Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5865

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
21-002789-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen valsheid in geschrift en gewoontewitwassen. Criminele organisatie. Uitleg verklaring verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002789-13

Uitspraak d.d.: 26 juni 2017

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 21 januari 2013 met parketnummer 17-980003-11 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

De rechtbank heeft verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast zijn de inbeslaggenomen goederen verbeurdverklaard.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 17 februari 2015, 12 juni 2017, 27 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De op de beslaglijst onder 1 tot en met 56 vermelde goederen dienen te worden verbeurdverklaard. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof acht het, gelet op de mondelinge vordering ter terechtzitting, een kennelijke verschrijving dat op de schriftelijke vordering een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van 16 maanden is vermeld.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. V. Wolting, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij, op of omstreeks 6 september 2010, te [plaats 1] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen,

A.

een contract (volgens opdruk) tussen [naam 1] en [bedrijf opslagruimte] [plaats 1] ; (vindplaats document, D - 037) - zijnde een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken en/of vervalsen, immers heeft hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s) valselijk - in strijd met de waarheid - op/in dat geschrift

A.

de naam en/of adresgegevens van [naam 1] geplaatst en/of een handtekening geplaatst welke door moest gaan voor de handtekening van [naam 1] , althans een nagebootste of gefingeerde handtekening; zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.


2:
hij, op één of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 8 augustus 2010 tot en met heden, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s) toen en daar krachtens die gewoonte,

(telkens) van één of meer geldbedrag(en) en/of gouden siera(a)d(en) en/of gouden munt(en), althans enig(e) voorwerp(en), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren op dat/die geldbedrag(en) en/of gouden siera(a)d(en) en/of gouden munt(en), althans enig(e) voorwerp(en) en/of verborgen en/of verhuld wie dat/die geldbedrag(en) en/of gouden siera(a)d(en) en/of gouden munt(en), althans enig(e) voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die geldbedrag(en) en/of gouden siera(a)d(en) en/of gouden munt(en), althans enig(e) voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

en/of

dat/die geldbedrag(en) en/of gouden siera(a)d(en) en/of gouden munt(en), althans enig(e) voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet of van genoemd(e) geldbedrag(en) en/of gouden siera(a)d(en) en/of gouden munt(en), althans enig(e) voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die geldbedrag(en) en/of gouden siera(a)d(en) en/of gouden munt(en), althans enig(e) voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
3:
hij, op één of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 april 2010 tot en met 28 februari 2011, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie waarvan behalve hij, verdachte,

- [medeverdachte 1] ; en/of

- [medeverdachte 2] ; en/of

- (een) ander(en),

al dan niet in wisselende samenstelling, deel uitmaakte(n), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrij(f)(ven), te weten:

- het plegen van valsheid in geschrift (als bedoeld in artikel 225, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht); en/of

- het plegen van oplichting (als bedoeld in artikel 326 Wetboek van Strafrecht); en/of

- het plegen van witwassen (als bedoeld in artikel 420bis/ter/quater Wetboek van Strafrecht), althans enig misdrijf.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Algemeen

In het vonnis heeft de rechtbank (onder meer) de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld:

“Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt het volgende. In de maand juli 2010 is door een vijftal ondernemers uit Friesland een negatieve aangifte omzetbelasting gedaan over het tweede kwartaal van 2010. In een viertal gevallen is de Belastingdienst tot uitbetaling overgegaan; in een vijfde geval is het uit te betalen bedrag verrekend met een nog bij de Belastingdienst openstaande schuld. Nadat in augustus 2010 door de belastingadviseur van één van de betrokken ondernemingen contact werd gezocht met de Belastingdienst om te informeren naar de uitbetaling, is een onderzoek ingesteld. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat het bankrekeningnummer van de betrokken ondernemers zonder hun medeweten was gewijzigd middels een daartoe bestemd formulier (“Wijziging Rekeningnummers

Ondernemers”), waarna uitbetaling had plaatsgevonden op bankrekeningen die op naam stonden van een [medeverdachte 2] , medeverdachte in deze zaak.

De verdachte [verdachte] heeft tegenover de FIOD en ter terechtzitting verklaard dat hij op een zeker moment is benaderd door een persoon die hij in het merendeel van zijn verklaringen als “de opdrachtgever” aanduidt. Op diens verzoek heeft hij een andere verdachte, [medeverdachte 2] , bezocht. Van haar heeft hij onder meer bankpassen van door haar geopende rekeningen gekregen, alsmede de bij deze rekeningen behorende apparaten voor internetbankieren en een computer. Met behulp van de verkregen bescheiden heeft de verdachte, zo heeft hij toegegeven, op verzoek van zijn opdrachtgever veelvuldig aanzienlijke bedragen gepind en met dat geld onder meer gouden (beleggings)munten en gouden sieraden aangeschaft. In sommige gevallen gebruikte hij daarbij - opnieuw op verzoek van zijn opdrachtgever - een

vermomming. Een deel van het geld (….) is bij de verdachte [verdachte] thuis aangetroffen; verder zijn geld, munten en sieraden gevonden bij de vader van de verdachte, in de hierboven bedoelde opslagruimte en in een ladeblok in een bedrijfsruimte die toebehoort aan de vader of broer van de medeverdachte [medeverdachte 1] .”

Deze overweging is juist. Het hof sluit zich hierbij aan.

Met betrekking tot de aan verdachte ten laste gelegde feiten overweegt het hof als volgt.

Feit 1:

Onder 1 wordt verdachte verweten dat hij zich op of omstreeks 6 september 2010, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door een huurcontract te voorzien van een valse naam en handtekening.

Verdachte heeft dit feit bekend. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij in opdracht van de hiervoor genoemde opdrachtgever in [plaats 1] een box bij de mini-opslag heeft gehuurd onder de naam [naam 1] en dat hij een handtekening heeft gezet en dat hij het moest "doen voorkomen of dit de handtekening was van meneer [naam 1] ". De gegevens die hij op het contract heeft ingevuld, kreeg hij van de opdrachtgever.

Op grond van het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan de onder 1 ten laste gelegde valsheid in geschrift heeft schuldig gemaakt en dat hij hierbij tezamen en in vereniging met een ander (de opdrachtgever) heeft gehandeld.

Feit 2:

Onder 2 wordt verdachte verweten dat hij, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat hij niet goed wist waar hij mee bezig was toen hij geld pinde met de pasjes die hij van [medeverdachte 2] had gekregen en waar hij gouden munten en sieraden mee kocht. Verdachte wist naar eigen zeggen niet “waar het allemaal voor was”. Het hof vat dit zo op dat verdachte betwist dat hij ervan op de hoogte was dat het geld een criminele herkomst had en dat hij daarom geen opzet had op witwassen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Zoals hiervoor is vastgesteld is verdachte benaderd door een persoon die hem een voorstel deed waarmee hij geld kon verdienen. Verdachte heeft naar eigen zeggen enige tijd over dit voorstel nagedacht en heeft daar toen mee ingestemd. Hij heeft bankpasjes en bijbehorende gegevens opgehaald die op naam stonden van een ander en heeft daarmee vervolgens op locaties door heel Nederland geld gepind en grote hoeveelheden gouden munten en sieraden gekocht. Het pinnen gebeurde op doordachte wijze, immers werd er vaak kort vóór 00:00 gepind en kort ná 00:00, kennelijk in verband met de dagelijkse opnamelimiet. Daar komt nog bij dat verdachte op sommige momenten gebruik heeft gemaakt van vermommingen en dat hij op enig moment een deel van de aangekochte sieraden en munten bewaarde in een box bij de mini-opslag waarvan hij wist dat die onder een valse naam werd gehuurd. Een en ander overigens steeds bedacht door en op verzoek van een opdrachtgever, die geen duidelijke verklaring heeft gegeven aan verdachte over waarom verdachte deze handelingen (op de voorgeschreven wijze) moest verrichten en over waarom deze opdrachtgever dit niet zelf kon doen.

Door onder deze omstandigheden te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het door hem gepinde geld en het geld dat is gebruikt om gouden munten en sieraden te kopen, van misdrijf afkomstig was, zodat opzet op de criminele herkomst van het geld, de sieraden en de munten in voorwaardelijke zin aanwezig was. Het verweer van verdachte wordt derhalve verworpen.

Bewezen is daarmee dat verdachte geldbedragen, gouden sieraden en/of gouden munten heeft verworven, voorhanden gehad en/of omgezet, terwijl hij wist dat deze goederen onmiddellijk (geld) of middellijk (sieraden en munten) afkomstig waren uit misdrijf.

Ten aanzien van de geldbedragen is voorts bewezen dat verdachte, als medepleger, heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op die geldbedragen was (waren). Doordat de geldbedragen werden gestort op rekeningen van [medeverdachte 2] , waarna deze geldbedragen werden opgenomen en/of werden gebruikt voor het aankopen van sieraden en munten, werd verhuld dat deze geldbedragen afkomstig waren van de Belastingdienst en bedoeld waren voor de desbetreffende ondernemers.

Feit 3

Onder 3 wordt verdachte verweten dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot doel had het plegen van valsheid in geschrift, oplichting en witwassen.

Onder een organisatie zoals hiervoor bedoeld wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen verdachte en ten minste één andere persoon. Een zekere bestendigheid is vereist, echter is niet vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband telkens dezelfde is.

Door de raadsman van verdachte is ter terechtzitting van het hof bepleit dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte slechts als uitvoerder betrokken is geweest bij de door de opdrachtgever gepleegde valsheid in geschrifte, oplichting en het witwassen. Verdachte had daarbij een ondergeschikte rol. Volgens de raadsman kan om die reden niet worden bewezen dat er sprake is geweest van een criminele organisatie. Indien het bestaan van een criminele organisatie wel wordt aangenomen, dan kan niet worden bewezen dat verdachte op de hoogte is geweest van het oogmerk van een dergelijke organisatie.

Het hof volgt de raadsman hierin niet. Zoals hiervoor uiteen gezet, is bewezen dat verdachte gedurende langere tijd een veelheid aan handelingen heeft verricht, waarbij hij telkens op verzoek van de opdrachtgever handelde. Verdachtes bijdrage bestond uit het plegen van valsheid in geschrift; daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan witwassen door meermalen geld te pinnen met andermans bankpasje en dat pasje te gebruiken om munten en sieraden te kopen. Hij heeft het gepinde geld en de munten steeds (deels) afgedragen en deels bewaard. Daaruit blijkt dat verdachte behoorde tot én het opzet had op deelname aan een structureel samenwerkingsverband met de opdrachtgever en een aandeel had in dan wel gedragingen ondersteunde die strekten tot of rechtsreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. De opdrachtgever in kwestie was [medeverdachte 1] . Er was dus sprake van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen verdachte en die [medeverdachte 1] . Dat niet bewezen kan worden dat verdachte (tevens) opzet heeft gehad op de door de criminele organisatie beoogde oplichting, staat aan een bewezenverklaring niet in de weg. Blijkens de bewijsmiddelen was het grondmisdrijf van het witwassen de oplichting, die door [medeverdachte 1] is gepleegd en was het oogmerk van de organisatie dus (ook) op dat (grond)misdrijf gericht. Overeenkomstig het vonnis van de rechtbank acht het hof niet bewezen dat [medeverdachte 2] deel heeft uitgemaakt van de organisatie.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:
hij op 6 september 2010, te [plaats 1] tezamen en in vereniging met een natuurlijk persoon,

een contract (volgens opdruk) tussen [naam 1] en [bedrijf opslagruimte] [plaats 1] ; (vindplaats document, D - 037) - zijnde een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte valselijk - in strijd met de waarheid - op dat geschrift de naam en adresgegevens van [naam 1] geplaatst en een handtekening geplaatst welke door moest gaan voor de handtekening van [naam 1] , zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

2:
hij, op tijdstippen in de periode van 8 augustus 2010 tot en met 28 februari 2011, in Nederland, tezamen en in vereniging met een natuurlijke persoon, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader toen en daar krachtens die gewoonte, telkens van geldbedragen verhuld wie de rechthebbenden waren op die geldbedragen, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten, dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

en

die geldbedragen en/of gouden sieraden en/of gouden munten, verworven en/of voorhanden gehad en/of omgezet terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten, dat die geldbedragen en gouden sieraden en gouden munten - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.


3:
hij, op tijdstippen, in de periode van 1 april 2010 tot en met 28 februari 2011, in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie waarvan behalve hij, verdachte,

- [medeverdachte 1] ;

deel uitmaakte, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven, te weten:

- het plegen van valsheid in geschrift (als bedoeld in artikel 225, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht); en

- het plegen van oplichting (als bedoeld in artikel 326 Wetboek van Strafrecht); en

- het plegen van witwassen (als bedoeld in artikel 420bis/ter/quater Wetboek van Strafrecht).

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van valsheid in geschrift.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van een gewoonte maken van witwassen.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte, gewoontewitwassen en heeft gedurende een geruime periode deel uitgemaakt van een criminele organisatie. Zoals bij de bewijsoverwegingen uiteen is gezet heeft hij daarbij telkens op verzoek van een ander, de opdrachtgever, gehandeld. Dat verdachte niet het brein achter de gepleegde misdrijven is geweest en zich ten opzichte van de opdrachtgever in een ondergeschikte positie bevond, neemt niet weg dat hij een fundamentele rol heeft gespeeld bij de uitvoering van de gepleegde oplichting. Uit verdachtes eigen verklaring is af te leiden dat hij de keuze om te voldoen aan de verzoeken van de opdrachtgever bewust - na enig nadenken - heeft gemaakt, zonder daarover ook maar één kritische vraag te stellen. Verdachtes enkele doel was om geld te verdienen: hij zou 20% van de opbrengst krijgen. Het hof rekent verdachte zijn handelen ernstig aan.

Het totale bedrag dat de belastingdienst afhandig is gemaakt bedraagt € 432.183. Dat het nadeel dat de Belastingdienst daadwerkelijk heeft geleden uiteindelijk beperkt is gebleven, omdat een groot deel van het weggesluisde geld is teruggevonden, is niet aan verdachte te danken en maakt niet dat van een ander, lager benadelingsbedrag uit zou moeten worden gegaan.

Bij een benadelingsbedrag van tussen de € 250.000 en € 500.000 houden de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Straf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tussen de 12-18 maanden in.

Het hof heeft rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier en zoals die ter terechtzitting van het hof zijn besproken. Daaruit zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die als strafverminderend moeten worden aangemerkt. Het hof heeft voorts acht geslagen op verdachtes strafrechtelijk verleden, zoals dat blijkt uit een hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 11 mei 2017. Verdachte is weliswaar eerder met politie en justitie in aanraking gekomen, maar niet voor soortgelijke strafbare feiten als de onderhavige. Deze veroordelingen werken daarom niet strafverzwarend.

De aard en ernst van de gepleegde strafbare feiten, maken dat afdoening middels een grotendeels onvoorwaardelijke gevangenisstraf onontkoombaar is. Een geheel voorwaardelijke straf, zoals de raadsman heeft geopperd, is niet aan de orde.

Het hof waardeert de gepleegde feiten zwaarder dan de rechtbank en de advocaat-generaal en acht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, passend en geboden.

De raadsman heeft er echter terecht op gewezen dat er sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn - de procedure in hoger beroep heeft meer dan 4 jaren geduurd - , hetgeen niet aan de verdediging kan worden toegerekend. In verband hiermee legt het hof verdachte een gevangenisstraf van 20 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Met het voorwaardelijk gedeelte van de straf beoogt het hof tevens te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten. De vrees dat van nieuwe strafbare feiten sprake zal kunnen zijn is vooral gebaseerd op het uit deze zaak blijkende gegeven dat verdachte buitengewoon beïnvloedbaar is en zich kritiekloos laat betrekken in strafwaardig handelen.

Beslag

De hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen behoren aan verdachte toe. Zij zullen worden verbeurd verklaard aangezien zij geheel of grotendeels door middel van het onder 2 en 3 ten laste gelegde en bewezenverklaarde zijn verkregen. Dit geldt ook voor de op de beslaglijst onder 1 genoemde hanger (kruis), waarover verdachte heeft verklaard dat hij deze cadeau kreeg bij de juwelier omdat hij voor zoveel geld had afgenomen. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24, 33, 33a, 47, 57, 63, 140, 225 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

01. 1 hanger, gouden kruis, [naam 2] , juwelier Amsterdam

02. 1 plastic zakje met gouden halsketting en gouden armband

03. 1 goudkleurige ketting + dobbelsteen

04. 1 goudkleurige ketting & hanger draak 925 [naam 3] juwelier

05. 21 munten Krügerranden

06. 4 munten Maple Leafs

07. 1 munt gouden tientje 1912

08. 1 munt gouden tientje zonder jaartal

09. 107 munten Krügerranden

10. 10 munten Maple Leafs

11. 1 vuilniszak met inhoud, inh. vermeld onder depnr. GI

12. 1 tas Tyro

13. 1 jas, kleur zwart

15. 1 pruik

16. 1 [naam 4] toiletartikelen

17. 1 shirt met afgeknipte mouwen

18. 1 trui met capuchon, merk Dutchy

19. 1 zwarte broek, merk Revalation

20. 1 vuilniszak met inhoud, inh vermeld onder depnr. G2

21. 1 sporttas Converse All Star

22. 1 trui

23. 1 hemd, kleur zwart

24. 1 broek, kleur groen

25. 1 doos inhoudende een pruik

26. 1 zonnebril acc

27. 3 blanco lege enveloppen

28. 1 doos inh. goudkl. Collier [naam 5] + nota van [naam 6]

29. 1 doos, blauw, inh. halsketting met parel/certificaatnr. 50570

30. 1 doos inh. collier 48 cm. [naam 7]

31. 1 doos inh. collier + hanger, certificaatnr, 50571, blauw

32. 1 doos inh. bon 813027 collier armband hanger ring oorbel, enki II, zwart

33. 1 doos inh. factuur [naam 8] bonnr 17053 twv 12.000 DHHGR + 53901NCL

34. 1 doos inh. gouden schakelketting [naam 8] 4890 mcl

35. 1 doos inh. armband, goud, [naam 3] , paars

36. 2 dozen, inh. halsketting, goud, [naam 2] juwelier, 5400 mcl

37. 1 doos inh. gouden armband [naam 5]

38. 1 doos inh. schakelarmband + label 606A87413.20 [naam 7]

39. 1 doos inh. schakelarmband [naam 8] 1990 mcl

40. 1 doos inh. gouden armband [naam 2] juw

42. 1 doos inh. damesring met zwarte parel

43. 1 doos inh. gouden armband + naamplaatje [naam 3] , paars

44. 1 doos inh. gouden armband, set 220 (8x) (DRGN (7x)), [naam 3] , paars

45. 1 doos inh. gouden ring+diamant, zwart

46. 1 doos inh. collier + armband, goud, [naam 3] , paars

47. 1 doos inh. collier + armband, goud, [naam 3] , paars

48. 1 doos, inh. zegelring + diamand, goud, [naam 3] , paars

49. 1 doos, inh. gouden armband + naamplaatje, [naam 3] , paars

50. 1 plunjezak, inh. 3 kettingen + 3 armbanden, goud, [naam 9] , blauw

51. 1 doos inh. 1 collier, factuur + certificaat nr G37P2390, [naam 10]

52. 1 koffer, kleur zwart, merk Vanguard

53. 1 koffer, kleur zwart, merk Vanguard

55. EUR 2.600 gestort bij ING Zwolle

56. EUR 23.000 gestort bij ING bank

Aldus gewezen door

mr. W.P.M. ter Berg, voorzitter,

mr. T.M.L. Wolters en mr. T.H. Bosma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 11 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.