Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5864

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
15/01235
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:4893, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:568
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:801
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Verzwegen buitenlandse bankrekening? Voldaan aan informatieverzoeken. Informatiebeschikking vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1802
Viditax (FutD), 01-08-2017
FutD 2017-1941
Viditax (FutD), 13-04-2018
Viditax (FutD), 01-06-2018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 15/01235

uitspraakdatum: 11 juli 2017

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 juli 2015, nummer AWB 14/7439, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft ten aanzien van de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over het jaar 2010 op grond van artikel 52a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een informatiebeschikking vastgesteld.

1.2.

De Inspecteur heeft de informatiebeschikking na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

1.3.

Het door belanghebbende tegen deze uitspraak op bezwaar ingestelde beroep is door de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) op 30 juli 2015 ongegrond verklaard. In haar uitspraak heeft de Rechtbank belanghebbende een termijn van zes weken gesteld, gerekend vanaf de dag na die waarop de uitspraak van de Rechtbank onherroepelijk is geworden, om alsnog de in de informatiebeschikking gestelde vragen te beantwoorden en de daarin verzochte informatie te verstrekken.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2016. De behandeling ter zitting heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van de zaak met het nummer 15/01236. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is toegezonden.

1.6.

Het Hof heeft aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. Het Hof heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld nadere stukken in te brengen. Nadat belanghebbende deze stukken heeft ingebracht, heeft de Inspecteur daarop schriftelijk gereageerd.

1.7.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2017. De behandeling ter zitting heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van de zaak met het nummer 15/01236. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is samen met zijn echtgenote, [A] , in 1994 rekeninghouder geweest van de bankrekening met nummer [00000] bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (hierna: KB‑Lux). Aan deze bankrekening waren sub-rekeningen, waarvan sommige in vreemde valuta, gekoppeld. Enkele van deze sub-rekeningen zijn vermeld op microfiches die de Belastingdienst heeft ontvangen van de Belgische autoriteiten. Op deze bankrekening en de daaraan gekoppelde op de microfiches vermelde sub-rekeningen stond op 31 januari 1994 een totaalsaldo van, omgerekend, fl. 65.548,50.

2.2.

De Inspecteur heeft op 19 maart 2013 de volgende vragen aan de gemachtigde van belanghebbende gesteld over de bankrekening bij de KB-lux:

“ 1. Is deze bankrekening in 2010 en 2011 nog steeds door uw cliënt en/of zijn partner aangehouden?

2. Zo ja, wat was het saldo, inclusief onderliggende sub- en beleggingsrekeningen, op 1 januari en 31 december 2010?

3. Zo nee, waar wordt het eerder op de KBL-rekening gestalde vermogen in 2010 aangehouden?

4. Wat was het saldo van die andere rekeningen op 1 januari en 31 december 2010?

5. Indien niet langer vermogen in het buitenland wordt aangehouden, wanneer en op welke binnenlandse rekening is dit vermogen gestort of wanneer en waarvoor is het aangewend?

6. Ik verzoek u de bescheiden met betrekking tot de buitenlandse rekening(en) (in kopie) voor deze jaren te overleggen.”

2.3.

Belanghebbende heeft deze vragen op 22 maart 2013 als volgt beantwoord:

“ 1. De door u bedoelde bankrekening wordt niet in 2010 en 2011 aangehouden;

2. Niet van toepassing;

3. Het op 31 januari 1994 aangehouden saldo is in 1994 teruggeboekt naar een Nederlandse bankrekening die in de aangifte is verantwoord. Welke rekening dat 19 jaar geleden precies is geweest, is niet meer bekend;

4. Voor saldi verwijs ik u naar de ingediende aangifte;

5. Zie voormeld;

6. Niet van toepassing.”

2.4.

De Inspecteur heeft op 21 mei 2013 de in geschil zijnde informatiebeschikking vastgesteld waarin dezelfde vragen zijn opgenomen.

2.5.

Belanghebbende heeft een verklaring van de KB-Lux van 14 augustus 2014 overgelegd die is gericht aan de rechthebbende. In de verklaring is vermeld dat de rekening met nr. [00000] meer dan tien jaar geleden werd afgesloten en dat het cliëntendossier en de financiële gegevens van de rekening, inclusief de identiteit van de titularis van deze rekening, zijn vernietigd.

2.6.

Op 24 juni 2015 heeft de KB-Lux in een niet ondertekende en niet geadresseerde brief medegedeeld, dat in sommige gevallen van rekeningen die ouder zijn dan 10 jaar toch informatie bewaard is gebleven. In de brief heeft de KB-Lux herhaald dat van de rekening met nr. [00000] geen informatie bewaard is gebleven.

2.7.

In een mailbericht van 6 oktober 2015 heeft [B] , assistent private banker bij [C] (hierna: [C] ), aan de gemachtigde van belanghebbende medegedeeld, dat zij geen bankafschriften van voor het jaar 1997 kunnen verstrekken.

2.8.

De civiele kamer van het Hof heeft in zijn arrest van 3 november 2015, nr. 200.171.031/01, ECLI:NL:GHARL:2015:8313 – waarvan de Hoge Raad in het arrest van 9 juni 2017, nr. 16/00303, ECLI:NL:HR:2017:1046 het beroep in cassatie heeft verworpen – geoordeeld dat de Staat aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende en zijn echtgenote meer informatie kunnen verkrijgen indien zij zich daartoe de inspanningen getroosten die in redelijkheid van hen kunnen worden gevergd. Van belanghebbende en zijn echtgenote mag, naar het oordeel van de civiele kamer, worden gevergd dat zij druk uitoefenen op de KB-Lux in elk geval middels een sommatiebrief van hun advocaat. Daarop heeft de advocaat van belanghebbende op 8 december 2015 een brief aan de KB-Lux gestuurd, waarin is verzocht alsnog informatie te verstrekken over het verloop, het tijdstip van opheffing en saldo en bestemming van het saldo bij opheffing. De KB-Lux heeft in reactie daarop in een brief van 8 januari 2016 de inhoud van de onder 2.5. en 2.6. genoemde brieven bevestigd.

2.9.

Daarnaast heeft belanghebbende [C] verzocht informatie te verstrekken over het bedrag/de bedragen die in 1993 tot 1995 zijn overgemaakt naar en ontvangen van de KB-Lux. Nadat het Hof belanghebbende daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, heeft belanghebbende de volgende, op blanco briefpapier en niet geadresseerde verklaring van 7 oktober 2016 overgelegd van [D] , assistent private banker van [C] :

“U heeft verzocht een opgaaf te verstrekken van de ontvangsten, op de rekeningen van [00001] en [00002] die u in de periode 1993 t/m 1995 heeft aangehouden bij [C] , welke afkomstig zijn van rekeningen bij de Kredietbank Luxemburg met stamnummer [00000] (in ieder geval omvattende de rekeningen [00003] , [00004] en [00005] ). De bank verklaart dat zij op basis van de aan de bank ter beschikking staande gegevens op geen enkele wijze informatie over deze ontvangsten kan verschaffen.”

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de informatiebeschikking terecht heeft vastgesteld en of hij bij het vaststellen daarvan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede bevestigend. De Inspecteur neemt het tegenovergestelde standpunt in.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de Inspecteur, tot vernietiging van de informatiebeschikking en tot vergoeding van de werkelijke proceskosten.

3.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Artikel 47, eerste lid, van de AWR luidt:

“Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur:

a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn;

b. de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan – zulks ter keuze van de inspecteur – waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.”

4.2.

Artikel 49, eerste lid, van de AWR luidt:

“De gegevens en inlichtingen dienen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.”

4.3.

Het met ingang van 1 juli 2011 in werking getreden artikel 52a, eerste lid, van de AWR bepaalt, voor zover te dezen van belang:

“Indien met betrekking tot een op te leggen aanslag (…) niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 41, 47, 47a, 49, 52, (…), kan de inspecteur dit vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking).”

4.4.

Voor de beoordeling of de Inspecteur de informatiebeschikking terecht heeft vastgesteld, is van belang of belanghebbende heeft voldaan aan de op hem rustende informatieverplichtingen van de artikelen 47 en 49 van de AWR. De Inspecteur neemt het standpunt in dat belanghebbende daaraan niet heeft voldaan. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat na de gemotiveerde betwisting door belanghebbende op de Inspecteur de last rust aannemelijk te maken dat belanghebbende de gegevens en inlichtingen niet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud heeft verstrekt.

4.5.

Belanghebbende stelt dat hij gedurende hooguit enkele jaren een rekening heeft aangehouden bij de KB-Lux. Deze rekening, die – aldus belanghebbende – voor zakelijke doeleinden werd geopend, is in 1994 opgeheven en het saldo van ongeveer € 30.000 heeft hij waarschijnlijk overgeboekt naar zijn bankrekening bij [C] . De bankafschriften van de KB-Lux heeft hij op enig moment, maar in ieder geval voor 2002 weggegooid. Nadat de Inspecteur in 2002 om de bankafschriften had gevraagd, heeft belanghebbende de Inspecteur medegedeeld dat de KB-Lux geen kopie dagafschriften verstrekt. Het van de KB-Luxrekening overgeboekte bedrag is volgens belanghebbende opgegaan in het saldo bij [C] . Dit saldo heeft belanghebbende telkens aangegeven in zijn aangiften. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van zijn standpunt onder meer de onder 2.5. tot en met 2.9. genoemde verklaringen overgelegd.

4.6.

De Inspecteur heeft tegenover de gemotiveerde weerspreking door belanghebbende niet aannemelijk gemaakt, dat belanghebbende in 2010 en 2011 nog over een rekening bij de KB-Lux beschikt. Uit de door hem overgelegde verklaringen van de KB-Lux van andere voormalige rekeninghouders bij deze bank, volgt niet dat de verklaring van de KB-Lux dat de rekening is afgesloten, onjuist is. Daaruit volgt dat belanghebbende de vragen 1. en 2. afdoende heeft beantwoord.

4.7.

De Inspecteur heeft niets aangedragen voor zijn stelling dat belanghebbende in 2010 of 2011 de beschikking heeft gehad over andere buitenlandse rekeningen dan de KB-Luxrekening. Hij heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende de in vraag 6. van de informatiebeschikking gevraagde gegevens, niet heeft verstrekt.

4.8.

Tegenover belanghebbendes stelling dat het saldo van de KB-luxrekening in 1994 naar een Nederlandse bankrekening is overgeboekt en dat het saldo is aangegeven in de aangiften IB/PVV, heeft de Inspecteur onvoldoende ingebracht waaruit volgt dat deze inlichtingen onvolledig zijn. Daarmee heeft belanghebbende de vragen 3. en 4. van de informatiebeschikking geheel en vraag 5. gedeeltelijk beantwoord.

4.9.

Belanghebbende heeft het resterende gedeelte van vraag 5. van de informatiebeschikking niet beantwoord; hij heeft niet aangegeven op welke bankrekening het saldo van de KB-Luxrekening is gestort. Belanghebbende stelt dat hij desondanks aan zijn informatieverplichting heeft voldaan, omdat hij niet meer over deze informatie beschikt en deze informatie evenmin kan verkrijgen. Naar het oordeel van het Hof kan belanghebbende, die meermalen en op verschillende wijzen de KB-lux en [C] om het verstrekken van bankafschriften heeft verzocht, en daarbij telkens als antwoord heeft gekregen dat de banken niet meer over deze gegevens beschikken, niet gehouden worden tot het verstrekken van inlichtingen waarover hij niet beschikt en evenmin kan beschikken (vgl. HR 25 januari 2002, nr. 36 063, ECLI:NL:HR:2002:AD8475). Het Hof acht het aannemelijk dat belanghebbende niet de beschikking heeft en evenmin de beschikking kan krijgen over de gevraagde informatie. De Inspecteur heeft nagelaten zijn stelling dat belanghebbende wel over de gegevens kan beschikken, voldoende te onderbouwen. Hij had daartoe wel de mogelijkheid door bijvoorbeeld zelf aan [C] informatie te vragen over de beschikbaarheid van gegevens.

4.10.

De Inspecteur heeft voorts gesteld dat het verzuim van belanghebbende op een eerder moment de informatie bij de KB-Lux op te vragen voor zijn rekening en risico moet komen. Voor zover hij met deze stelling verdedigt dat het niet verstrekken van de stukken zijn oorzaak vindt in een wilsbesluit van belanghebbende om de gevraagde informatie niet te zullen verstrekken (HR 10 februari 2017, nr. 16/01377, ECLI:NL:HR:2017:192), merkt het Hof het volgende op. De Inspecteur heeft na de weerspreking door belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat op het eerste moment dat hij om de in de informatiebeschikking genoemde gegevens heeft verzocht, de gegevens bij de KB-Lux nog opvraagbaar waren. Zo de gegevens al opvraagbaar waren, heeft de Inspecteur evenmin aannemelijk gemaakt, dat belanghebbende heeft besloten die gegevens niet op te vragen en niet te verstrekken.

4.11.

Belanghebbende kan daarom op grond van artikel 47 van de AWR niet worden verplicht gegevens te verstrekken waarover hij niet beschikt en ook niet kan beschikken. Nu belanghebbende aan de in de informatiebeschikking vervatte verzoeken tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen voor zover mogelijk heeft voldaan, zal het Hof de informatiebeschikking vernietigen.

4.12.

De vraag of de Inspecteur enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden bij het vaststellen van de informatiebeschikking kan dan onbeantwoord blijven.

4.13.

Belanghebbende verzoekt om een vergoeding van de werkelijke proceskosten. Voor toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) is grond, indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (zie HR 13 april 2007, nr. 41.235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Deze regel sluit niet uit dat ook in andere gevallen – bijvoorbeeld indien het bestuursorgaan verregaand onzorgvuldig handelt – aanleiding kan bestaan om, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, af te wijken van de forfaitaire bedragen van het Bpb (zie HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur niet tegen beter weten in de informatiebeschikking heeft gehandhaafd of verregaand onzorgvuldig heeft gehandeld. Uit de door de Inspecteur ingebrachte stukken volgt dat de KB-Lux in sommige gevallen eerst na herhaaldelijke verzoeken bankafschriften die ouder zijn dan tien jaar overlegt. Daarnaast is eerst in hoger beroep duidelijk geworden dat ook [C] geen stukken van vóór 1997 kan verstrekken. Ook overigens acht het Hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig om af te wijken van de forfaitaire bedragen van het Bpb.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, bepaalt het Hof dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 492 voor de kosten in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting)  wegingsfactor 1  € 246), € 990 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  factor 1 voor samenhangende zaken  € 495) en € 1.485 voor de kosten in hoger beroep (3 punten (hogerberoepschrift, bijwonen zitting, schriftelijke inlichtingen en bijwonen nadere zitting)  wegingsfactor 1  factor 1 voor samenhangende zaken  € 495), ofwel in totaal op € 2.967. Deze procedure hangt samen met de procedure met het nummer 15/01236, zodat in elke procedure de helft van de proceskosten wordt toegekend.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

– vernietigt de informatiebeschikking,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.483,50,

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 45 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 123 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 11 juli 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 11 juli 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.