Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5857

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-07-2017
Datum publicatie
10-07-2017
Zaaknummer
TBS P16/0475
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:6768, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging terbeschikkingstelling tijdens voorlopige hechtenis. Artikel 38f Sr. Onderbreking van de termijn van de terbeschikkingstelling vanwege detentie uit andere hoofde. Deze onderbreking van de terbeschikkingstelling ontslaat het hof niet van de in artikel 509x Sv en in artikel 5 EVRM neergelegde opdracht om spoedig te beslissen op de vordering tot verlenging van de maatregel. Afwijzing van het verzoek om de behandeling van het hoger beroep aan te houden in afwachting van de uitspraak in de lopende strafzaak tegen de terbeschikkinggestelde, die nog lange tijd - mogelijk jaren - op zich kan laten wachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P16/0475

Beslissing d.d. 6 juli 2017

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[naam terbeschikkinggestelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1967] ,

verblijvende in het [PPC] .

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats

‘s-Hertogenbosch van 7 december 2016, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

  • -

    het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting van het hof van 13 april 2017;

  • -

    de tussenbeslissing van het hof van 26 april 2017;

  • -

    de (verkorte) processen-verbaal van de terechtzittingen van het Gerechtshof

’s-Hertogenbosch 17 maart 2017, 31 maart 2017 en 30 mei 2017 betreffende de tegen de terbeschikkinggestelde aanhangige strafzaak, bekend onder parketnummer

20-003610-16;

- het e-mailbericht van 20 juni 2017 van de advocaat-generaal mr. G.J. de Haas, inhoudende dat de zaaks-advocaat-generaal van het ressortsparket ’s-Hertogenbosch eerst eind 2018 een eindarrest verwacht in de tegen de terbeschikkinggestelde aanhangige strafzaak.

Het hof heeft ter zitting van 13 april 2017 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.A.W. Knoester, advocaat te 's-Gravenhage, en de advocaat-generaal mr. E.J. Julsingh-Nijhuis, en ter zitting van 22 juni 2017 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. Knoester en de advocaat- generaal mr. G.J. de Haas.

Overwegingen

Het procesverloop

De terbeschikkinggestelde is op 14 januari 2014 aangehouden als verdachte van een ernstig zeden/geweldsdelict, gepleegd in 1995, en in verzekering gesteld. De termijn van de terbeschikkingstelling is toen opgeschort. De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis met ingang van 16 november 2015 geschorst. De terbeschikkingstelling is toen hervat. De officier van justitie heeft op 18 oktober 2016 bij de rechtbank een verlengingsvordering ingediend. De rechtbank heeft de terbeschikkinggestelde op 21 november 2016 vrijgesproken van doodslag, maar veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar ter zake van verkrachting en de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven. Sindsdien verblijft de terbeschikkinggestelde weer in voorlopige hechtenis. Zowel verdachte als het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 21 november 2016. Na de eerste regiezittingen van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch op 17 en 31 maart 2017 is de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris voor nader onderzoek. Op 30 mei 2017 heeft de volgende terechtzitting plaatsgehad waarop het onderzoek is geschorst tot de terechtzitting van 12 juli 2017.

Ingevolge artikel 38f, eerste lid, aanhef en onder a van het Wetboek van Strafvordering, voor zover hier van belang, loopt de termijn van de terbeschikkingstelling niet gedurende de tijd dat de terbeschikkinggestelde die van overheidswege wordt verpleegd, uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Dit brengt in dit geval mee dat de termijn van de terbeschikkinggestelde op 14 januari 2014 is opgeschort, op 16 november 2015 weer is gaan lopen en op 21 november 2016 weer is opgeschort.

De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, heeft op 7 december 2016 de terbeschikkingstelling verlengd met een termijn van een jaar. Tegen deze beslissing is de terbeschikkinggestelde in hoger beroep gekomen. Dit beroep is behandeld ter zitting van

13 april 2017. Het hof heeft in zijn tussenbeslissing van 26 april 2017 het onderzoek heropend omdat het voor de vorming van zijn eindoordeel noodzakelijk achtte om nader geïnformeerd over het verloop van de strafzaak en de verwachting omtrent de behandelingsduur daarvan. Het verzoek van de verdediging om twee onafhankelijke deskundigen alsnog omtrent de terbeschikkinggestelde te laten rapporteren heeft het hof afgewezen.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde

Ter zitting van 13 april 2017 heeft de raadsman – naast hiervoor afgewezen verzoek – primair afwijzing van de vordering bepleit, omdat geen sprake meer zou zijn van recidivegevaar en subsidiair voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Ter zitting van 22 juni 2017 heeft de raadsman - mede onder verwijzing naar hetgeen hij heeft aangevoerd ter zitting van het hof van 13 april 2017 – verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van de einduitspraak in de tegen de terbeschikkinggestelde lopende strafzaak, omdat die zaak van belang kan zijn voor de beslissing in deze verlengingsprocedure. Hij heeft daarbij aangevoerd dat daarbij gebruik worden gemaakt van een pro forma-“piepsysteem” om het verloop en de uitkomst van de lopende strafzaak te volgen. Van strijd met de eis om “speedily” te beslissen op het beroep is geen sprake, nu de terbeschikkingstelling niet loopt gedurende de tijd dat de terbeschikkinggestelde vanwege de lopende strafzaak gedetineerd is.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich - in afwijking van de advocaat-generaal ter zitting van het hof van 13 april 2017 - verzet tegen aanhouding van de behandeling van het hoger beroep in afwachting van de uitkomst van de lopende strafzaak. De te nemen beslissing in de onderhavige verlengingsprocedure staat los daarvan. Bovendien impliceert zo’n aanhouding gelet op de verwachte termijn waarop het arrest in de strafzaak zal worden gewezen en de tijd die gemoeid is met een vervolgens mogelijk in te stellen cassatieberoep, dat niet voldaan wordt aan de in het Wetboek van Strafvordering en de in het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde eis om “speedily” te beslissen op het beroep.

Het oordeel van het hof

Zoals het hof in zijn tussenarrest heeft overwogen, is de terbeschikkinggestelde bij vonnis van de rechtbank Den Bosch van 18 januari 2001 veroordeeld ter zake van verkrachting, meermalen gepleegd, en opzettelijke iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden. Dit zijn misdrijven die gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van een of meer personen.

Zowel artikel 509x, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering als artikel 5, vierde lid, EVRM stelt eisen aan de voortgang van de behandeling door de (appel)rechter van een vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling. Ingevolge artikel 509x van het Wetboek van Strafvordering dient het hof zo spoedig mogelijk op het beroep te beslissen en ingevolge artikel 5 EVRM spoedig (de Engelse tekst bezigt het woord "speedily"). Het hof heeft daarom de opdracht om spoedig te beslissen op de vordering tot verlenging van de maatregel. Weliswaar loopt op dit moment de termijn van de terbeschikkingstelling niet doordat de terbeschikkinggestelde uit andere hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen, maar dat kan lopende het hoger beroep in de strafzaak of daarna veranderen. Deze onderbreking van de terbeschikkingstelling ontslaat het hof niet van de opdracht om spoedig te beslissen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de uitkomst van de strafzaak naar verwachting nog lange tijd, mogelijk jaren kan duren, mede omdat na het – niet op korte termijn te verwachten - arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch een of beide partijen beroep in cassatie kan/kunnen instellen bij de Hoge Raad. Het hof acht zich - onder verwijzing naar hetgeen met betrekking tot de behandeling en de resocialisatie in zijn tussenarrest is overwogen - op basis van de voorhanden zijnde informatie thans voldoende voorgelicht om te kunnen oordelen op het hoger beroep. Het hof zal daarom het verzoek om de behandeling van het hoger beroep aan te houden in afwachting van de uitspraak in de lopende strafzaak tegen de terbeschikkinggestelde afwijzen.

Het hof acht een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege op dit moment niet op haar plaats gelet op de door de lopende strafzaak onderbroken behandeling en resocialisatie en de fase waarin zich die bevonden. Aan de terbeschikkinggestelde was in mei 2013 transmuraal verlof toegekend. Als gevolg van zijn aanhouding in januari 2014 en de lopende strafzaak heeft sindsdien, zoals de rechtbank reeds heeft overwogen, feitelijk verder geen behandeling of resocialisatie van de terbeschikkinggestelde meer plaatsgevonden.

Het hof is met verbetering en aanvulling van gronden als voormeld van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal de beslissing, waarvan beroep met die verbetering en die aanvulling worden bevestigd.

Beslissing

Het hof:

Wijst af het verzoek tot het aanhouden van de behandeling van het hoger beroep in afwachting van de uitkomst van de lopende strafzaak tegen de terbeschikkinggestelde;

Wijst af het verzoek tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege;

Bevestigt met verbetering en aanvulling als voormeld de beslissing van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 7 december 2016 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [naam terbeschikkinggestelde].

Aldus gedaan door

mr. E.A.K.G. Ruys als voorzitter,

mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen en mr. W.A. Holland als raadsheren,

en drs. I.M. van Woudenberg en dr. R.A. Graaff als raden,

in tegenwoordigheid van mr. I.H.A. Bijl als griffier,

en op 6 juli 2017 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.