Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5744

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-07-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
WAHV 200.171.592
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene was in het bezit van een geldige ontheffing, maar de ontheffing was niet zichtbaar in het voertuig aanwezig. Het verwijt dat aan de betrokkene kan worden gemaakt is van een geringere ernst dan wanneer de gedraging als zodanig niet onder de ontheffing zou kunnen worden gebracht. Het hof matigt de sanctie tot de helft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.171.592

6 juli 2017

CJIB 177527799

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam

van 19 mei 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft - nadat het hof de zaak had teruggewezen - het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De bestreden beslissing is aangetekend in het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter. Het hof stelt vast dat daarin wel de naam is vermeld van de kantonrechter die het beroep van de betrokkene heeft behandeld, doch dat het proces-verbaal niet is ondertekend door de kantonrechter. Het proces-verbaal is slechts ondertekend door de griffier. In het proces-verbaal is niet vermeld dat de kantonrechter buiten staat was dit (mede) te ondertekenen. Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of dit gebrek van dien aard is dat daaraan een rechtsgevolg dient te worden verbonden.

2. Artikel 13, derde lid, in samenhang met artikel 13, tweede lid, van de WAHV schrijft voor dat de ter openbare zitting uitgesproken beslissing van de kantonrechter in het proces-verbaal der zitting wordt aangetekend, dat het de gronden bevat waarop de beslissing berust en dat een afschrift van de aantekening van de beslissing aan partijen wordt toegezonden.

3. In de WAHV is geen bepaling opgenomen waarin wordt voorgeschreven dat het proces-verbaal, waarin de beslissing van de kantonrechter is aangetekend, door de rechter die de beslissing gegeven heeft moet worden ondertekend. Artikel 8:77, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 365, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) houden wel in dat de schriftelijke uitspraak door de rechter moet worden ondertekend. Artikel 378, tweede lid, Sv schrijft evenals voormelde bepalingen van de WAHV voor dat een mondelinge uitspraak in het proces-verbaal van de zitting wordt aangetekend. Dit proces-verbaal dient, gelet op artikel 327 Sv, door de rechter te worden ondertekend.

4. Ondertekening door de rechter dient het belang dat de rechter aldus bevestigt dat de weergegeven beslissing de zijne is. Het betreft hier een uit de beginselen van behoorlijke rechtspleging voortvloeiende eis.

5. Gelet hierop dient ook het in artikel 13, derde lid, WAHV bedoelde proces-verbaal te worden ondertekend door de rechter die de daarin weergegeven beslissing heeft genomen. Nu het proces-verbaal van de ter zitting uitgesproken beslissing niet is ondertekend door de kantonrechter en evenmin is vermeld dat hij buiten staat was het proces-verbaal mede te ondertekenen, moet de beslissing van de kantonrechter worden vernietigd.

6. Ter beoordeling van het hof staat nu het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep.

7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “als bestuurder van een motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken (bijv. laten stilstaan op een trottoir/voetpad etc.)”, welke gedraging zou zijn verricht op 27 oktober 2013 om 19.47 uur op de [adres] te Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken].
De officier van justitie heeft het administratief beroep tegen deze beschikking ongegrond verklaard.

8. De betrokkene ontkent niet dat het voertuig ten tijde van de gedraging op het trottoir was geparkeerd, maar stelt dat aan haar - in verband met funderingsherstelwerkzaamheden - door de gemeente Amsterdam een tijdelijke ontheffing is verleend om haar voertuig ter plaatse te parkeren. De gemeente gaf geen kaart af, maar een boekje van 5 bladzijden. Deze ontheffing lag ten tijde van de gedraging achter de voorruit van het voertuig. Verder stelt de betrokkene dat op geen enkele wijze kenbaar is gemaakt dat de ontheffing per dag tot 19.00 uur gold. Ter onderbouwing zijn door de betrokkene bescheiden afkomstig van de gemeente Amsterdam in de procedure gebracht.

9. De onderhavige gedraging, met feitcode R315b, ziet op een overtreding van artikel 10 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Hierin is bepaald, voor zover hier van belang, dat bestuurders van motorvoertuigen de rijbaan gebruiken en dat zij voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten mogen gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.

10. Artikel 87 van het RVV 1990 bepaalt dat het bevoegd gezag ontheffing kan verlenen van, onder meer, artikel 10 van het RVV 1990.

11. Uit de door de betrokkene overgelegde "tijdelijke verkeersmaatregel" van de gemeente Amsterdam, stadsdeel Centrum, van 29 oktober 2012 blijkt dat een ontheffing is afgegeven voor 1 parkeerplaats op de [adres] 145 van 29 oktober 2012 07.00 uur tot en met 29 oktober 2013, 18.00 uur. Hierbij is vermeld dat de maatregel zichtbaar in het voertuig aanwezig dient te zijn.

Uit het door de betrokkene overgelegde ongedateerde stuk "tijdelijke verkeersmaatregel voor [adres] 143-145" van de gemeente Amsterdam, stadsdeel Centrum, blijkt dat een ontheffing is afgegeven voor het afzetten van 2 parkeervakken op de [adres] 143-145 van 26 juli 2013 tot en met 29 oktober 2013, van 07.00 uur tot 18.00 uur. In dit stuk staat vermeld dat de brief altijd moet worden meegenomen naar de werklocatie wanneer gebruik wordt gemaakt van de ontheffing of vergunning.

12. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“Gedragingsgegevens: het voertuig stond geparkeerd op het trottoir.

Overtreden artikel: 10 lid 1 RVV 1990. (…)

Opmerkingen ambtenaar 1:

Het voertuig met kenteken [kenteken] stond gedurende 10 minuten geparkeerd op het trottoir, ik zag tevens geen laad en los activiteiten bij het voertuig, tevens zag ik in het voertuig geen ontheffing of iets dergelijks.”

13. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht, nu het voertuig van de betrokkene op het trottoir geparkeerd stond en uit de verklaring van de verbalisant blijkt dat er geen ontheffing zichtbaar in het voertuig aanwezig was. Het hof ziet in de enkele stelling van de betrokkene dat de ontheffing wel in het voertuig aanwezig was, geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant.

14. Gelet op het gevoerde verweer dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.

15. Het hof acht - gelet op de door de betrokkene overgelegde stukken - aannemelijk dat aan de betrokkene door de gemeente Amsterdam een ontheffing was afgegeven om te parkeren op de [adres], ter hoogte van nummer 145. Het hof acht eveneens aannemelijk dat deze ontheffing geldig was op de dag van de gedraging. Ter discussie staat echter of die ontheffing de hele dag geldig was of slechts tussen 07.00 uur en 18.00 uur.
De officier van justitie is van mening dat de aan de betrokkene verleende ontheffing slechts geldig was tussen 07.00 uur en 18.00 uur, en derhalve niet op het tijdstip van de gedraging om 19.47 uur.

16. Het hof is echter van oordeel dat in het licht van de door de betrokkene overgelegde ontheffingen, in het bijzonder de tijdsaanduiding in de ontheffing van 29 oktober 2012, niet met een voldoende mate van zekerheid vast te stellen is dat deze gedraging niet onder de verleende ontheffing viel. Dat brengt mee dat de betrokkene slechts doordat hij niet heeft voldaan aan de voorwaarde dat de ontheffing zichtbaar in het voertuig aanwezig diende te zijn, geen aanspraak kan maken op de uit de ontheffing voortvloeiende rechtsgevolgen. Dit betreft een verwijt van geringere ernst dan wanneer de gedraging als zodanig niet onder de ontheffing zou kunnen worden gebracht. Onder deze omstandigheden bestaat, gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, aanleiding om de hoogte van het sanctiebedrag, op de voet van artikel 9, tweede lid, onder b, van de WAHV, te matigen tot € 45,-.

17. Het hof zal daarom het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaren en, met wijziging van de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking, de hoogte van het sanctiebedrag op € 45,- bepalen.

18. Gelet hierop beslist het hof als volgt.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

wijzigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 13 januari 2014, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 177527799 de administratieve sanctie is opgelegd in dier voege dat de hoogte van het sanctiebedrag € 45,- bedraagt;

verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.