Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5878

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
200.198.433/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie jongmeerderjarige. Weigering van de jongmeerderjarige om contact met haar vader te hebben geen grond voor matiging op basis van artikel 1:399 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2018/5
EB 2017/79
PFR-Updates.nl 2017-0219
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.198.433/01

(zaaknummer rechtbank C/19/113937 / FA RK 16-532)

beschikking van 6 juli 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: [verzoekster] of de jongmeerderjarige,

advocaat: mr. J.G.H. van der Kolk te Klazienaveen,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. F. Zoer te Hoogeveen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 22 juni 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 1 september 2016;

- het verweerschrift tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;

- een journaalbericht van mr. Zoer van 30 januari 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Van der Kolk van 31 januari 2017 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 14 februari 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Van der Kolk heeft ter zitting - met toestemming van het hof - de bij de bestreden beschikking behorende draagkrachtberekening overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1

De vader is gehuwd geweest met [C] (hierna: de moeder). Uit dit huwelijk zijn geboren de thans meerderjarige [D] , [in] 1994, en de thans jongmeerderjarige [verzoekster] , [in] 1998.

3.2

Bij beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 20 september 2011 is - voor zover hier van belang - de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 16 september 2009 bepaald op
€ 200,- per kind per maand.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank van 17 december 2014 is voornoemde beschikking van het hof gewijzigd in die zin dat de onderhoudsbijdragen van de vader ten behoeve van de kinderen met ingang van 5 juni 2014, de datum van toelating tot de WSNP, voor de duur van de schuldsanering op nihil zijn gesteld.

3.4

Bij vonnis van 4 maart 2016 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling opgeheven op grond van het feit dat de vorderingen, ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, zijn voldaan.

3.5

Geïndexeerd naar 2016 bedraagt de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [verzoekster]
€ 219,12 per maand.

3.6

Bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie op 10 maart 2016, heeft de vader de rechtbank verzocht de door hem te betalen kinderalimentatie ten behoeve van de jongmeerderjarige op nihil te stellen met ingang van 4 maart 2016, de datum van het eindigen van de schuldsaneringsregeling. De jongmeerderjarige heeft een verweerschrift ingediend.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de door de vader met ingang van 4 maart 2016 aan de jongmeerderjarige te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de beschikking van 17 december 2014 gewijzigd in die zin dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [verzoekster] met ingang van 4 maart 2016 op nihil wordt gesteld.

4.2

De jongmeerderjarige verzoekt het hof deze beschikking te vernietigen en opnieuw beslissende de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie met ingang van 4 maart 2016 op een bedrag van € 112,- per maand te stellen, althans op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof in goede justitie vermoge te behagen. Tevens heeft de jongmeerderjarige verzocht onderzoek te laten doen naar de huidige arbeidsgeschiktheid van de echtgenote van de vader. De grieven van de jongmeerderjarige zien op de draagkracht van de vader en de aanvaardbaarheidstoets.

4.3

De vader heeft het hoger beroep van de jongmeerderjarige bestreden. Tevens heeft hij voorwaardelijk appel ingesteld en verzocht - indien een of meer door de jongmeerderjarige ingediende grieven slaagt - de niet financiële factoren inzake de onderhoudsverplichting van vader jegens de jongmeerderjarige alsnog te beoordelen, alsmede de behoefte van de jongmeerderjarige, de draagkracht van beide ouders en ieders aandeel vervolgens in de eventuele behoefte van de jongmeerderjarige, en dan te bepalen of de vader nog enige bijdrage aan de jongmeerderjarige dient te voldoen. De vader heeft drie voorwaardelijke grieven ingediend. De eerste grief betreft zijn beroep op de matigingsbevoegdheid. In de tweede grief stelt de vader de behoefte van de jongmeerderjarige aan de orde. De derde grief ziet op de draagkracht van de moeder van de jongmeerderjarige.

4.4

Niet in geschil is dat als ingangsdatum van de eventueel te wijzigen onderhoudsbijdrage 4 maart 2016 wordt gehanteerd.

5 De motivering van de beslissing

Wijziging van omstandigheden

5.1

Tussen partijen is niet in geschil dat zich sinds 4 maart 2016 een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), nu per die datum de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de vader is beëindigd. Zij zijn het erover eens dat deze wijziging een hernieuwde beoordeling van de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [verzoekster] rechtvaardigt.

5.2

Het hof overweegt dat deze wijziging van omstandigheden - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - slechts kan leiden tot wijziging van de beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 20 september 2011. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank bij de bestreden beschikking ten onrechte de beschikking van de rechtbank van 17 december 2014 gewijzigd, nu bij laatstgenoemde beschikking de alimentatieverplichting voor de duur van de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de vader op nihil is gesteld en dit tot gevolg heeft dat de bij beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 20 september 2011 vastgestelde onderhoudsbijdrage ten behoeve van [verzoekster] bij beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de vader weer van kracht is geworden.

5.3

Alvorens de grieven inzake de draagkracht van de vader en de aanvaardbaarheidstoets te bespreken, zal het hof de voorwaardelijke grieven inzake de matigingsbevoegdheid en de behoefte van de jongmeerderjarige behandelen. Nu - zoals later in deze beschikking overwogen wordt - een van de grieven van de jongmeerderjarige slaagt, dient het voorwaardelijk incidenteel appel en daarmee de grieven van de vader aan de orde te komen.

Ten aanzien van de matigingsbevoegdheid op grond van artikel 1:399 BW

5.4

De vader heeft gesteld dat het, gelet op het gedrag dat [verzoekster] jegens hem heeft getoond, in redelijkheid niet van hem gevergd kan worden dat hij een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie aan [verzoekster] verstrekt.

5.5

Op grond van artikel 1:395a lid 1 BW zijn ouders verplicht te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van een en twintig jaren niet hebben bereikt. Ingevolge artikel 1:399 BW kan de rechter de verplichting van bloed- en aanverwanten tot levensonderhoud matigen op grond van zodanige gedragingen van de tot onderhoud gerechtigde, dat verstrekking van levensonderhoud naar redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd. Hierbij is niet het gedrag op zichzelf bepalend, maar het bij zodanig gedrag vragen om financiële ondersteuning van de onderhoudsplichtige dat een zodanig kwetsend karakter voor de onderhoudsplichtige moet hebben dat van hem de gevraagde onderhoudsbijdrage in redelijkheid niet of niet ten volle gevergd kan worden. Anders dan bij minderjarige kinderen is de onderhoudsplicht van ouders jegens hun jongmeerderjarige kinderen niet uitgezonderd van deze matigingsbevoegdheid.

5.6

Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat sprake is van zodanige gedragingen van de zijde van de jongmeerderjarige dat in redelijkheid niet of niet ten volle van de vader gevergd kan worden dat hij een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie aan de jongmeerderjarige verstrekt. De enkele weigering van een jongmeerderjarig kind om contact met de ouder te hebben, wordt niet als zodanig grievend beschouwd, dat dit een grond voor matiging oplevert. Evenmin is de omstandigheid dat [verzoekster] haar achternaam heeft gewijzigd in die van de moeder, een grond daartoe.

De behoefte van [verzoekster]

5.7

Uit de behandeling ter zitting is naar voren gekomen dat [verzoekster] per 1 september 2015 een hbo-opleiding is gaan volgen en dat zij hiermee in juni 2016 is gestopt. Per 1 september 2016 volgt zij een andere hbo-opleiding. Het hof leidt uit de stukken inzake DUO af dat voor [verzoekster] het nieuwe leenstelsel geldt. [verzoekster] is thuiswonend.

5.8

Anders dan voor minderjarigen is voor de berekening van de behoefte van studerende meerderjarige kinderen in de leeftijd van achttien tot eenentwintig jaar nog geen systeem ontwikkeld. Doorgaans wordt om die reden voor deze studerende meerderjarige kinderen voor de behoeftebepaling aansluiting gezocht bij de zogenoemde WSF-norm waarin bedragen zijn verdisconteerd voor levensonderhoud, ziektekosten en studiekosten.

5.9

Overeenkomstig hetgeen gebruikelijk is, sluit het hof voor de bepaling van de behoefte van [verzoekster] voor de periode vanaf 4 maart 2016 aan bij voornoemde WSF-norm voor studenten in het hoger beroepsonderwijs. Het hof ziet geen aanleiding hiervan af te wijken.

5.10

Nu als ingangsdatum 4 maart 2016 zal worden gehanteerd en [verzoekster] thuiswonend is, zal het hof aansluiten bij de WSF-norm voor thuiswonende studenten in het hoger beroepsonderwijs. Deze bedraagt per januari 2016 afgerond € 818,- per maand, per september 2016 afgerond € 819,- per maand en per januari 2017 gaat het hof uit van een WSF-norm van afgerond € 825,- per maand. Het hof stelt de behoefte van [verzoekster] dan ook vast op (afgerond) € 818,- over de periode van 4 maart 2016 tot 1 september 2016, op (afgerond) € 819,- over de periode van 1 september 2016 tot 1 januari 2017 en op (afgerond) € 825,- over de periode vanaf 1 januari 2017.

5.11

Als student aan een hbo-opleiding heeft [verzoekster] sinds de invoering van het leenstelsel recht op een studievoorschot. Dit betreft een lening die terugbetaald moet worden zodat het hof, los van de vraag of [verzoekster] hiervan gebruik maakt, hiermee geen rekening houdt bij de behoeftebepaling van [verzoekster] .

5.12

Uit de overgelegde stukken inzake DUO blijkt dat [verzoekster] recht heeft op een aanvullende beurs en dat deze per november 2016 € 383,77 bedroeg en per januari 2017
€ 253,-. Gelet hierop gaat het hof er vanuit dat [verzoekster] over de periode van 4 maart 2016 tot november 2016 eveneens een aanvullende beurs ontving, en wel van € 383,77. Weliswaar heeft [verzoekster] haar opleiding in juni 2016 beëindigd, maar vanwege het feit dat zij een korte periode daarna een nieuwe opleiding is gestart ziet het hof reeds om proceseconomische redenen geen aanleiding anders te oordelen.

5.13

Niet in geschil is dat de aanvullende beurs in mindering dient te worden gebracht op de behoefte van [verzoekster] .

5.14

[verzoekster] ontvangt tevens een zorgtoeslag. Nu uit de overgelegde stukken blijkt dat deze in 2016 € 83,- per maand bedroeg, zal het hof dit bedrag in mindering brengen op haar behoefte.

5.15

Het hof overweegt voorts, onder verwijzing naar artikel 1:392 lid 2 BW, dat de onderhoudsplicht van de vader jegens [verzoekster] vanaf haar achttiende verjaardag niet slechts geldt bij behoeftigheid. Aan [verzoekster] kan met andere woorden tot haar 21ste verjaardag niet de eis worden gesteld dat zij door te gaan werken in eigen levensonderhoud gaat voorzien, ook al zou zij daartoe in staat zijn. Wel kan op grond van de redelijkheid en billijkheid rekening worden gehouden met eventuele eigen inkomsten van de jongmeerderjarige.

5.16

Uit de stukken en de behandeling ter zitting komt naar voren dat [verzoekster] van juni 2016 tot september 2016 ongeveer tien uren per week bij een cafetaria heeft gewerkt, tegen een uurloon van ongeveer € 4,50 bruto. Zij is met deze bijbaan gestopt omdat zij deze vanwege haar schooltijden en reistijd niet kon combineren met haar nieuwe opleiding. Nu [verzoekster] over een korte periode een beperkt bedrag aan inkomsten uit arbeid heeft gegenereerd, acht het hof het niet redelijk om hiermee rekening te houden.

5.17

Gelet op het voorgaande becijfert het hof de resterende behoefte van [verzoekster] aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie over de periode van 4 maart 2016 tot 1 september 2016 op (€ 818,- - afgerond € 384,- - € 83,- is) € 351,- per maand, over de periode van 1 september 2016 tot 1 januari 2017 op (€ 819,- - afgerond € 384,- - € 83,- is)
€ 352,- per maand en over de periode vanaf 1 januari 2017 op (€ 825,- - afgerond € 254,- -
€ 83,- is) € 488,- per maand.

Het aandeel van de vader in de kosten van [verzoekster]

* de draagkracht van de vader

5.18

Het hof dient te beoordelen in welke verhouding de vader dient bij te dragen in de behoefte van [verzoekster] .

5.19

Het hof volgt in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat de behoefte van de kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van een draagkrachttabel, waarbij op forfaitaire wijze rekening is gehouden met de kosten van levensonderhoud van de onderhoudsplichtige. In hetgeen is aangevoerd ziet het hof geen aanleiding van de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen af te wijken, noch op grond van paragraaf 7.2 in die zin dat het draagkrachtloos inkomen van de vader wordt verhoogd, noch op grond van paragraaf 7.3 en wel in het kader van de aanvaardbaarheidstoets, voor zover de vader daarop een beroep heeft willen doen. In dat verband verwijst het hof naar hetgeen hierna wordt overwogen in het kader van de aanvaardbaarheidstoets.

5.20

Nu het hof uitgaat van het forfaitaire stelsel, laat het hof hetgeen is aangevoerd over het al dan niet betrekken van de nieuwe echtgenote van de vader als niet relevant buiten beschouwing. De grief van de jongmeerderjarige inzake de draagkracht van de vader en wel op het punt van zijn nieuwe echtgenote slaagt derhalve in zoverre. Voor zover de jongmeerderjarige heeft verzocht om een onderzoek in te stellen naar de arbeidsongeschiktheid van de nieuwe echtgenote van de vader, behoeft dit in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen geen bespreking meer.

5.21

Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de vader zijn netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt nemen. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn.

5.22

Hoewel [verzoekster] in haar verweerschrift in het incidenteel appel heeft aangevoerd dat de vader de gegevens inzake zijn aanvullend pensioen dient te verstrekken teneinde zijn netto besteedbaar inkomen opnieuw te berekenen, is ter zitting naar voren gekomen dat de jongmeerderjarige hiermee het pensioen inzake [E] heeft bedoeld. Nu de vader hierover de benodigde financiële stukken heeft overgelegd behoeft deze stelling van [verzoekster] reeds om die reden geen verdere bespreking meer.

5.23

Nu als ingangsdatum van de eventueel te wijzigen onderhoudsbijdrage 4 maart 2016 zal worden gehanteerd, zal het hof uitgaan van het inkomen van de vader zoals dat blijkt uit de jaaropgaven 2015 inzake zijn WAO/WIA-uitkering en het pensioen inzake [E] , te weten in totaal (€ 17.670,- + € 5.849,- is) € 23.519,- bruto. Het hof berekent het netto besteedbaar inkomen van de vader, evenals de jongmeerderjarige, op € 1.404,- netto per maand. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting (tarieven 2016-1). Het hof verwijst naar de aangehechte berekening.

5.24

De draagkracht van de vader over de periode vanaf 4 maart 2016 zal worden vastgesteld aan de hand van de toepasselijke draagkrachttabel (2016), nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat lager is dan € 1.450,- per maand. Uitgaande van die tabel leidt het inkomen van de vader - conform de berekening door de jongmeerderjarige - tot een beschikbare draagkracht van € 112,- per maand.

De draagkracht van de moeder

5.25

Uit de stukken blijkt dat de moeder een WAO-uitkering ontvangt ten bedrage van (in 2016) € 1.343,93 bruto per maand. Gelet hierop gaat het hof uit van een minimale draagkracht aan de zijde van de moeder van € 25,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

5.26

De resterende behoefte van [verzoekster] bedraagt over de periode van 4 maart 2016 tot 1 september 2016 € 351,- per maand, over de periode van 1 september 2016 tot 1 januari 2017
€ 352,- per maand en over de periode vanaf 1 januari 2017 € 488,- per maand.

De draagkracht van alle onderhoudsplichtigen tezamen bezien, beschikken zij over onvoldoende draagkracht om in de behoefte van alle kinderen voor wie zij onderhoudsplichtig zijn te voorzien, zodat een draagkrachtvergelijking achterwege kan blijven.

Aanvaardbaarheidstoets

5.27

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting begrijpt het hof dat de vader een beroep heeft gedaan op de aanvaardbaarheidstoets.

5.28

Bij de beoordeling van een beroep op de aanvaardbaarheidstoets dient voorop te worden gesteld dat alleen in uitzonderingsgevallen kan worden afgeweken van de forfaitaire benadering c.q. het rekenmodel omdat de wettelijke onderhoudsverplichting van ouders jegens hun kinderen niet vrijblijvend is en de ouders zich derhalve in dat kader rekenschap zullen dienen te geven van de financiële keuzes die zij maken. Van een onaanvaardbare situatie als hier bedoeld is sprake indien de onderhoudsplichtige bij de vast te stellen bijdrage niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien of van zijn inkomen na vermindering van de lasten minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt, waarbij er in beginsel vanuit wordt gegaan dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

5.29

Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om te stellen en te onderbouwen dat daarvan sprake is en meer in het bijzonder dat de op basis van het rekenmodel vastgestelde kinderbijdrage niet aanvaardbaar is, alle omstandigheden in aanmerking genomen. Tot de omstandigheden die van belang zijn worden onder meer gerekend, de financiële situatie (inkomen en vermogen) van de onderhoudsplichtige, de noodzaak van de lasten, de mogelijkheid zich van de lasten te bevrijden, de verhouding tussen de onderhoudsplichtigen en de zorgregeling.

5.30

Bij een beroep op de aanvaardbaarheidstoets wordt van de onderhoudsplichtige verwacht dat hij volledig en duidelijk - door middel van een overzicht van zijn inkomsten en uitgaven met onderliggende stukken en een toelichting daarop - inzicht geeft in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen. De rechter dient vervolgens te beoordelen of bij vaststelling van de volgens het rekenmodel berekende bijdrage onvoldoende rekening zou worden gehouden met alle omstandigheden die zijn draagkracht beïnvloeden, zodat geen sprake meer is van een bijdrage conform de wettelijke maatstaven. Bij die beoordeling dient onder meer de jurisprudentie van de Hoge Raad op het gebied van draagkracht (verdiencapaciteit), fictieve draagkracht en schulden tot zijn recht te komen. In dat verband spelen de verwijtbaarheid en de mogelijkheid tot vermijding van de lasten een rol. Bij de invulling van deze begrippen wordt aangesloten bij de jurisprudentie.

5.31

Het hof is in dit verband van oordeel dat de vader onvoldoende heeft onderbouwd dat de op basis van het rekenmodel vastgestelde onderhoudsbijdrage van in totaal € 112,- per maand, alle omstandigheden in aanmerking genomen, niet aanvaardbaar is. Daarbij acht het hof ook van belang dat de jongmeerderjarige een berekening heeft gemaakt waaruit blijkt dat de vader een bedrag van € 123,- per maand beschikbaar heeft uitgaande van de 90% op grond van de voor hem geldende bijstandsnorm. De jongmeerderjarige heeft in de berekening rekening gehouden met het inkomen van de man, de algemene heffingskorting die aan de nieuwe echtgenote wordt toegerekend, de volledige huurlast, de huurtoeslag, de premies ziektekostenverzekering van de vader en zijn echtgenote en zorgtoeslag. Het hof is van oordeel dat de vader deze berekening onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Het had op de weg van de vader gelegen volledig inzicht te geven in zijn lasten en bestedingen en deze met stukken te onderbouwen.

Terugbetalingsverplichting

5.32

Het hof begrijpt uit de stukken dat de vader geen onderhoudsbijdrage aan [verzoekster] heeft voldaan. Derhalve zal er door de onderhavige beschikking geen terugbetalingsverplichting ontstaan.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen en te beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 22 juni 2016 en opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 20 september 2011 voor zover deze betreft de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [verzoekster] , geboren [in] 1998, en bepaalt dat de vader aan [verzoekster] met ingang van 4 maart 2016 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie € 112,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. van der Meer, A.W. Beversluis en G. Jonkman en is op 6 juli 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.