.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2017/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.149.613

10 juli 2017

CJIB 165345996

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland

van 9 april 2014

Betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 85,- opgelegd ter zake van “als bestuurder handelen in strijd met een geslotenverklaring in beide richtingen”, welke gedraging zou zijn verricht op 1 september 2012 om 14.25 uur op het Gedempte Kattendiep te Groningen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. Deze gedraging betreft een overtreding van het bepaalde in artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (verder: RVV1990) in samenhang met bord C1 van Bijlage 1 bij dat reglement.

3. De betrokkene betwist niet dat hij in strijd met een geslotenverklaring heeft gehandeld. Hij voert in hoger beroep aan dat de buitengewoon opsporingsambtenaar (verder: boa) die deze gedraging heeft geconstateerd, onbevoegd was om ter zake van gedragingen als de onderhavige handhavend op te treden. Deze boa is aangesteld in het domein I Openbare Ruimte en uit dien hoofde louter bevoegd om ter zake van artikel 62 van het RVV 1990 op te treden, voor zover het de C-borden in relatie tot de openbare orde betreft. De betrokkene wijst in dit verband op het Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 25 oktober 2011, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Groningen in het domein I Openbare Ruimte, in samenhang met de destijds geldende Circulaire Buitengewoon Opsporingsambtenaar van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en de brief van de voorzitter van het College van Procureurs-Generaal d.d. 12 april 2011, waarbij de grens van de bevoegdheid van dergelijke boa's nader is geduid. Volgens de betrokkene is er in dit geval geen sprake van handhaving die is ingestoken vanuit de openbare orde. Hij beroept zich daarbij op de inhoud van het besluit van het College van Burgemeesters en Wethouders van de gemeente Groningen, waarbij onderhavige geslotenverklaring is ingesteld. In de optiek van de betrokkene blijkt daaruit onmiskenbaar dat de geslotenverklaring is ingesteld louter vanuit het belang van de verkeersveiligheid en derhalve niet van de openbare orde.

4. Blijkens de stukken van het dossier, waaronder door de betrokkene overgelegde akte van beëdiging van de verbalisant, is de onder 1. genoemde sanctie opgelegd door verbalisant [naam] , die is beëdigd als boa voor domein I Openbare Ruimte.

5. Volgens het Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van

25 oktober 2011 (nr. 5711436/Justis/11), strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Groningen in het domein I Openbare Ruimte, zijn de betreffende boa's bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot voornoemd domein, van bijlage A-1 van de destijds geldende Circulaire Buitengewoon Opsporingsambtenaar.

6. Bijlage A-1 van genoemde Circulaire houdt in - voor zover hier van belang - dat de betreffende boa's bevoegd zijn tot handhaving ter zake van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en artikel 62 van het RVV 1990, in relatie tot de openbare orde.

7. Het College van Procureurs-Generaal heeft bij brief d.d. 12 april 2011 (brief met kenmerk Pag/B&S/15674) beoogd onduidelijkheid over de bevoegdheid van de boa's uit onder andere domein I weg te nemen:

Volgens het College van Procureurs-Generaal zijn boa's uit domein I uitsluitend bevoegd voor de WVW 1994 in de navolgende gevallen:

(…)

b. Voor een beperkt aantal overtredingen met betrekking tot rijdend verkeer, te weten (…) artikel 62 van het RVV 1990 voor zover dit artikel betrekking heeft op overtreding van de

C-borden en de handhaving hiervan is ingestoken vanuit de openbare orde problematiek en niet de verkeersveiligheid.

(…)

Het College heeft verder opgemerkt dat het zich realiseert dat het criterium openbare orde versus verkeersveiligheid in de praktijk soms moeilijk is te operationaliseren. Verkeersborden hebben immers weinig met openbare orde te maken. Het criterium openbare orde dient echt zo te worden verstaan, aldus het College, dat daaronder tevens valt het tegengaan van overlast, bijvoorbeeld door sluipverkeer, en het verbeteren van de leefbaarheid, bijvoorbeeld door bepaalde gebieden af te sluiten voor (vracht) auto's, de zogenaamde milieuzones.

8. Met betrekking tot de hier toepasselijke regelgeving overweegt het hof als volgt. Het hof wordt gesteld voor de vraag of de boa die in deze zaak een sanctie heeft opgelegd, daartoe wel bevoegd was. De begrenzing van zijn bevoegdheid wordt bepaald door het onder 5. genoemde Besluit, in samenhang met de onder 6. genoemde Circulaire. In de kern is de bevoegdheid van deze boa beperkt: louter in relatie tot de openbare orde is hij bevoegd op te treden ter zake van gedragingen als deze. Het begrip 'openbare orde' is niet nader geduid in het Besluit of in de Circulaire.

Het dossier bevat daarnaast de onder 7. genoemde brief, waarbij door het College van Procureurs-Generaal een nadere invulling aan het begrip 'openbare orde' is gegeven. Het betreft hier niet een interpretatie afkomstig van de bevoegde instantie, de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Bovendien is de door het College gegeven interpretatie naar het oordeel van het hof te ruim: het in deze brief genoemde 'verbeteren van de leefbaarheid' is op zichzelf niet een belang dat als zodanig valt onder de reikwijdte van het begrip 'openbare orde', in de betekenis die daar naar algemeen spraakgebruik aan toe komt. Het hof beschouwt deze brief daarom niet als richtinggevend bij de beoordeling in deze zaak.

9. Het door de betrokkene overgelegde besluit van het College van Burgemeesters en Wethouders van de gemeente Groningen van 18 juni 1997, strekkende tot de instelling van onderhavige geslotenverklaring, houdt in - voor zover hier van belang -:

“ (…)

- dat het Gedempte Kattendiep is/wordt geherprofileerd;

- dat de intensiteit van het voetgangersverkeer hoog is;

- dat deze maatregel in het algemeen omgevings- en verkeersbelang wenselijk c.q.

noodzakelijk moet worden geacht;

- dat tevens bij de belangenafweging de belangen van de taxi en horecaondernemingen zijn meegenomen en dat dit geresulteerd heeft in de openstelling van dit gebied voor taxi's;

- dat ook bij de belangenafweging de economische belangen van de middenstand zijn

meegenomen en dat dit geresulteerd heeft in de openstelling van dit gebied voor o.a. het

expeditieverkeer van 05.00 - 11.00 uur en van 18.00 - 20.00 uur. (…).”

10. Uit dit besluit valt op te maken dat deze geslotenverklaring in het leven is geroepen, met het oog op het algemeen omgevings- en verkeersbelang, en dat de (economische) belangen van taxi-, horeca en (overige) middenstand hebben meegewogen bij de totstandkoming ervan. Uit dit besluit valt naar het oordeel van het hof niet op te maken dat de 'openbare orde' ten grondslag heeft gelegen aan de instelling van deze geslotenverklaring.

11. Het voorgaande brengt mee, dat de boa die onderhavige sanctie heeft opgelegd, niet zonder meer bevoegd kan worden geacht verbaliserend op te treden, ter zake van handelen in strijd met deze geslotenverklaring.

12. Het hof stelt vervolgens vast dat de verbalisant, in zijn initiële verklaring - zoals vervat in het brondocument - en in zijn aanvullende proces-verbaal van 12 februari 2013 geen feiten of omstandigheden heeft gegeven die betrekking hebben op de 'openbare orde' en die ten grondslag hebben gelegen aan (de oplegging van) deze sanctie; de verbalisant heeft in feite louter beschreven dat de betrokkene de geslotenverklaring heeft genegeerd, zonder zijn eigen (veronderstelde) bevoegdheid ter zake nader toe te lichten.

13. Gelet op het voorgaande is het hof onvoldoende gebleken dat onderhavige sanctie door een daartoe bevoegde verbalisant is opgelegd. De aan de betrokkene opgelegde sanctie kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal, met vernietiging van de beslissing van de kantonrechter en gegrondverklaring van het beroep, de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking, waarbij die sanctie is opgelegd, vernietigen.

14. Het hof acht termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de reiskosten die de betrokkene heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting van de kantonrechter. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Ingevolge die bepaling wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit komt neer op een bedrag van € 19,88 ( [woonplaats] - Groningen v.v. per openbaar vervoer).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 165345996 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de WAHV tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 19,88.

Dit arrest is gewezen door mrs. Sekeris, Beswerda en Van Schuijlenburg in tegenwoordigheid van mr. Verdoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.